Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:316

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
13-01-2014
Zaaknummer
AWB 11/634
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

géén nalatigheid, randvoorwaardenkorting

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006, geldigheid: 2014-01-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 11/634

5101

Uitspraak van de meervoudige kamer van 18 december 2013 in de zaak tussen

[bedrijfsnaam 1], te [vestigingsplaats 1], appellante

(gemachtigde: mr. K. Dankers),

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. ing. M.A. Hofsteenge).

Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun (de Regeling) een randvoorwaardenkorting van 3% op de aan appellante voor het jaar 2010 te verlenen rechtstreekse betalingen vastgesteld.

Bij besluit van 29 juni 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het College heeft het onderzoek gesloten, nadat partijen toestemming hebben verleend voor het achterwege laten van een zitting.

Overwegingen

1.1 Appellante exploiteert een veehouderij met circa 2000 dieren. Haar vaste leverancier van diervoeder is [bedrijfsnaam 2] ([bedrijfsnaam 2]). Op 29 oktober 2010 zijn door [bedrijfsnaam 2] twee containers met peterseliesteeltjes aan appellante geleverd. De steeltjes in één van de containers waren enigszins vochtig. De peterseliesteeltjes waren afkomstig van [bedrijfsnaam 3] te [vestigingsplaats 2] ([bedrijfsnaam 3]) en zij komen vrij als reststroom bij het drogen van peterselie door [bedrijfsnaam 3] voor humane doeleinden. [bedrijfsnaam 3] wist dat een reststroom vingerhoedskruid in de peterselie terecht was gekomen en had om die reden beide containers bestemd voor vergisting. Op de vrachtbrief staan de volgende aantekeningen: ‘2 cont. plantaardig materiaal’, ‘Voor vergisting’, ‘cont. 949 nat’, ‘cont. 801 droog’.

1.2 Op 30 oktober 2010 heeft [naam 1], directeur van appellante, een deel van de peterseliesteeltjes vervoederd aan circa 650 kalveren. Op 31 oktober 2010 bleek een groot aantal met dit voer gevoerde kalveren ziek te zijn en een aantal dieren was gestorven. De dierenarts vermoedde een vergiftiging. Uiteindelijk zijn 90 dieren gestorven. Drie overleden kalveren zijn onderzocht door de Gezondheidsdienst voor dieren te Deventer. Die dienst concludeerde dat de kalversterfte is veroorzaakt door vergiftiging met vingerhoedskruid.

1.3 [naam 2] ([naam 2]) is diervoederspecialist bij [bedrijfsnaam 2]. Volgens [naam 2] heeft niemand hem verteld over de verontreiniging met vingerhoedskruid of dat de peterselie alleen voor vergisting was bestemd. [naam 2] heeft telefonisch aan [naam 1] aangekondigd dat de twee containers aan appellante als veevoeder zouden worden geleverd. [naam 2] heeft [naam 1] toen geadviseerd de container met klamme peterselie als eerste te verwerken. [bedrijfsnaam 2] is ervan uitgegaan dat het als voedermiddel kon worden afgeleverd, omdat de voedersnelheid bij appellante erg hoog ligt en zodoende het vochtige product geen problemen geeft. De inkoop van [bedrijfsnaam 2] is, aldus haar directeur [naam 3], uitsluitend diervoederwaardig en onder GMP-condities. Alle producten kunnen zowel voor diervoeder als voor vergisting worden afgeleverd. Appellante beschikt, zoals bij [bedrijfsnaam 2] bekend, niet over een vergistingsinstallatie.

2.1 Verweerder heeft aan appellante een randvoorwaardenkorting van 3% opgelegd in verband met de niet-naleving van het verbod aan voedselproducerende dieren onveilige diervoeders te vervoederen (artikel 20 Regeling diervoeders 2010 in samenhang met artikel 15, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 178/2002).

2.2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat appellante nalatig is geweest, nu appellante wist dat de geleverde peterseliesteeltjes uitsluitend voor vergisting mochten worden afgezet en de bestemming vergisting ook uitdrukkelijk op de vrachtbrief is vermeld. Appellante heeft desondanks de peterseliesteeltjes – zonder onderzoek te doen naar de reden van deze bestemming – gevoerd aan haar kalveren. Appellante is dan ook verantwoordelijk voor de geconstateerde niet-naleving. Dat in het verleden wel vaker voer is geleverd met de vermelding vergisting, terwijl dit voer zonder problemen kon worden vervoederd, doet aan het bovenstaande niet af.

3.1 Appellante betwist niet dat sprake was van het vervoederen van onveilige diervoeders aan voedselproducerende dieren.

3.2 Appellante meent dat verweerder ten onrechte een korting heeft opgelegd. Op grond van artikel 71 van Verordening (EG) nr. 1122/2009 kan een verlaging slechts worden toegepast indien de niet-naleving het gevolg is van nalatigheid van de landbouwer. Van enige nalatigheid van appellante is echter geen sprake. De aantekening ‘Voor vergisting’ op de vrachtbrief was voor [naam 1] geen reden om aan te nemen dat het product niet geschikt was als diervoeder. Appellante heeft bij [bedrijfsnaam 2] als GMP-waardig besteld veevoer vervoederd aan haar dieren. Dat [bedrijfsnaam 3] de partij peterseliesteeltjes had afgekeurd als veevoer, was bij appellante niet bekend. [bedrijfsnaam 2] wist dat op het bedrijf van appellante geen vergistingsinstallatie aanwezig is. Bovendien is in het verleden wel vaker voer geleverd met de vermelding vergisting, terwijl dit als GMP-waardig bestelde voer steeds zonder problemen kon worden vervoederd. Over de bewuste partij peterseliesteeltjes heeft voorafgaand overleg plaatsgevonden met [bedrijfsnaam 2], omdat de afspraak was dat alleen gedroogde peterseliesteeltjes zouden worden geleverd als veevoer. Bij levering bleek de inhoud van één van de twee containers echter klam te zijn. Hierop is door [bedrijfsnaam 2] geadviseerd de container met klamme inhoud als eerste te verwerken, en dat is ook gebeurd.

4.1 Het College stelt vast dat appellante wist dat de bewuste peterselie de bestemming ‘vergisting’ had. Dit wordt door haar ook niet betwist.

4.2 Verweerder is van mening dat appellante er op bedacht had moeten zijn dat de voor vergisting bestemde peterselie niet zonder meer als veevoeder mocht worden gebruikt, omdat het reeds vanwege die bestemming onveilig was of kon zijn.

4.3 Op zich kan het College verweerder volgen in zijn opvatting dat een redelijk handelend veehouder zich ervan vergewist dat het hem als veevoeder geleverde plantaardig materiaal, dat blijkens de vrachtbrief voor vergisting is bestemd, desondanks veilig aan zijn vee kan worden vervoederd. Naar het oordeel van het College heeft appellante in dit geval zich voldoende van die vergewisplicht gekweten. Zij heeft immers het advies van de diervoederspecialist, dat overeenstemde met haar eigen ervaringen, opgevolgd. Dat de betreffende peterseliesteeltjes een residu van vingerhoedskruid bevatte, was bij appellante niet bekend en haar treft geen verwijt dat zij daarvan niet op de hoogte was. Onder die omstandigheden is, anders dan verweerder meent, geen sprake van nalatigheid aan de zijde van appellante.

4.4 Het vorenstaande leidt het College tot de conclusie dat, gelet op artikel 71, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1122/2009, niet is voldaan aan een materiële toepassingsvoorwaarde voor de toepassing van de in geding zijnde verlaging.

5.1 Het beroep is daarom gegrond en het College vernietigt het bestreden besluit. Nu geen grond bestaat voor het opleggen van de in geding zijnde randvoorwaardenkorting van 3 % , ziet het College aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het primaire besluit wordt herroepen.

5.2 Het College veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 472,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 472,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 302,-- aan appellant te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 472,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, mr. R.C. Stam en
mr. J. Schukking, in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2013.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. C.M. Leliveld