Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:303

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
30-12-2013
Datum publicatie
08-01-2014
Zaaknummer
AWB 13/72 AWB 13/73
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Energie-investeringsaftrek, definitie armatuur, LED-armatuur

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001, geldigheid: 2014-01-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummers: 13/72 en 13/73

27652

Uitspraak van de meervoudige kamer van 30 december 2013 in de zaken tussen

De Pixelaar B.V., te Leersum, appellante

(gemachtigden: R. Bouwman en G.J. van Dijk),

en

de minister van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigden: mr. C. Cromheecke en W. Brinkman).

Procesverloop

Bij twee ongedateerde besluiten, verzonden op 9 oktober 2012, (de primaire besluiten) heeft verweerder de aanvragen van appellante voor een verklaring Energie-investeringsaftrek (EIA-verklaring) als bedoeld in de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) afgewezen.

Bij twee besluiten van 21 december 2012 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2013.

Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Voor verweerder is tevens verschenen mr. J. Weda.

Overwegingen

1.

Op grond van artikel 3.42 Wet IB 2001 kan een ondernemer die belastingplichtig is voor de inkomsten- of vennootschapsbelasting en voor eigen rekening een onderneming drijft, voor de aanschaf van een bedrijfsmiddel in aanmerking komen voor energie-investeringsaftrek.

Energie-investeringen zijn, op grond van artikel 3.42, tweede lid, Wet IB 2001, investeringen die door de minister van Financiën, in overeenstemming met verweerder en na overleg met de minister van Infrastructuur en Milieu bij ministeriële regeling zijn aangewezen als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie.

Artikel 1, aanhef en onder A, aanhef en onder 4, aanhef en onder 4.2.F, (A4.2.F.) van Bijlage 1 bij de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001 (Uitvoeringsregeling) bepaalt dat als energie-investeringen als bedoeld in artikel 3.42, tweede lid, van de Wet IB 2001 worden aangemerkt technische voorzieningen ten behoeve van energiebesparing in of bij bedrijfsgebouwen door efficiënte verlichting door een LED-belichtingssysteem voor podium- of theaterbelichting, en bestaande uit: LED-armaturen, (DMX) driver. De Power Factor van het verlichtingssysteem moet ten minste 0,90 bedragen.

2.

Bij de primaire besluiten heeft verweerder de aanvragen voor EIA-verklaringen voor twee LED-belichtingssystemen, bestaande uit respectievelijk 84 en 320 LED-panelen, afgewezen omdat deze niet voldoen aan de omschrijving van LED-belichtingssystemen voor podium- of theaterbelichting zoals vermeld in de Uitvoeringsregeling . In de bestreden besluiten heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond verklaard omdat er bij de door appellante aangeschafte bedrijfsmiddelen geen sprake is van een LED-armatuur als bedoeld in de Uitvoeringsregeling.

3.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of de door appellante aangeschafte bedrijfsmiddelen uit LED-armaturen bestaan.

4.

Appellante voert aan dat de LED-panelen als armatuur zijn aan te merken en dat de investering in deze bedrijfsmiddelen voor energie-investeringsaftrek in aanmerking zou moeten komen. In de Uitvoeringsregeling is geen definitie van het begrip armatuur gegeven, zodat verweerder aansluiting moet zoeken bij de in de branche bekende definitie van armaturen. De Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV) definieert een armatuur als een apparaat dat dient om het licht dat door één of meer lampen wordt uitgezonden te verdelen, te filteren of te transformeren en dat, met uitzondering van de lampen zelf, alle delen bevat die voor de bevestiging en bescherming van de lampen noodzakelijk zijn en, voor zover noodzakelijk hulpschakelingen, alsmede inrichtingen voor de elektrische aansluiting.

Het systeem van appellante voldoet aan deze definitie. De losse LEDS zijn samengebouwd in een frame en verbonden met alle benodigde schakelapparatuur. De LEDS zijn afgedekt met een speciale 'mask' om de verstrooiing van het licht te beïnvloeden en de LEDS te beschermen. Daarnaast zijn de reflectoren in de SMD LEDS ingebouwd, met een openingshoek van 140º. Het feit of dit systeem koppelbaar is of niet is niet bepalend voor de vraag of sprake is van een armatuur. Ook standaard armaturen kunnen met elkaar worden gekoppeld tot min of meer één systeem.

5.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de door appellante gemelde systemen niet uit LED-armaturen bestaan. Volgens de gangbare opvatting binnen de branche is een armatuur een houder voor één of meer lampen, die het door die lampen gegenereerde licht op specifieke wijze of voor een specifiek doel verspreidt. Daarnaast heeft een armatuur als functies: het verspreiden van en richten van licht en het beschermen tegen verblinding door het licht. Verder beschermt het de gebruiker tegen een verhitte lamp en elektrische bedrading.

De door appellante aangedragen definitie van de NSVV kent de volgende functionele elementen: verdelen, filteren, transformeren, bevestigen en beschermen. Deze functionaliteiten dienen door de armatuur te worden bewerkstelligd wil er sprake zijn van een armatuur. Onder transformeren wordt het veranderen van kleur verstaan. Verweerder acht het elementair dat armaturen die bestemd zijn voor podium- of theaterbelichting ervoor kunnen zorgen dat het licht gericht en gebundeld kan worden. De aanvragen van appellante hebben betrekking op een display opgebouwd uit vele kleine schermpjes die aaneengesloten één groot scherm vormen. Verweerder betoogt dat er een duidelijk onderscheid gemaakt dient te worden tussen armatuur en lichtbron. Hoewel de lichtbron in meer of mindere mate de functionaliteit van een armatuur in zich kan hebben, betekent dit niet dat de lichtbron beschouwd kan worden als een armatuur. Immers, de armatuur is het apparaat dat zodanig optisch geconstrueerd is dat deze het door de lichtbron opgewekte licht optimaal op de gewenste plek brengt. Dit is het essentiële verschil tussen lichtbron en armatuur. Om van een armatuur te kunnen spreken moeten er daarom optische kenmerken, voor bijvoorbeeld het richten, verdelen en verspreiden van licht, in de armatuur aanwezig zijn. Hierbij kan gedacht worden aan optieken, filters of rasters. Volgens verweerder voldoen de meldingen van appellante niet aan de definitie van de NSVV.

Verweerder stelt dat het frame om de door appellante gemelde displays alleen dient om de modules te koppelen en te fixeren. Dit blijkt ook uit de technische specificaties van de fabrikant, waarin niet gesproken wordt over een armatuur (fixture of luminaire in het Engels). Volgens verweerder heeft de fabrikant zijn product ontworpen voor visuele datapresentaties in de vorm van video/grafische beelden. In de technische specificaties wordt verwezen naar de richtlijn "Apparatuur voor Informatietechniek — Veiligheid Deel 1: Algemene eisen". Aan het apparaat (display/screen) worden duidelijk andere eisen gesteld dan aan armaturen.

Verweerder merkt op dat bij het opnemen van code A4.2.F in de Bijlage bij de Uitvoeringsregeling (code 210508 in de Energielijst 2012) het nooit de bedoeling is geweest om bedrijfsmiddelen als die door appellante zijn gemeld, als podium- of theaterbelichting voor energie-investeringsaftrek in aanmerking te laten komen. Mede daarom heeft verweerder de armaturen als verplicht bestanddeel van het bedrijfsmiddel opgenomen.

6.

Tussen partijen is niet in geschil dat de definitie van de NSVV van het begrip armatuur gehanteerd kan worden om vast te stellen of de LED-panelen van appellante uit LED-armaturen in de zin van de Uitvoeringsregeling bestaan. Zoals hiervoor onder 4. weergegeven definieert de NSVV een armatuur als een apparaat dat dient om het licht dat door één of meer lampen wordt uitgezonden te verdelen, te filteren of te transformeren en dat, met uitzondering van de lampen zelf, alle delen bevat die voor de bevestiging en bescherming van de lampen noodzakelijk zijn en, voor zover noodzakelijk hulpschakelingen, alsmede inrichtingen voor de elektrische aansluiting.

Deze definitie bevat vijf elementen: verdelen, filteren, transformeren, bevestiging en bescherming. Het College is van oordeel dat deze vijf elementen niet allemaal aanwezig dienen te zijn om van een armatuur te kunnen spreken. Van de eerste drie elementen, verdelen, filteren en transformeren, dient er tenminste één aanwezig te zijn, gelet op het woord "of" dat wordt gebruikt in de opsomming "te verdelen, te filteren of te transformeren." De laatste twee elementen, bevestiging en bescherming, dienen beide aanwezig te zijn. Overigens heeft ook verweerder deze lezing ter zitting bevestigd.

Het College stelt vast dat het LED-paneel van appellanten de delen bevat die voor de bevestiging en bescherming van de lampen noodzakelijk zijn. Voorts stelt het College vast dat het LED-paneel het licht kan filteren met behulp van een raster. Dat het raster een los onderdeel van het LED-paneel is en niet aan het LED-paneel is vastgemaakt, maakt niet dat het raster niet kan worden beschouwd als een onderdeel van het LED-paneel. Het College heeft daarbij in ogenschouw genomen dat verweerder een voorbeeld heeft aangedragen dat volgens hem een LED-armatuur in de zin van de Uitvoeringsregeling is, waarbij het raster eveneens een los onderdeel is. Gelet hierop is het College van oordeel dat het LED-paneel van appellante uit een LED-armatuur bestaat.

Ter zitting is gebleken dat niet langer in geschil is dat het LED-paneel van appellante een LED-belichtingssysteem voor podium- of theaterbelichting is. Evenmin in geschil is dat het LED-paneel van appellante voldoet aan de Power Factor, zoals opgenomen in de Uitvoeringsregeling. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat indien een LED-belichtingssysteem voor podium- of theaterbelichting voldoet aan de code A4.2.F. van de Bijlage bij de Uitvoeringsregeling, verweerder geen afzonderlijke toets op de energiebesparing uitvoert.

Het College is van oordeel dat de LED-panelen van appellante voldoen aan de definitie van LED-belichtingssysteem voor podium- of theaterbelichting in code A4.2.F. van de Bijlage bij de Uitvoeringsregeling. Appellantes LED-panelen komen derhalve in aanmerking voor energie-investeringsaftrek.

7.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat de beroepen gegrond zijn en de bestreden besluiten vernietigd dienen te worden. Verweerder zal worden opgedragen opnieuw op de bezwaren van appellante te beslissen, zulks binnen de hieraan te stellen termijn van zes weken na deze uitspraak. Het College ziet af van verdere finalisering, omdat het voor de vereiste duidelijkheid en de voortvarende afwikkeling beter is als het bedrag aan energie-investeringsaftrek in een voor de belastingdienst gemakkelijk herkenbare EIA-verklaring wordt neergelegd.

8.

Gelet op het voorgaande behoeft hetgeen appellante overigens tegen de bestreden besluiten heeft aangevoerd, geen bespreking meer.

9.

Verweerder zal worden veroordeeld in de proceskosten van beroepsmatig verleende bijstand op basis van 1 punt voor het verschijnen ter zitting, tegen een waarde van € 472,- per punt, voor twee samenhangende zaken van gemiddeld gewicht.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten;

  • -

    draagt verweerder op om binnen zes weken na deze uitspraak met inachtneming daarvan opnieuw op de bezwaren te beslissen;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 472,-

  • -

    bepaalt dat verweerder aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 620,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, mr. H.J. Albers en mr. T.P.J.N. van Rijn, in aanwezigheid van mr. F.E. Mulder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 december 2013.

w.g. M. Munsterman w.g. F.E. Mulder

Tegen deze uitspraak kunnen de belanghebbende en de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van de begrippen 'investeren' en 'bedrijfsmiddelen' (artikel 3.42, achtste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001).