Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:30

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
20-06-2013
Datum publicatie
05-07-2013
Zaaknummer
AWB 12/671
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:BW9476, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken vergunning wegens niet voldoen aan vakbekwaamheidseisen als bedoeld in artikel 4:9 Wft; in dit geval geen sprake van strijd met algemene rechtsbeginselen en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.

Wetsverwijzingen
Wet op het financieel toezicht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

12/67120 juni 2013

22310

Uitspraak op het hoger beroep van:

[A], h.o.d.n. [B], te [woonplaats], appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 juni 2012, met kenmerk AWB 11/5322 (www.rechtspraak.nl, LJN: BW9476), in het geding tussen

appellant

en

de Stichting Autoriteit Financiële Markten, verweerster (hierna: AFM).
Gemachtigde van AFM: mr. A.C. Rop, advocaat te Den Haag.

1 De procedure

Appellant heeft bij brief van 11 juli 2012, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld tegen de bovengenoemde uitspraak van de rechtbank Rotterdam (hierna: rechtbank).

Bij brief van 5 september 2012 heeft AFM gereageerd op het hoger beroepschrift.

Bij brief van 1 mei 2013 heeft appellant de gronden van het hoger beroep aangevuld en nadere stukken overgelegd.

Op 22 mei 2013 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Appellant is daar in persoon verschenen. AFM is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Namens AFM is tevens verschenen mr. A.S. Aukema, werkzaam bij AFM.

2 De grondslag van het geschil

Bij besluit van 6 oktober 2006 is appellant een vergunning verleend voor het verrichten van financiële diensten als bedoeld in artikel 10 van de Wet financiële dienstverlening. Deze vergunning is ingevolge de Invoerings- en aanpassingswet Wet op het financieel toezicht per 1 januari 2007 komen te berusten op artikel 2:83 van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft).

Bij besluit van 11 mei 2011 heeft AFM die vergunning (deels) ingetrokken, te weten voor het bemiddelen in levensverzekeringen, hypothecair krediet en consumptief krediet, omdat appellant niet aan de vakbekwaamheidseisen als bedoeld in artikel 4:9 Wft voldeed. AFM heeft dit besluit in bezwaar gehandhaafd.

Appellant heeft vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank.

3 De uitspraak van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. Verwezen wordt naar de overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak.

4 De standpunten van partijen in hoger beroep

4.1

Appellant stelt zich – samengevat – op het standpunt dat zijn vergunning is ingetrokken in strijd met het Europese recht en diverse rechtsbeginselen, waaronder het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. Appellant voert daartoe aan dat hij zijn diploma in 1995 behaald heeft en in de veronderstelling was dat die zijn geldigheid niet zou verliezen. Hij mocht er op vertrouwen dat de geldigheid niet zou eindigen wegens strengere eisen, in dit geval het ontbreken van nieuwe diploma’s. Een wetswijziging mag er niet toe leiden dat zijn rechten verloren gaan zonder dat daar compensatie voor geboden wordt. Dat is naar de mening van appellant in strijd met het recht op eigendom in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Bovendien is sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat volgens appellant de aan hem opgelegde eisen niet voor iedereen lijken te gelden.

4.2

AFM heeft gemotiveerd verweerd gevoerd.

5 De beoordeling van het geschil

5.1

Aan de orde is de vraag of de vergunning van appellant op goede gronden (gedeeltelijk) is ingetrokken. Het College overweegt daartoe als volgt.

5.2

Appellant betwist niet dat hij (op 11 mei 2011) niet voldeed aan de uit de Wft en de daarop gebaseerde regelgeving voortvloeiende diplomavereisten voor het mogen bemiddelen in levensverzekeringen, hypothecair krediet en consumptief krediet. Appellant heeft ter zitting van het College bevestigd dat hij ook thans niet in het bezit is van de benodigde diploma’s. Dit betekent dat appellant niet voldeed aan de vakbekwaamheidseisen als bedoeld in artikel 4:9 Wft. Voorts staat vast dat appellant geen aanvraag om ontheffing als bedoeld in artikel 4:9, vierde lid, Wft heeft gedaan of bedoeld te doen.

AFM was derhalve bevoegd op grond van artikel 1:104, eerste lid, aanhef en onder d, Wft de aan appellant verleende vergunning in zoverre deels in te trekken.

5.3

Het College ziet in de feiten en omstandigheden van het geval geen aanleiding voor het oordeel dat AFM van die bevoegdheid in het geval van appellant in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken.

De omstandigheid dat het appellant in het verleden op grond van het toen behaalde diploma was toegestaan financiële diensten te verrichten, betekent niet dat die toestemming niet kan worden ingetrokken. De wetgever kan immers in algemene zin niet de bevoegdheid worden ontzegd uit een oogpunt van algemeen belang nadere voorwaarden te stellen aan het mogen verrichten van financiële diensten, en daar vervolgens ook consequenties aan te verbinden als aan die nadere voorwaarden niet wordt voldaan.

In de wet- en regelgeving is voorzien in een overgangsregeling voor dienstverleners, die bij inwerkingtreding van de wetswijziging (nog) niet voldeden aan de vakbekwaamheidseisen. Tot 1 oktober 2007 gold een wettelijke vrijstelling van de vakbekwaamheidseisen. Feitelijk heeft appellant in ieder geval vanaf de verlening van de vergunning (op 6 oktober 2006) tot de daadwerkelijke intrekking (op 11 mei 2011, dus ruim drie-en-een-half jaar na afloop van de overgangstermijn) de tijd gehad de benodigde diploma’s te behalen. Appellant is er bij zijn vergunningverlening bovendien uitdrukkelijk op gewezen dat hij op dat moment was vrijgesteld van de wettelijke deskundigheidseisen, maar vóór 1 oktober 2007 nog nadere diploma’s diende te halen ter zake van levensverzekeringen, hypothecair en consumptief krediet. Voorts bestaat de mogelijkheid ingevolge artikel 4:9, vierde lid, Wft een ontheffing te vragen van de vakbekwaamheidseisen. Vast staat echter dat appellant deze de facto langere periode om te voldoen aan de vakbekwaamheidseisen om hem moverende redenen niet heeft benut voor het halen van de benodigde diploma’s en hij bovendien bewust heeft afgezien van de mogelijkheid ontheffing te vragen van de vakbekwaamheidseisen.

Het College is dan ook van oordeel dat in het geval van appellant niet kan worden gezegd dat onredelijke eisen zijn gesteld om de gedeeltelijke intrekking van zijn vergunning te voorkomen en dat de wijze waarop de wet- en regelgeving in zijn geval is toegepast voor hem onevenredige of onaanvaardbare gevolgen met zich meebrengt.

5.4

Voor zover inzake de hier aan de orde zijnde mogelijkheid een verleende vergunning in te trekken vanwege het ontbreken van de vereiste vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 4:9 Wft al zou moeten worden gesproken van inmenging in het recht op het ongestoord genot van eigendom als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (in de vorm van de regulering van eigendom), stelt het College in de eerste plaats vast dat dit bij wet is voorzien.
Voorts is het College van oordeel dat met deze mogelijkheid een legitieme doelstelling van algemeen belang is gediend. Het College verwijst daartoe naar zijn uitspraak van 22 februari 2011 (www.rechtspraak.nl, LJN: BP6992), waarin is overwogen dat de op grond van de Wft gestelde diplomavereisten beogen dat de vakbekwaamheid van de financiële dienstverlener die bemiddelt in financiële producten aan een bepaald basisniveau voldoet en dat het doel daarvan is de bescherming van de consument en het waarborgen van het vertrouwen in de financiële markten. Daarbij is erop gewezen dat de wetgever onder ogen heeft gezien dat ondernemers die dit basisniveau niet kunnen halen hun dienstverlening zullen moeten stopzetten en dat de wetgever dit als een gewenst gevolg van de wet heeft aangemerkt (Memorie van Toelichting bij de Wfd, kamerstukken 29507, nr. 3, p. 2-5, 56-57 en 63).
Tot slot is het College van oordeel dat in appellants geval geen sprake is van het ontbreken van de vereiste mate van evenredigheid tussen het gebruikte middel (het intrekken van zijn vergunning) en het daarmee nagestreefde doel, mede gelet op hetgeen hiervoor overwogen is over de gang van zaken die heeft geleid tot deze intrekking. Dat hem geen financiële compensatie is geboden voor het intrekken van zijn vergunning, doet daar in dit geval niet aan af. Van feiten of omstandigheden die mee zouden brengen dat in appellants geval sprake is van een individuele en buitensporige last is het College niet gebleken.

5.5

Strijd met het gelijkheidsbeginsel is door appellant niet aannemelijk gemaakt. Dat in dit geval sprake is van strijd met het Europese (communautaire) recht is niet voldoende onderbouwd en het College overigens ook niet gebleken.

5.6

Het College komt tot de slotsom dat appellants vergunning niet is ingetrokken in strijd met de door hem aangevoerde rechtsbeginselen dan wel het Europese recht. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt.

5.7

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

6 De beslissing

Het College bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. J.L.W. Aerts, in tegenwoordigheid van mr. P.H. Broier als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2013.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. P.H. Broier