Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:294

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-12-2013
Datum publicatie
31-12-2013
Zaaknummer
AWB 11/825 AWB 11/826
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Intrekking ontheffing op grond van artikel 2a, vierde lid, aanhef en onder a, Gaswet en artikel 15, vijfde lid, aanhef en onder a, E-wet. Procesbelang. Mandaat. Zelfstandig bestuursorgaan. Overgangstermijn voor intrekking ontheffing in verband met verplichting tot aanwijzing netbeheerder.

Wetsverwijzingen
Elektriciteitswet 1998, geldigheid: 2013-12-31
Gaswet, geldigheid: 2013-12-31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 11/825 en 11/826

18400 en 18050

Uitspraak van de meervoudige kamer van 19 december 2013 in de zaak tussen

Rijsvoort Holding B.V. (Rijsvoort), te Rotterdam, appellante

(gemachtigde: mr. M.R. het Lam),

en

de minister van Economische Zaken (de minister), verweerder

(gemachtigden: mr. T.C. Topp en mr. G.W. Rodenhuis, beiden werkzaam bij de Autoriteit Consument en Markt).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

Nuon Energie en Service GmbH (Nuon), te Heinsberg

(gemachtigde: mr. drs. F.J. Webbink).

Procesverloop

Bij besluit van 2 mei 2011 (het primaire besluit) heeft de minister op verzoek van Nuon de ontheffingen die haar op grond van artikel 2a, eerste lid, Gaswet en artikel 15, tweede lid, Elektriciteitswet 1998 (E-wet) bij besluiten 21 oktober 2009 voor het gas- en elektriciteitsnet gelegen in het Industriepark Noord te Sittard zijn verleend, met ingang van 9 mei 2011 ingetrokken op grond van artikel 2a, vierde lid, aanhef en onder a, Gaswet en artikel 15, vijfde lid, aanhef en onder a, E-wet.

Het hiertegen door Rijsvoort gemaakte bezwaar heeft de minister bij afzonderlijke besluiten voor het gastransportnet (11/825) en voor het elektriciteitsnet (11/826) van 31 augustus 2011 (de bestreden besluiten) ongegrond verklaard.

Rijsvoort heeft bij brief van 11 oktober 2011 beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Nuon is als partij tot het geding toegelaten en heeft haar standpunt schriftelijk uiteengezet.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2013. Partijen zijn daarbij verschenen, vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Voor Rijsvoort waren voorts aanwezig M. Kortleven en S. Postma. Namens de minister is verder verschenen mr. M. Bootsman.

Overwegingen

1.

Op het Industriepark Noord te Sittard (het bedrijventerrein) is een gas- en elektriciteitsnet gelegen dat toebehoort aan Nuon. De aan Nuon verleende (en inmiddels ingetrokken) ontheffingen strekten ertoe haar ten behoeve van de op het bedrijventerrein plaatsvindende geïntegreerde industriële processen te ontslaan van het gebod om voor deze (particuliere) netten een (openbare) netbeheerder aan te wijzen. Aan de ontheffingen waren voorschriften verbonden, die Nuon onder meer verplichtten via de netten energietransport voor aangeslotenen uit te voeren en daarop derdentoegang te realiseren.

De netten werden, behalve door Nuon zelf, benut door een aantal andere op het bedrijventerrein gevestigde bedrijven, waaronder Rijsvoort; Rijsvoort is tevens eigenaar van het bedrijventerrein. De bedrijfsactiviteiten op het bedrijventerrein zijn inmiddels grotendeels gestaakt. Nuon is daarom voornemens de netten te ontmantelen en heeft de minister met het oog daarop verzocht de ontheffingen in te trekken.

2.

De bestreden besluiten strekken tot intrekking van de aan Nuon verleende ontheffingen. De minister is met Nuon van opvatting dat op de netten niet meer het industriële proces plaatsvindt met het oog waarop de ontheffingen zijn verleend. De grondslag en noodzaak voor intrekking is daarmee volgens de minister gegeven. Voor het verbinden aan de intrekking van een overgangstermijn waarbinnen Nuon voor de netten een netbeheerder moet aanwijzen, ziet de minister vanwege de voorgenomen ontmanteling geen aanleiding.

3.

Het College stelt het volgende voorop.

Op grond van artikel 2a, vierde lid, Gaswet en artikel 15, vierde lid, E-wet – zoals deze artikelen ten tijde hier van belang luidden – was de bevoegdheid tot het intrekken van ontheffingen toebedeeld aan de minister. De besluiten tot intrekking van de aan Nuon verleende ontheffingen zijn namens de minister genomen door (personeel werkzaam voor) de (toenmalige) Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa). NMa was gemachtigd de minister ter zake te vertegenwoordigen.

NMa is inmiddels opgevolgd door ACM. ACM beschikt, gelet op het Besluit mandaat, volmacht en machtiging Autoriteit Consument en Markt van de minister van 2 april 2013, niet over een machtiging om de minister ter zake van de bestreden besluiten te vertegenwoordigen. Het haar ter beschikking gestelde personeel beschikt evenmin over een algemene machtiging. Het College heeft ter zitting vastgesteld dat de hiervoor genoemde voor ACM werkzame personen gemachtigd zijn om de minister in dit beroep te vertegenwoordigen.

4.1

Rijsvoort stelt dat de minister aan de intrekking van de ontheffingen een overgangstermijn had moeten verbinden, waarbinnen Nuon aan de na intrekking herleefde verplichting om een netbeheerder aan te wijzen gevolg had kunnen geven.

4.2

Ter zitting is de vraag aan de orde gesteld of Rijsvoort nog belang heeft bij haar beroep. Inmiddels is Rijsvoort namelijk (ook) aangesloten op het openbare net. Voorts zijn bij de op 20 juli 2012 in werking getreden Wet van 12 juli 2012 tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en van de Gaswet (Stb. 2012, 334 en 336) de artikelen 2a Gaswet en 15 E-wet gewijzigd, waarbij voor de bevoegdheid van de minister tot het verlenen en intrekken van ontheffingen in de plaats is gekomen zodanige bevoegdheid van ACM. Het overgangsrecht (artikel V en VI) houdt in dat door de minister verleende ontheffingen vervallen indien niet binnen vier maanden na inwerkingtreding van deze wetswijziging bij ACM een verzoek om een ontheffing is ingediend. Nu Nuon een dergelijk verzoek niet heeft ingediend, zouden de onderhavige ontheffingen van rechtswege zijn vervallen op 20 juli 2013. Het beroep kan in dit stadium dus niet meer bewerkstelligen dat aan de intrekking alsnog de door Rijsvoort bepleite overgangstermijn wordt gekoppeld.

4.3

Rijsvoort heeft ter zitting gewezen op schade als gevolg van de intrekking, waaronder kosten in verband met het treffen van noodvoorzieningen en de kosten van (vervangende) aansluitingen op het openbare net. Het College acht niet onaannemelijk dat Rijsvoort door de intrekking schade heeft geleden in de vorm van dergelijke kosten. De intrekking leidde immers – door het met de ontheffingen verdwijnen van de daaraan verbonden voorschriften – tot het wegvallen van de (publiekrechtelijke) verplichting van Nuon om via haar netten energietransport uit te voeren, en tussen partijen is niet in geschil dat het transport vervolgens ook feitelijk is beëindigd. Rijsvoort behoudt naar het oordeel van het College derhalve belang bij een beoordeling in beroep van de rechtmatigheid van (de wijze van) de intrekking.

5.

Het College gaat thans over tot de beoordeling van de door Rijsvoort aangevoerde beroepsgronden.

Mandaat

6.

Rijsvoort betoogt dat het door de minister aan (de voormalige) NMa en het voor haar werkzame personeel verleende mandaat op grond waarvan de bestreden besluiten zijn genomen, in strijd is met artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). NMa heeft de status van een zelfstandig bestuursorgaan als bedoeld in de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen (Kaderwet), teneinde onafhankelijk van politieke invloeden te kunnen beslissen. Het door de minister aan NMa ter beschikking gestelde personeel is enkel verantwoording schuldig aan NMa. Een mandaat als het onderhavige kan resulteren in ongewenste politieke beïnvloeding van NMa. Deze problematiek is door de wetgever ook onder ogen gezien (TK 2000-2001, 27 426, nr. 3, p. 11-12), waar wordt opgemerkt: "(...) Mandaat staat echter op gespannen voet met het zelfstandig karakter van het zelfstandig bestuursorgaan. (...)". Opmerkelijk is dat NMa in het mandaatbesluit verplicht is de gemandateerde bevoegdheid te ondermandateren aan haar personeel. Deze constructie leidt ertoe dat de bevoegdheden feitelijk niet worden opgedragen aan NMa, maar aan het voor haar werkzame personeel, dat in dienst is van de minister en dat niet deelt in de status van zelfstandig bestuursorgaan. Dit personeel zal zich dan ook moeten houden aan de algemene en bijzondere instructies van de minister, aldus Rijsvoort.

7.

De minister stelt zich op het standpunt dat het (onder-)mandaat correct is verleend en niet in strijd is met artikel 10:3 Awb.

8.1

Het College overweegt dat ingevolge artikel 10:3, eerste lid, Awb een bestuursorgaan mandaat kan verlenen, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich tegen mandaatverlening verzet. Het betoog van Rijsvoort komt erop neer dat het mandaatbesluit waaraan NMa de bevoegdheid heeft ontleend om namens de minister de ontheffingen in te trekken, onverenigbaar is met de onafhankelijke positie van NMa als zelfstandig bestuursorgaan en (daardoor) in strijd komt met artikel 10:3 Awb.

8.2

Dit betoog faalt. De hier aan de orde zijnde bevoegdheid tot intrekking is ten tijde hier van belang bij artikel 2a, eerste lid, Gaswet en artikel 15, tweede lid, Elektriciteitswet 1998 aan de minister toebedeeld. Bij de artikelen 2, eerste lid, en 6, derde lid, van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (Mandaatbesluit) heeft de minister deze bevoegdheid gemandateerd aan NMa en tevens een grondslag geschapen voor ondermandaat aan voor NMa werkzaam personeel. Aangezien het hier gaat om een door de wetgever aan de minister toebedeelde bevoegdheid, kan het bezwaarlijk in strijd met de aard van deze bevoegdheid worden geacht dat de minister de mogelijkheid heeft – en binnen de gekozen mandaatconstructie: behoudt – om de bevoegdheidsuitoefening te beïnvloeden. Dat dit anders zou zijn indien de bevoegdheid wordt gemandateerd aan een zelfstandig bestuursorgaan (zbo), valt geenszins in te zien. De Kaderwet houdt in artikel 8 uitdrukkelijk rekening met mogelijkheid van mandaat aan zelfstandige bestuursorganen, waarmee reeds gegeven is dat de onafhankelijke positie van het zelfstandig bestuursorgaan niet uitsluit dat dit in mandaat is gebonden aan aanwijzingen van de mandaatgever voor wat betreft aan deze laatste geattribueerde bevoegdheden. In het vervolg op de door Rijsvoort aangehaalde passage uit de parlementaire geschiedenis wordt in dit verband opgemerkt dat "[d]e praktijk [...] voor zelfstandige bestuursorganen de mogelijkheid van het verkrijgen van mandaat [vereist]" (TK 2000-2001, 27 426, nr. 3, p. 12), zoals ook de minister terecht onder de aandacht heeft gebracht.

Wat betreft de stelling van Rijsvoort dat het opmerkelijk is dat sprake is van gedwongen ondermandaat, is hier slechts van belang dat vaststaat dat NMa bij het Besluit organisatie, mandaat, volmacht en machtiging NMa 2009 feitelijk ondermandaat heeft verleend, en uit artikel 6, derde lid, Mandaatbesluit volgt (in ieder geval) dat dit ondermandaat overeenkomstig artikel 10:9 Awb was toegestaan door de minister.

8.3

Vorenstaande leidt tot de slotsom dat het Mandaatbesluit, voor zover (het personeel van) NMa daaraan de bevoegdheid heeft ontleend om tot intrekking van de ontheffingen over te gaan, niet in strijd is met artikel 10:3 Awb; ook overigens zijn het College geen bevoegdheidsgebreken gebleken. De ontheffingen zijn bevoegd ingetrokken.

Overgangstermijn

9.

Rijsvoort voert aan dat Nuon na intrekking van de ontheffingen gehouden is om voor haar netten een netbeheerder aan te wijzen. De wet voorziet er niet in dat deze verplichting niet geldt indien degene aan wie het net toebehoort dit net wenst te ontmantelen. Hierbij maakt het geen verschil of het gaat om particuliere of openbare netten. Het door de minister gehanteerde uitgangspunt dat Rijsvoort – omdat zij is aangesloten op een particulier net – minder bescherming geniet dan afnemers op een openbaar net, is derhalve onjuist. De minister had, met het oog op de belangen van Rijsvoort, een overgangstermijn aan het intrekken van de ontheffingen moeten verbinden. De intrekkingsbevoegdheid laat de ruimte voor het tijdelijk, bij wijze van overgangsregeling, in stand laten van de ontheffingen, teneinde Nuon gelegenheid te geven een netbeheerder aan te wijzen, aldus Rijsvoort.

10.

De minister stelt dat de aanwijzing van een netbeheerder bij besluiten tot intrekking niet aan de orde is; NMa beschikte ook niet over mandaat voor de aanwijzing van een netbeheerder. Rijsvoort heeft gekozen voor een aansluiting op een particulier net. Aan deze keuze is inherent dat de eigenaar van het net dit net ook weer kan ontmantelen. De eigenaar van een particulier net moet, mits aan de wettelijke criteria voor intrekking van de ontheffing is voldaan en het mogelijk is voor aangeslotenen om een aansluiting op het openbare net te krijgen, de vrije beschikking hebben om de exploitatie van zijn net te beëindigen en het net te ontmantelen. De hoofdregel dat een netbeheerder moet worden aangewezen veronderstelt dat een net aanwezig is. Indien de eigenaar het net wenst te ontmantelen, geldt deze verplichting niet. De minister heeft de ontheffingen eerst ingetrokken nadat pogingen van Nuon om een netbeheerder voor de netten te vinden, respectievelijk de netten aan Rijsvoort over te dragen hadden gefaald, respectievelijk Nuon een termijn had gesteld die ruim genoeg was om de aangeslotenen de gelegenheid te geven een aansluiting op het openbare net te realiseren. Met uitzondering van Rijsvoort hebben alle overige aangeslotenen tijdig van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Er bestaat in de opvatting van de minister geen eeuwig recht op een aansluiting op een particulier net.

11.

Volgens Nuon heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat van een eigenaar van een particulier net niet kan worden gevergd dat hij zijn verlieslijdende netten tot in lengte van dagen in stand houdt. De minister heeft bij de uitoefening van zijn discretionaire bevoegdheid duidelijk onderbouwd waarom hij heeft besloten de ontheffingen in te trekken zonder de aanwijzing van een netbeheerder af te wachten. Niet valt in te zien dat dit besluit kennelijk onredelijk is. Indien de wetgever een dwingende relatie had willen leggen tussen het moment van intrekken van de ontheffing en het aanwijzen van een netbeheerder, dan zou de wetgever dat uitdrukkelijk hebben bepaald. Nuon heeft geprobeerd de netten over te dragen aan een openbare netbeheerder, maar deze was niet tot overname bereid, omdat de netten verouderd zijn. Nuon wijst erop dat in de parlementaire geschiedenis door de minister wordt opgemerkt dat "[a]lvorens een netbeheerder wordt aangewezen, in het kader van de voorgenomen aanwijzing ook de kwaliteit van het net [zal] worden besproken. Als de beoogde netbeheerder van het beheer afziet, volgt geen aanwijzing" (TK 1997-1998, 25 621, nr. 7, p. 34).

12.1

De Gaswet luidt voor zover en ten tijde hier van belang als volgt:

"Artikel 1

1.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(...)

d. gastransportnet: niet tot een gasproductienet behorende, met elkaar verbonden leidingen of hulpmiddelen bestemd of gebruikt voor het transport van gas, met inbegrip van hulpmiddelen en installaties waarmee ondersteunende diensten voor dat transport worden verricht, behoudens voor zover deze leidingen en hulpmiddelen gelegen zijn binnen de installatie van de afnemer;

(...)

Artikel 2

1.

Degene aan wie een gastransportnet toebehoort, wijst voor het beheer van dat net, ten behoeve van de uitvoering van de taken, bedoeld in de artikelen 10 en 42 en hoofdstuk 2, een of meer naamloze of besloten vennootschappen als netbeheerder aan.

(...)

Artikel 2a

1.

Onze Minister kan op diens aanvraag aan degene aan wie een ander gastransportnet dan het landelijk gastransportnet toebehoort, een ontheffing verlenen van het gebod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, voor zover het een net betreft waarop een beperkt aantal andere natuurlijke personen of rechtspersonen zijn aangesloten en:

a. het gastransportnet bestemd is om de aanvrager te voorzien van gas dan wel om het centrale bedrijfsproces van de aanvrager te ondersteunen, of (...)

(...)

4.

Onze Minister kan een ontheffing intrekken indien degene aan wie de ontheffing is verleend:

a. niet langer voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid;

(...)"

De E-wet bevat in de artikelen 1, eerste lid, aanhef en onder i, 10, derde lid, en 15, tweede en vijfde lid, vergelijkbare bepalingen.

12.2

Het College ziet zich voor de vraag gesteld of de minister bij de intrekking van de aan Nuon verleende ontheffingen in redelijkheid heeft kunnen afzien van het opnemen van een overgangstermijn als door Rijsvoort bedoeld.

12.3

De intrekkingsbevoegdheid op grond van artikel 2a, vierde lid, Gaswet en artikel 15, vijfde lid, E-wet is geen strikt gebonden bevoegdheid, maar laat ruimte voor een belangenafweging. De minister heeft daarbij de mogelijkheid – zoals hij ook zelf in het bestreden besluit constateert – om, op basis van de belangenafweging, aan de intrekking een overgangstermijn te verbinden.

Aan het niet opnemen van de door Rijsvoort gewenste overgangstermijn legt de minister ten grondslag dat Nuon niet verplicht is om na intrekking van de ontheffingen een netbeheerder aan te wijzen omdat die verplichting veronderstelt dat een net aanwezig is en Nuon ervoor kiest het net te ontmantelen.

Niet in geschil is dat de betrokken netten van Nuon kwalificeren als 'gastransportnet' in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, Gaswet en als 'net' in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder i, E-wet. Uit artikel 2, eerste lid, Gaswet en artikel 10, derde lid, E-wet volgt dat degene aan wie een (gastransport-)net toebehoort verplicht is voor het beheer van dat net een netbeheerder aan te wijzen. De tekst van deze artikelen is niet voor meerderlei uitleg vatbaar, en er zijn geen aanwijzingen dat de wetgever de reikwijdte van de aanwijzingsverplichting beperkter heeft bedoeld dan uit de wettekst blijkt. De door Nuon aangehaalde passage uit de parlementaire geschiedenis (TK 1997-1998, 25 621, nr. 7, p. 34) leidt niet tot een ander oordeel, nu daaruit weliswaar kan worden afgeleid dat een beoogd netbeheerder de aanwijzing kan afwijzen, maar niet dat daarmee de verplichting voor de eigenaar van het net vervalt om een (andere) netbeheerder aan te wijzen.

Naar het oordeel van het College kan derhalve slechts dan een uitzondering op de aanwijzingsverplichting worden aanvaard, indien daarvoor een uitdrukkelijke wettelijke grondslag voorhanden is. Het College is, afgezien van de hier niet meer aan de orde zijnde ontheffingsmogelijkheid op grond van artikel 2a Gaswet en artikel 15 E-wet, van een dergelijke grondslag niet gebleken. Intrekking van de ontheffing brengt dan ook mee dat de verplichting om een netbeheerder aan te wijzen voor Nuon herleeft, en deze verplichting is ook dan van toepassing indien Nuon het voornemen heeft om de netten als onrendabel te ontmantelen. Dat de uitvoering van dit voornemen ertoe zou leiden dat – zoals de minister betoogt – dan ook geen netten meer voorhanden zijn en daarmee de aanwijsverplichting niet meer geldt, laat onverlet dat de verplichting geldt zolang de netten er liggen en dat Nuon, door deze netten te verwijderen in plaats van daarvoor een netbeheerder aan te wijzen, die verplichting zou schenden.

Dat Nuon Rijsvoort voorafgaand aan het verzoek tot intrekking de mogelijkheid heeft geboden de netten over te nemen en ook in de gelegenheid heeft gesteld om een aansluiting op het openbare net te verkrijgen, kan niet afdoen aan de wettelijke plicht van Nuon als eigenaar van de netten om een netbeheerder aan te wijzen.

Het door de minister ter zitting gehouden betoog dat onder het "oude" ontheffingensysteem – waarmee de minister, naar het College begrijpt, doelt op de situatie van vóór de Beleidsregels van de minister 9 januari 2009 betreffende het verlenen van een ontheffing op grond van artikel 15, tweede lid, E-wet en artikel 2a, eerste lid, Gaswet – de particuliere netten (waarvoor een ontheffing was verleend) in het vrije domein vielen, en de beheerder ook de vrijheid had om zijn net te ontmantelen, doet aan het voorgaande niet af. Aan de ingetrokken ontheffing waren (inmiddels) immers op grond van de Beleidsregels (publiekrechtelijke) voorschriften verbonden, die de netten van Nuon onderwierpen aan (een vorm van) publiekrechtelijke regulering en die Nuon niet langer de vrijheid lieten haar netten uit bedrijf te nemen. In ieder geval doen eventuele aan de ontheffing te ontlenen vrijheden geen afbreuk aan verplichting om, bij ontbreken van een dergelijke ontheffing, een netbeheerder aan te wijzen.

12.4

Gelet op het voorgaande heeft de minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de regel dat een eigenaar van een net verplicht is een netbeheerder aan te wijzen, niet van toepassing is indien de neteigenaar – zoals Nuon in het voorliggende geval – besluit tot ontmanteling van dat net. Hieraan verbindt het College de conclusie dat de minister – in aanmerking genomen de belangen van Rijsvoort bij ongestoorde energievoorziening – niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van het verbinden van een overgangstermijn aan de intrekking van de ontheffingen. De bestreden besluiten zijn in zoverre in strijd met artikel 3:4, tweede lid, Awb.

13.

Het beroep is gegrond. De bestreden besluiten komen voor vernietiging in aanmerking voor zover daarbij het bezwaar van Rijsvoort tegen het niet opnemen van een overgangstermijn als bij randnummer 12.4 bedoeld, ongegrond is verklaard. Het College zal zelf voorzien door het besluit van 2 mei 2011 te herroepen. Zoals bij randnummer 4.2 is overwogen, zijn de aan Nuon verleende ontheffingen inmiddels van rechtswege vervallen op 20 juli 2013. Op het verzoek van Nuon om deze ontheffingen in te trekken hoeft derhalve niet meer beslist te worden.

14.

Het College veroordeelt de minister in de door Rijsvoort gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1888,-- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 472,-- en een weginsfactor 1), waarbij het College uitgaat van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, tweede lid, Bpb.

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten zover daarbij het bezwaar van Rijsvoort tegen het niet opnemen van een overgangstermijn als bij randnummer 12.4 bedoeld, ongegrond is verklaard;

- herroept het besluit van 2 mei 2011 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de bestreden besluiten;

- draagt de minister op het door Rijsvoort betaalde griffierecht van in totaal € 604,-- aan haar te vergoeden;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van Rijsvoort tot een bedrag van € 1888,-- te betalen aan Rijsvoort.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren, mr. M. Munsterman en mr. J.A.M. van den Berk, in aanwezigheid van mr. M.J. van Veen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2013.

w.g. M. van Duuren w.g. M.J. van Veen