Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:288

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
23-12-2013
Zaaknummer
AWB 11/863
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

randvoorwaardenkorting, herhaalde niet-naleving

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 11/863

5101

Uitspraak van de meervoudige kamer van 18 december 2013 in de zaak tussen

[A], te [woonplaats], appellant

(gemachtigde: ir. S. Boonstra),

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa).

Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun (de Regeling) een randvoorwaardenkorting van 12% op de aan appellant voor het jaar 2010 te verlenen rechtstreekse betalingen vastgesteld.

Bij besluit van 8 juni 2011 heeft verweerder het primaire besluit herzien en de vastgestelde korting verhoogd naar 15%.

Bij besluit van 13 september 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2013. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

Overwegingen

1.1 Appellant is melkveehouder en heeft voor 2010 rechtstreekse betalingen op grond van de Regeling aangevraagd. Op 26 maart 2010 vond een controle plaats op zijn bedrijf door de toenmalige Algemene Inspectiedienst (AID). In het hiervan opgemaakte rapport verklaart de controleur dat hij een rund heeft aangetroffen met een verwonding aan het rechteroog. Volgens de bij de controle aanwezige dierenarts van de AID was deze wond minimaal enkele dagen oud. Appellant had de wond nog niet opgemerkt en deze nog niet zelf behandeld of een dierenarts ingeschakeld. Het rund is de volgende dag door de dierenarts van appellant gezien. Verder verklaart de controleur dat één rund werd gehouden in huisvesting met uitstekende delen. Wel had dit rund voldoende keuze om in andere delen van de stal te liggen, waar de boxen geen gebreken vertoonden.

1.2 Op 11 augustus 2010 is nogmaals een controle uitgevoerd op appellants bedrijf. De controleur verklaart hierover in het rapport dat een rund moeilijk in de benen kwam en de linker achterpoot – die verdikt was – zo veel mogelijk trachtte te ontlasten. Ook de rechter achterpoot was enigszins aangetast en verdikt. Twee andere runderen vertoonden ook signalen van kreupelheid ten gevolge van mogelijke ontstekingen. Een deel van de koppel vertoonde beginnende klauwproblemen. De runderen op het bedrijf worden maandelijks behandeld door een klauwbekapper.

1.3 Voor het jaar 2008 had verweerder reeds bij een eerder besluit een randvoorwaardenkorting van 5% vastgesteld op de rechtstreekse betalingen aan appellant in verband met een niet-naleving in dat jaar van artikel 4, derde lid, van het Besluit welzijn productiedieren (Besluit).

2.

Bij het primaire besluit is aan appellant op grond van de bevindingen bij de controle van 26 maart 2010 een randvoorwaardenkorting van 12% opgelegd in verband met drie niet-nalevingen van verplichtingen op het terrein van dierenwelzijn. Het gaat om de randvoorwaarden in artikel 4, tweede en derde lid, en artikel 5, vierde lid van het Besluit. Daaronder is begrepen één ten opzichte van 2008 herhaalde niet-naleving van artikel 4, derde lid, van het Besluit.

Bij het besluit van 8 juni 2011 is het primaire besluit herzien en is de randvoorwaardenkorting verhoogd naar 15%, omdat gelet op de controle van 11 augustus 2010 tevens sprake is van een binnen één jaar nogmaals herhaalde niet-naleving van artikel 4, derde lid, van het Besluit.
In het bestreden besluit heeft verweerder het besluit van 8 juni 2011 gehandhaafd.

3.

Op grond van de in de bijlage bij het besluit genoemde communautaire en nationale bepalingen is de volledige betaling van de door de landbouwer aangevraagde rechtstreekse landbouwsteun afhankelijk gesteld van de naleving van regels op het gebied van milieu, voedselveiligheid, diergezondheid en dierenwelzijn en eisen inzake een goede landbouw- en milieuconditie. Bij niet-naleving van deze randvoorwaarden wordt het steunbedrag gekort of ingetrokken.

4.1

De randvoorwaarde in artikel 4, derde lid, van het Besluit houdt de verplichting in een dier dat gewond lijkt onmiddellijk op passende wijze te verzorgen, en wanneer die zorg geen verbetering in de toestand van het dier brengt, zo spoedig mogelijk een dierenarts te raadplegen.

4.2.1

Niet in geschil is dat bij de controle op 26 maart 2010 een rund is aangetroffen dat gewond was aan een oog. Evenmin is in geschil dat de wond al enige dagen oud was ten tijde van de controle en nog niet was behandeld. Appellant voert aan dat de wond relatief klein was en hem bij de controle van zijn dieren niet is opgevallen. Het was geen ernstige wond. Dit is bevestigd door appellants dierenarts, die het dier daags na de controle heeft gezien.

4.2.2

Het College is van oordeel dat appellants stelling dat de wond niet opvallend of ernstig was niet kan afdoen aan de constatering door verweerder van de niet-naleving van de betreffende randvoorwaarde. Voor de toepassing van artikel 4, derde lid, van het Besluit is de ernst van de verwonding immers niet relevant. Nu vaststaat dat een rund met een oogwond is aangetroffen bij de eerste controle en dat deze wond enige dagen niet was behandeld, is sprake van een niet-naleving van artikel 4, derde lid, van het Besluit.

4.3.1

Tevens staat vast dat bij de controle op 11 augustus 2010 runderen zijn aangetroffen die kreupel waren in verband met klauwproblemen. Appellant voert aan dat zijn bedrijf deelneemt aan een klauwbehandelingsprogramma waarin maandelijks klauwbekappingen en controles worden uitgevoerd bij appellants dieren door een deskundige klauwbekapper. Het rund met de dikke achterpoot heeft passende zorg gekregen van appellant. Het inschakelen van een veearts blijft altijd een afweging. Verder stelt appellant dat levende have nu eenmaal op ieder moment iets kan gaan mankeren.

4.3.2

Appellants betoog doet niet af aan het feit dat tijdens de controle dieren met klauwproblemen zijn aangetroffen en dat deze niet onmiddellijk op passende wijze zijn verzorgd, of dat hiervoor een dierenarts is geraadpleegd. Dat appellant deelneemt aan een klauwbehandelingsprogramma, betekent niet dat hij de maandelijkse behandeling van de klauwbekapper kan afwachten indien dieren tussentijds kreupel blijken. Ook op dit punt heeft verweerder terecht een niet-naleving geconstateerd van artikel 4, derde lid, van het Besluit.

4.4

De niet-naleving van de randvoorwaarde in artikel 4, derde lid, van het Besluit in 2008 staat in rechte vast, zodat verweerder deze terecht heeft betrokken bij zijn besluitvorming over de niet-naleving van dezelfde randvoorwaarde in 2010.

4.5

Ter zitting heeft verweerder nog gesteld dat tijdens één van de controles tevens een rund met een bult is aangetroffen en dat deze constatering eveneens ten grondslag gelegd dient te worden aan de niet-naleving van artikel 4, derde lid, van het Besluit. Naar het oordeel van het College is het in strijd met de goede procesorde dit feit eerst ter zitting aan de niet-naleving ten grondslag te leggen. Deze constatering dient dan ook buiten beschouwing te blijven bij de beoordeling van het beroep.

5.1

Artikel 4, tweede lid, van het Besluit verplicht de landbouwer om een dier dat wordt gehouden in een veehouderijsysteem waar zijn welzijn afhangt van frequente verzorging door de mens regelmatig dan wel tenminste dagelijks te controleren.

5.2

Appellant stelt dat uit het enkele feit dat hij het rund met de oogwond een aantal dagen niet heeft opgemerkt, niet de conclusie kan worden getrokken dat hij zijn dieren niet heeft gecontroleerd. Appellant controleert zijn dieren per koppel tijdens de melkgang en niet individueel. Het rund viel niet op omdat het in goede conditie was en geen afwijkend gedrag vertoonde. De oogwond was bovendien niet ernstig.

5.3

Genoemde randvoorwaarde verplicht appellant ertoe om zijn dieren tenminste dagelijks te controleren. Die controleplicht gaat bovendien - gelet op het doel ervan - verder dan een grove schouw van de dieren. In dit licht bezien heeft verweerder, gelet op het feit dat de controleur en dierenarts van de AID de enkele dagen oude, onbehandelde oogwond hebben opgemerkt, terecht aangenomen dat appellant niet naar behoren heeft voldaan aan zijn verplichting om dit dier regelmatig dan wel dagelijks te controleren.

6.1

Ingevolge artikel 5, vierde lid, van het Besluit dient de behuizing van een dier zodanig te zijn geconstrueerd en in een zodanige staat van onderhoud te verkeren dat er geen scherpe randen of uitsteeksels zijn die het dier kunnen verwonden.

6.2

Appellant stelt dat de AID ten onrechte heeft geconstateerd dat een rund in een kapotte ligbox stond. Er waren wel kapotte ligboxen, maar deze waren niet toegankelijk voor de dieren. Appellant had deze afgeschermd van de stal met een fysieke scheiding. Deze niet-naleving is dan ook ten onrechte betrokken in de vaststelling van de randvoorwaardenkorting.

6.3

Verweerder stelt dat hij uitgaat van de bevindingen van de AID in het rapport. Hieruit blijkt dat de AID het rund in de kapotte ligbox heeft aangetroffen. Van een fysieke scheiding wordt geen melding gemaakt in het rapport. Deze is dan ook niet waargenomen ten tijde van de controle.

6.4

Het College acht de enkele, niet met bewijs onderbouwde stelling van appellant dat de dieren door een afscheiding de kapotte ligboxen niet konden bereiken onvoldoende om de bevindingen in het rapport te weerleggen. Met deze bevindingen heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat de kapotte ligboxen bereikbaar waren voor de dieren en dat zich een rund bevond in een stal met uitstekende delen. Dit betekent dat sprake is van een niet-naleving van artikel 5, vierde lid, van het Besluit en dat verweerder deze terecht in de vaststelling van deze randvoorwaardenkorting heeft betrokken.

7.1

Tevens stelt appellant de hoogte van de randvoorwaardenkorting aan de orde.

Verweerder heeft ten onrechte de kortingen in verband met de oogwond voor de niet-naleving van de randvoorwaarden in artikel 4, tweede lid, en derde lid van het Besluit laten cumuleren. Deze twee niet-nalevingen vloeien bovendien uit elkaar voort en vormen geen aparte overtredingen. Bovendien betreft het niet-nalevingen van geringe omvang die een matiging van de korting rechtvaardigen.

7.2

Deze gronden slagen niet. Verweerder heeft geen cumulatie van randvoorwaardenkortingen toegepast. Anders dan appellant betoogt, gaat het niet om hetzelfde feit dat niet met twee kortingen zou mogen worden bestraft. Weliswaar houden de hier bedoelde constateringen beide verband met de oogwond en vloeien zij in die zin voort uit hetzelfde feitencomplex, maar zij hebben betrekking op de overtreding van twee te onderscheiden randvoorwaarden die zelfstandig met een korting kunnen worden gesanctioneerd.

8.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder op grond van artikel 71 van Verordening (EG) 1122/09 terecht een randvoorwaardenkorting vastgesteld van maximaal 15% mede voor een twee maal herhaalde niet-naleving van de randvoorwaarde in artikel 4, derde lid, van het Besluit. Appellants betoog dat sprake is van niet-nalevingen van geringe omvang kan tot slot niet leiden tot een andere conclusie.

9.

Appellant beroept zich tot slot op het evenredigheidsbeginsel. Dit beroep slaagt niet. De belangenafweging die in dit verband dient plaats te vinden wordt op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht beperkt voor zover dit voortvloeit uit een wettelijk voorschrift. In dit geval, waarin vaststaat dat sprake was van de overtreding van voor de toekenning van landbouwsteun geldende randvoorwaarden, volgt uit artikel 71, vijfde lid, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 dwingend dat aan appellant een randvoorwaarden-korting van 15% moest worden opgelegd.

10.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding ziet het College geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, mr. R.F.B. van Zutphen en
mr. M. Munsterman, in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2013.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. C.M. Leliveld