Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:285

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
09-12-2013
Datum publicatie
23-12-2013
Zaaknummer
AWB 13/215
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering ingschrijving van beëindiging rechtspersonen. Gerede twijfel over juistheid opgave. Onderzoek Kamer van Koophandel naar baten rechtspersonen

Wetsverwijzingen
Handelsregisterbesluit 2008 4, 5, geldigheid: 2013-12-23
Handelsregisterwet 2007 12, geldigheid: 2013-12-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 13/215

24100

Uitspraak van de meervoudige kamer van 9 december 2013 in de zaak tussen

[A] ([A]), Stichting Renamax (Renamax) en B.B.I. Blumen B.V. (BBI), appellanten

(gemachtigde: mr. M.M. Hoving),

en

Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Haaglanden, verweerster

(gemachtigde: mr. J.P.M. van der Ende).

Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2011 (primair besluit) heeft verweerster beslist over de opgave van [A] tot inschrijving in het handelsregister van de ontbinding van de rechtspersonen Renamax en BBI.

Het door appellanten tegen dit besluit ingediende beroep is bij uitspraak van 21 december 2012 (ECLI:NL:CBB:2012:BY9875) door het College niet-ontvankelijk verklaard. Het College heeft het beroepschrift ter behandeling als bezwaarschrift aan verweerster doorgezonden.

Bij besluit van 19 februari 2013 (bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van appellanten alsnog ongegrond verklaard.

Appellanten hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven en is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.

Het College wijst voor de relevante bepalingen en de feiten zoals deze voor het College zijn komen vast te staan naar rechtsoverweging 2.1 en 2.2 van genoemde uitspraak. Hieraan voegt het College het volgende toe.

Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt, voor zover hier van belang:

“ Artikel 19
1. Een rechtspersoon wordt ontbonden:
a. door een besluit van de algemene vergadering of, indien de rechtspersoon een stichting
is, door een besluit van het bestuur tenzij in de statuten anders is voorzien;
(…)
4. Indien de rechtspersoon op het tijdstip van zijn ontbinding geen baten meer heeft, houdt
hij alsdan op te bestaan. In dat geval doet het bestuur (…) daarvan opgaaf aan de
registers waar de rechtspersoon is ingeschreven.
5. De rechtspersoon blijft na ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn
vermogen nodig is. In stukken en aankondigingen die van hem uitgaan, moet aan zijn naam
worden toegevoegd: in liquidatie.
(…)

Artikel 2:23c
1. Indien na het tijdstip waarop de rechtspersoon is opgehouden te bestaan nog een schuldeiser
of gerechtigde tot het saldo opkomt of van het bestaan van een bate blijkt, kan de rechtbank
op verzoek van een belanghebbende de vereffening heropenen en zo nodig een vereffenaar
benoemen. In dat geval herleeft de rechtspersoon, doch uitsluitend ter afwikkeling van de
heropenende vereffening. (…).”

2.

Verweerster stelt zich op het standpunt dat er gerede twijfel is als bedoeld in artikel 5, tweede lid, aanhef en onder e, van het Handelsregisterbesluit 2008 (Hrb 2008) over de juistheid van de opgave tot inschrijving, voor zover deze betrekking heeft op de vereffening van Renamax en BBI, in het bijzonder over de opgave dat deze rechtspersonen op het moment van ontbinding geen baten hadden. Gelet hierop heeft verweerster bij het primaire besluit in het handelsregister opgenomen dat Renamax en BBI met ingang van 15 april 2011 zijn ontbonden, waarbij aan de namen van deze rechtspersonen is toegevoegd “in liquidatie” en is vermeld dat [A] per die datum als vereffenaar in functie is getreden. Verweerster heeft niet, zoals door appellanten gewenst, in het handelsregister opgenomen dat Renamax en BBI per 15 april 2011 wegens het ontbreken van baten zijn opgehouden te bestaan.

3.

Appellanten voeren aan dat de onderzoeksplicht op grond van artikel 4 Hrb 2008 naar de opgaven van rechtspersonen, waaronder de opgave tot inschrijving van de ontbinding zonder vereffening, zich niet uitstrekt tot het wel of niet voortbestaan van rechtspersonen. Het was derhalve niet de taak van verweerster om te onderzoeken of Renamax en BBI ten tijde van de ontbindingsbesluiten baten hadden. Dit is een vraag die is voorbehouden aan de civiele rechter en aan die rechter kan worden voorgelegd. Appellanten wijzen in dit verband naar artikel 2:23c BW, dat voorziet in een procedure tot heropening van de vereffening in het geval er nog baten zijn. Verweerster heeft hiermee het wettelijk systeem doorkruist. Voorts heeft zij op rechtens onjuiste gronden stukken over de vermogenspositie van Renamax en BBI opgevraagd, aldus appellanten.

4.

Het College overweegt dat de opgave van [A] inhoudt dat Renamax en BBI met ingang van 15 april 2011 zijn opgehouden te bestaan (artikel 2:19, vierde lid, BW) en er derhalve toe strekt dat in het handelsregister wordt ingeschreven dat deze rechtspersonen op die datum zijn beëindigd (artikel 12, aanhef en onder d, Handelsregisterwet). Het primaire besluit moet in zoverre worden aangemerkt als de weigering om dit gegeven in te schrijven, gebaseerd op gerede twijfel over de juistheid van de opgave dat de rechtspersonen op 15 april 2011 zijn beëindigd. Ter beoordeling staat of verweerder dit besluit in bezwaar op goede gronden heeft gehandhaafd.

Blijkens de brieven van 27 april 2011 en 6 mei 2011 (geciteerd in rubriek 2.2 van de uitspraak van 21 december 2012) is bij verweerster voorafgaand aan het primaire besluit twijfel ontstaan over de juistheid van de opgave vanwege uitlatingen van [A] ten kantore van verweerster dat BBI schulden zou hebben en dat [A] een vergoeding zou hebben gekregen om als tussenpersoon te fungeren. In het bestreden besluit heeft verweerster gesteld dat deze twijfel vergroot is door de verklaring van appellanten in het – als bezwaarschrift aangemerkte – beroepschrift tegen het primaire besluit dat [A] niet over financiële stukken van Renamax en BBI beschikt, zodat zij in de opgave tot inschrijving iets heeft verklaard, te weten dat Renamax en BBI op het moment van ontbinding geen baten hadden, dat zij bij gebrek aan informatie hierover niet kon verklaren.

Naar het oordeel van het College is er in deze omstandigheden sprake van gerede twijfel over de juistheid van de opgave dat de rechtspersonen Renamax en BBI op 15 april 2011 zijn beëindigd. Verweerster heeft derhalve op goede gronden geweigerd dit gegeven in te schrijven. Hieraan doet niet af dat in een procedure voor de civiele rechter aan de orde kan komen of deze rechtspersonen baten hebben. Anders dan appellanten stellen heeft verweerster die vraag niet beantwoord en daarmee ook niet de vraag of Renamax en BBI zijn opgehouden te bestaan, maar heeft zij de weigering tot inschrijving van de beëindiging van deze rechtspersonen uitsluitend gegrond op gerede twijfel over de juistheid van de opgave van [A] hierover. Daarmee heeft zij toepassing gegeven aan haar bevoegdheid op grond van artikel 5, tweede lid, onder e, Hrb, zonder doorkruising van bevoegdheden van de civiele rechter. Evenmin heeft verweerster ten onrechte om stukken over de vermogenspositie van Renamax en BBI verzocht, nu zij in het kader van het onderzoek naar de juistheid van de opgave dat deze rechtspersonen op 15 april 2011 zijn beëindigd, nadere bewijsstukken over de baten van deze rechtspersonen kon vragen (artikel 4, tweede lid, Hrb).

5.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir, mr. E. Dijt en mr. M.M. Smorenburg, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
9 december 2013.

w.g. H.A.B. van Dorst-Tatomir w.g. P.M. Beishuizen