Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:269

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
06-12-2013
Datum publicatie
12-12-2013
Zaaknummer
AWB 12/317
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

diervriendelijke produceren

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006, geldigheid: 2013-12-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 12/317

5101

Uitspraak van de meervoudige kamer van 6 december 2013 in de zaak tussen

[A], te [woonplaats], appellant


en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. ing. H.D. Strookman).

Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2011 heeft verweerder de aanvraag van appellant om een tegemoetkoming voor diervriendelijk produceren op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling) afgewezen. Bij besluit van 1 februari 2012 heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.


Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 1 februari 2012 en verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2013. Appellant is verschenen. Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Appellant heeft in de Gecombineerde Opgave 2011 een tegemoetkoming aangevraagd voor diervriendelijk produceren voor de categorie vleesrunderen. Verweerder heeft de aanvraag van appellant afgewezen omdat hij niet in het bezit is van het ‘Beter Leven kenmerk’, een certificaat uitgegeven door de Dierenbescherming.

2.

Appellant voert aan dat hij, hoewel zijn bedrijfsvoering en de huisvesting van zijn dieren voldeden aan de eisen, in 2011 inderdaad niet beschikte over dit certificaat. De reden daarvan was dat de Dierenbescherming, ondanks zijn herhaaldelijke verzoeken daartoe, heeft nagelaten het certificaat te verstrekken. Appellant, die heeft geïnvesteerd in het diervriendelijk produceren, voelt zich hierdoor gedupeerd. Hij vindt het niet juist dat hij een tegemoetkoming is misgelopen doordat het certificeringssysteem niet functioneerde.

3. Verweerder heeft toegelicht dat diervriendelijk produceren niet als zodanig in aanmerking komt voor een tegemoetkoming; het hebben van een certificaat is een vereiste om steun te ontvangen. De Regeling biedt aan de verschillende sectoren binnen de veehouderij de mogelijkheid om certificering van de grond te krijgen om zo een beter marktsegment te realiseren voor producten die diervriendelijker zijn dan gebruikelijk. Het is aan de rundveesector zelf om een of meer certificeringssystemen in het leven te roepen, die vervolgens door verweerder moeten worden goedgekeurd. Voor 2011 is het ‘Beter Leven kenmerk’ het enige goedgekeurde certificeringssysteem. De Dierenbescherming, een privaatrechtelijke rechtspersoon die voor dit kenmerk de certificerende instelling was, werkte bij de uitvoering van dit certificeringssysteem samen met IKB (Integrale Ketenbeheersing). Aangezien IKB Rund per 1 januari 2010 niet meer bestond, kon de Dierenbescherming in 2011 geen certificaten verstrekken aan rundveehouders. Hierdoor konden rundveehouders in dat jaar niet in aanmerking komen voor de tegemoetkoming. Verweerder vindt het spijtig dat het in de rundveesector niet is gelukt om in 2011 een certificeringssysteem van de grond te krijgen waardoor rundveehouders in dat jaar geen steun konden ontvangen. Het besluit is daardoor echter niet onrechtmatig.

4.1

Het College overweegt als volgt. Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad en de daarop gebaseerde Regeling voorzien in de mogelijkheid om steun te verlenen aan landbouwers die diervriendelijk produceren. Hoofdkenmerk van die steunregeling is dat verweerder een tegemoetkoming voor de meerkosten van diervriendelijk produceren verstrekt aan veehouders die blijkens een certificaat deelnemen aan een goedgekeurd certificeringssysteem in onder meer de sector vleesrunderen.

4.2

Vaststaat dat appellant in 2011 niet in het bezit was van een certificaat voor het diervriendelijk produceren. Gelet op het feit dat het beschikken over een dergelijk certificaat volgens artikel 38j, eerste lid, van de Regeling een voorwaarde is voor het toekennen van de tegemoetkoming, heeft verweerder op goede gronden geoordeeld dat appellant in dat jaar niet in aanmerking kwam voor deze eenmalige tegemoetkoming, hoe spijtig dit voor appellant ook is.
Gebleken is dat in 2011 aan geen enkele rundveehouder het ‘Beter Leven kenmerk’ is verstrekt omdat de uitvoering van het certificeringssysteem stagneerde. Als gevolg hiervan is aan geen enkele rundveehouder in dat jaar een tegemoetkoming toegekend. Ter zitting van het College is verder komen vast te staan dat appellant in 2012 wel het vereiste certificaat en de eenmalige tegemoetkoming heeft gekregen, maar dat deze tegemoetkoming lager was dan die in 2011 had kunnen zijn. Dit leidt echter niet tot de conclusie dat het bestreden besluit onrechtmatig is omdat, zoals door verweerder is toegelicht en zoals ook uit de toelichting bij Regeling (gepubliceerd in Staatscourant 2010 nr. 17359) blijkt, verweerder, gezien de inrichting van de certificering als stelsel van privaatrechtelijke afspraken, niet verantwoordelijk is voor het beheer van deze certificeringssystemen.

5.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, mr. J. Schukking en mr. H.L. van der Beek, in aanwezigheid van mr. E. van Kerkhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 december 2013.

w.g. C.J. Waterbolk w.g. E. van Kerkhoven