Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:268

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
06-12-2013
Datum publicatie
12-12-2013
Zaaknummer
AWB 12/431
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Heffingen I&R, procesbelang

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006, geldigheid: 2013-12-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 12/431

5101

Uitspraak van de meervoudige kamer van 6 december 2013 in de zaak tussen

[A], te [woonplaats], appellant


en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Kuipers).

Procesverloop

Op 20 januari 2012 heeft verweerder op grond artikel 43i van de Regeling identificatie en registratie van dieren (de Regeling) bepaald dat appellant ‘Heffingen en Retributies Dierregistraties (I&R) 2010’ is verschuldigd. Bij besluit van 15 maart 2012 heeft verweerder het bezwaar van appellant hiertegen ongegrond verklaard.


Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 15 maart 2012 en verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2013. Appellant is verschenen. Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Per 1 januari 2010 is de op Verordening (EG) nr. 21/2004 gebaseerde verplichting tot individuele registratie van schapen en geiten ingevoerd. Teneinde een dergelijke registratie mogelijk te maken zijn door het toenmalige Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit investerings- en uitvoeringskosten gemaakt. Afgesproken is dat die kosten worden verdeeld tussen dit ministerie en het bedrijfsleven. De investeringskosten komen voor rekening van houders die meer dan 100 schapen of geiten houden op hun UBN. Ter financiering van de investeringsheffing krijgen deze houders een compensatie via de toekenning van bedrijfstoeslag.

2.

Appellant is schapenhouder/landschapsbeheerder te [woonplaats]. De aan appellant opgelegde heffing van € 683,50 bestaat uit een vast bedrag per Uniek Bedrijfsnummer (UBN) van € 33,50 en een heffing ter dekking van de investeringskosten van € 650,-.

3.

Appellant bestrijdt de investeringsheffing. Hij is van mening dat hij niet gelijk wordt behandeld met degenen die 100 of minder dieren houden. Hij vindt dat alle schapenhouders deze heffing moeten betalen omdat zij allen gebruik moeten maken van de centrale database. Schapenhouders met minder dan € 5.000,- aan bedrijfstoeslag ontvangen € 650,- ter compensatie van de opgelegde heffing. Appellant, die meer dan € 5.000,- aan bedrijfstoeslag ontvangt, krijgt per saldo een bedrag van € 598,-: de compensatie van € 650,- wordt tot de bedrijfstoeslag gerekend en daarover wordt 8 % modulatiekorting berekend. Dit komt – voor wat betreft de investeringsheffing – neer op een bedrag van € 52,-. Appellant acht het verder onjuist dat hij voor een database die in 2010 niet goed werkte het volledige bedrag moet betalen.

4.

Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat de wetgever een weloverwogen onderscheid heeft gemaakt tussen houders met meer dan 100 dieren en met 100 of minder dieren. Om die reden is er volgens verweerder geen strijd met het gelijkheidsbeginsel. Verder heeft verweerder er op gewezen dat appellant tegen de beslissing van 10 februari 2012, waarbij het bezwaar van appellant tegen de toekenning van bedrijfstoeslag 2010 ongegrond is verklaard, beroep heeft ingesteld bij het College. In deze beslissing is verweerder gemotiveerd ingegaan op het bezwaar van appellant tegen de modulatiekorting. In het beroep tegen dit besluit kon de modulatiekorting aan de orde komen. Appellant heeft dat beroep echter ingetrokken, waarmee het besluit van 10 februari 2012 in rechte is komen vast te staan. Tot slot stelt verweerder dat het nieuwe I&R-systeem is verbeterd en dat de Regeling niet voorziet in een lagere heffing voor de periode dat het systeem nog niet optimaal functioneerde.

5.1

Het College overweegt als volgt. Het is een ongeschreven regel van procesrecht dat geen rechtsgeding kan worden gevoerd indien geen direct belang bij de uitkomst van de procedure bestaat. Het doel dat de belanghebbende met het instellen van het rechtsmiddel wil bereiken, moet hij ook daadwerkelijk kunnen bereiken en dat resultaat moet voor de indiener feitelijk betekenis hebben en niet alleen hypothetische.

5.2

Vast staat dat aan appellant een compensatie van € 650,- voor de investeringsheffing is toegekend en uitbetaald. Evenmin is in geschil dat over dit bedrag modulatiekorting is berekend en dat appellant per saldo een lager bedrag heeft ontvangen. Appellant kan deze verlaging echter niet in het kader van deze beroepsprocedure tegen het heffingsbesluit aan de orde stellen. De modulatiekorting is immers onderdeel van een ander besluit – de toekenning bedrijfstoeslag 2010 – waartegen het huidige beroep niet is gericht. Om die reden kan appellant met de onderhavige procedure niet het resultaat bereiken dat hem voor ogen staat, te weten volledige compensatie van de opgelegde investeringsheffing. Hieruit volgt dat appellant geen belang heeft bij inhoudelijke toetsing van verweerders besluit van 15 maart 2012.

6.

Het beroep dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling ziet het College geen aanleiding.

Beslissing


Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.


Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, mr. J. Schukking en mr. H.L. van der Beek, in aanwezigheid van mr. E. van Kerkhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 december 2013.

w.g. C.J. Waterbolk w.g. E. van Kerkhoven