Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:267

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
05-12-2013
Datum publicatie
12-12-2013
Zaaknummer
AWB 11/122
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tuchtzaak. Tuchtgerecht Productschap Vis. Verordening quarantainevoorzieningen levende tweekleppige weekdieren (hierna: Verordening). Het eerste door het tuchtgerecht vastgestelde feit heeft betrekking op het importeren van mosselen. Dit levert geen overtreding op van artikel 2, eerste lid, van de Verordening. Verboden is slechts om water dat met mosselen uit een niet aangewezen gebied in contact is geweest of daarvan afkomstig tarra in de Nederlandse oppervlaktewateren te storten of te lozen. Het tweede door het tuchtgerecht vastgestelde feit betreft de overtreding van een onduidelijke bepaling. Beroep gegrond. Bestreden tuchtuitspraak vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2014/168

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 11/122 5 december 2013

20313

Uitspraak in de zaak van:

[A] , te [vestigingsplaats], appellant van een tuchtuitspraak nr. qvz/2010/11 van het Tuchtgerecht Productschap Vis (hierna: tuchtgerecht), gewezen op
22 november 2010.

1 De procedure

Bij faxbericht van 27 december 2010, verzonden aan het tuchtgerecht, heeft appellant beroep ingesteld tegen de hiervoor vermelde tuchtuitspraak van 22 november 2010.
Het tuchtgerecht heeft het beroepschrift bij brief van 10 februari 2011 doorgezonden aan het College.

De secretaris van het tuchtgerecht heeft bij brief van 7 maart 2011 de op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Het College heeft de zaak behandeld ter zitting van 29 augustus 2013. Appellant is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Van de zijde van het Productschap Vis (hierna: Productschap) zijn verschenen mr. M. Weijdeveld, mr. S. Maric en A. van der Linden.

2 De grondslag van het geschil

2.1

In de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 is onder meer het volgende bepaald:

“ Artikel 2

1. De tuchtrechtelijke maatregelen in de zin van artikel 104 van de Wet op de bedrijfsorganisatie, die op overtreding van verordeningen van een bedrijfslichaam kunnen worden gesteld, zijn:

(…)

b. geldboete;

(…)

Artikel 4

1. De geldboete bedraagt ten minste € 3 en ten hoogste een bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

(…)

3. De geldboete kan geheel of gedeeltelijk voorwaardelijk worden opgelegd.

Artikel 15

1. De voorzitter van het bedrijfslichaaam, dat de desbetreffende verordening heeft vastgesteld, maakt de zaak binnen een redelijke termijn na de constatering van de overtreding bij het tuchtgerecht aanhangig door middel van een schriftelijke verklaring.

2. De verklaring vermeldt de feiten waarvoor een tuchtrechtelijke maatregel wordt gevraagd. Bij de verklaring worden alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan het tuchtgerecht overgelegd.”

In de door het bestuur van het Productschap vastgestelde Verordening quarantaine-voorzieningen levende tweekleppige weekdieren 2007 (hierna: Verordening) is onder meer het volgende bepaald:

“ Artikel 2

1. Het is een ieder verboden om direct of indirect in productiegebieden, verwatergebieden of andere Nederlandse oppervlaktewateren, water te lozen dat gebruikt is voor het vervoeren, het verwateren, het opslaan het schonen, het be- of verwerken van tweekleppige weekdieren of delen van tweekleppige weekdieren, het schoonmaken van bedrijfsruimten waarin tweekleppige weekdieren zijn verwerkt of om direct of indirect in productiegebieden, verwatergebieden of andere Nederlandse oppervlatewateren tarra te storten dat afkomstig is van de be- of verwerking van tweekleppige weekdieren indien deze tweekleppige weekdieren niet afkomstig zijn uit de door de voorzitter, namens het bestuur, bij uitvoeringsbesluit aangewezen gebieden.

(…)

Artikel 4

1. Een quarantainevoorziening wordt erkend of een wijze van afvoeren van tarra of afval wordt goedgekeurd indien ten genoege van de voorzitter, namens het bestuur, uit alle schriftelijke stukken en na een controle en toetsing door de toezichthouder dan wel een medewerker van het productschap is aangetoond dat water, tarra of afval dat gebruikt is voor dan wel is vrijgekomen bij het vervoeren, verwateren, opslaan, schonen, be- of verwerken van tweekleppige weekdieren of delen van tweekleppige weekdieren, geen risico meer met zich meebrengt op introductie in de oppervlaktewateren van voor de vorming van uitheemse biotoxinen verantwoordelijke dinoflagellaten of hun cysten, schelpdier- of visziekten, virussen of andere levende organismen en hun larven.

(…)

Artikel 5
(…)
3. De voorzitter kan, namens het bestuur, bij uitvoeringsbesluit een algemene meldplicht per levende partij tweekleppige weekdieren invoeren.”

Artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene meldplicht luidde tot 6 februari 2010:

“ Er geldt een algemene meldplicht per levende partij tweekleppige weekdieren, waarbij een ondernemer aan de volgende voorwaarden moet voldoen:

a. uiterlijk vierentwintig uur voor het moment waarop de tweekleppige weekdieren bij een quarantainevoorziening aankomen wordt hiervan per fax, per e-mail of, indien dit niet mogelijk is, schriftelijk mededeling gedaan aan het kantoor van het productschap te [vestigingsplaats]. Hierbij dient in ieder geval te worden vermeld:

- de vermoedelijke tijd van aankomst bij de daarbij aangegeven
quarantainevoorziening;

- de naam van het productiegebied waaruit de tweekleppige weekdieren
afkomstig zijn;

- een vermelding van de soort en het geslacht van de partij tweekleppige
weekdieren en de geschatte hoeveelheid hiervan;

b. (…)

c. na aankomst wordt een afschrift van de weegbrief en het vervoersdocument onverwijld schriftelijk middels de fax, e-mail, post of persoonlijke overhandiging ter beschikking gesteld aan het kantoor van het productschap te [vestigingsplaats] zodat voor de desbetreffende partij te herleiden is:

- de exacte hoeveelheid gewogen levende tweekleppige weekdieren;

- identificatie van de levende tweekleppige weekdieren.”

Met ingang van 6 februari 2010 is het Besluit algemene meldplicht vervangen door het Besluit algemene meldplicht 2010. De tekst van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, luidt sedertdien (wijzigingen onderstreept):

“ Er geldt een algemene meldplicht per levende partij tweekleppige weekdieren, waarbij een ondernemer aan de volgende voorwaarden moet voldoen.:
a. uiterlijk vierentwintig uur voor het moment waarop de tweekleppige weekdieren bij het verzend- en/of zuiveringscentrum aankomen waar door handelingen als bedoeld in artikel 2 van de Verordening quarantainevoorzieningen levende tweekleppige weekdieren 2007 direct of indirect contact met de productiegebieden, verwatergebieden of Nederlandse oppervlaktewateren ontstaat, wordt hiervan per fax, per e-mail, of indien dit niet mogelijk is, schriftelijk mededeling gedaan aan het het kantoor van het productschap te [vestigingsplaats]. Hierbij dient in ieder geval te worden vermeld:

- de vermoedelijke tijd van aankomst bij de daarbij aangegeven verzend-

en/of zuiveringscentrum;

- de naam van het productiegebied waaruit de tweekleppige weekdieren
afkomstig zijn;

- een vermelding van de soort en het geslacht van de partij tweekleppige
weekdieren en de geschatte hoeveelheid hiervan;”

Voor het overige is het Besluit algemene meldplicht niet gewijzigd.
Blijkens de toelichting bij het Besluit algemene meldplicht 2010 betreft het een wetstechnische wijziging waarbij de algemene meldplicht wordt gecontinueerd.

2.2

Het tuchtgerecht heeft in twee uitspraken van 30 maart 2010, qvz/2009/05 en qvz/2009/06, met betrekking tot overtredingen van andere ondernemers, geoordeeld dat, nu ten tijde van de in die zaken aan de orde zijnde feiten in artikel 1, eerste lid, onder a, van het Besluit algemene meldplicht de verplichting werd opgelegd om de aankomst van partijen tweekleppige weekdieren bij een quarantainevoorziening bij verweerder te melden, terwijl de marktpartijen niet over een quarantainevoorziening beschikten, van overtreding van deze bepaling geen sprake kon zijn, omdat de bepaling op zijn minst onduidelijk was. Het tuchtgerecht is in die uitspraken wel gekomen tot de bewezenverklaring van overtredingen van artikel 1, eerste lid onder c, dat de verplichting inhoudt om direct na aankomst van de tweekleppige weekdieren de weegbrief aan verweerder ter beschikking te stellen.

3 Het berechtingsrapport en de schriftelijke verklaring

Het berechtingsrapport, opgemaakt op 11 juni 2010 door [B], controleur bij Centrum voor Bedrijfsdiensten B.V., luidt, voor zover hier van belang,:

“ Berechtingsrapport

Betreffende: [A] (…)

Wegens:
Het ten eerste direct of indirect in productiegebieden, verwatergebieden of andere Nederlandse oppervlaktewateren, lozen van water, dat gebruikt is voor het vervoeren, het verwateren, het opslaan, het schonen, het be- of verwerken van (delen) levende tweekleppige weekdieren, het schoonmaken van bedrijfsruimten waarin levende tweekleppige weekdieren zijn verwerkt of storten van tarra, dat afkomstig is van de be- of verwerking van levende tweekleppige weekdieren, welke afkomstig zijn uit gebieden, welke niet genoemd worden in het Uitvoeringsbesluit bij artikel 2, eerste lid, van de Verordening quarantainevoorzieningen levende tweekleppige weekderen 2007, zonder te beschikken over een door de voorzitter van het Productschap overeenkomstig artikel 4 van de Verordening quarantainevoorzieningen levende tweekleppige weekdieren 2007 erkende waterbehandelingsinstallatie of andere goedgekeurde wijze van behandeling.

In de periode van 27 januari 2010 tot en met 3 maart 2010 (…) zijn bij [A] vijf partijen levende tweekleppige weekdieren, stekelhuidigen, manteldieren of mariene buikpotigen geïmporteerd, die afkomstig zijn uit Denemarken (productiegebied Fao. 27), zijnde een gebied welke niet genoemd wordt in het Uitvoeringsbesluit bij artikel 2, eerste lid, van de Verordening quarantainevoorzieningen levende tweekleppige weekdieren 2007.

Het ten tweede niet, onverwijld na aankomst, ter beschikking stellen aan het kantoor van het Productschap Vis te [vestigingsplaats], de afschriften van de weegbrieven die de levende tweekleppige weekdieren vergezellen, zodat de exacte hoeveelheid gewogen levende tweekleppige weekdieren te herleiden is (artikel 5, derde lid, van de Verordening quarantainevoorzieningen levende tweekleppige weedieren 2007 jo. artikel 1, eerste lid, onder c, van het Besluit algemene meldplicht 2010).
In de periode van 27 januari 2010 tot en met 3 maart 2010 (…) zijn bij [A] vijf partijen levende tweekleppige weekdieren, stekelhuidigen, manteldieren of mariene buikpotigen geïmporteerd, waarvan niet, onverwijld na aankomst de afschriften van de weegbrieven die de levende tweekleppige weekdieren vergezellen, ter beschikking zijn gesteld aan het kantoor van het Productschap Vis te [vestigingsplaats].

(…)

Op 19 februari 2010 omstreeks 13.30 uur had ik (…) een telefoongesprek met de heer [A]. (…)
Nadat ik (…) de reden van mijn telefoongesprek had aangegeven volgde er een korte, heftige reactie van de heer [A], waarin hij aangaf dat ik gerust langs kon komen, maar dat ik zo de deur weer “uitgeflikkerd” zou worden, waarna de verbinding verbroken werd. Vervolgens had ik (…) op 1 maart 2009 omstreeks 16.30 uur een telefoongesprek met mevrouw [A]. Zij verklaarde dat haar man de laatste tijd niet zo goed te spreken was. (…) Op 9 maart 2010 omstreeks 14.00 uur had ik (…) opnieuw telefonisch met mevrouw [A]. Zij gaf aan dat haar man overdag altijd weg is en dat ik beter die avond terug kan bellen. (…) Op 9 maart omstreeks 19.15 uur heb ik zowel via het vaste telefoonnummer als via het mobiele nummer tevergeefs geprobeerd telefonisch contact te krijgen met de heer [A]. Het is mij (…) duidelijk geworden dat de heer [A] geen medewerking wenst te verlenen aan een controle op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Verordening quarantainevoorzieningen levende tweekleppige weekdieren 2007.

Uit de aan mij ter beschikking gestelde administratie van het kantoor van het Productschap Vis (…) betreffende de vijf geïmporteerde partijen mosselen uit Denemarken (productiegebied Fao. 27) in de periode 27 januari 2010 tot en met 3 maart 2010 op het bedrijf van [A] (…) is mij (…) gebleken dat bovengenoemde vijf partijen afkomstig zijn uit gebieden welke niet genoemd worden in het Uitvoeringsbesluit bij artikel 2, eerste lid, van de Verordening quarantainevoorzieningen levende tweekleppige weekdieren 2007.

Van bovengenoemde vijf partijen (…) blijken niet, onverwijld na aankomst, de afschriften van de weegbrieven die de levende tweekleppige weekdieren vergezellen, zodat de exacte hoeveelheid gewogen levende tweekleppige weekdieren te herleiden is, ter beschikking te zijn gesteld aan het kantoor van het Productschap Vis te [vestigingsplaats], hetgeen niet conform het gestelde artikel 5, derde lid, van de Verordening quarantainevoorzieningen levende tweekleppige weekdieren 2007 jo. artikel 1, eerste lid, onder c, van het Besluit algemene meldplicht 2010. (…)
Er is door de voorzitter van het Productschap Vis geen erkenning quarantainevoorziening danwel andere goedkeuring op grond van artikel 4 van de Verordening quarantainevoorzieningen levende tweekleppige weekdieren 2007 verleend aan [A].”

In de schriftelijke verklaring, als bedoeld in artikel 15 van de wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004, van 13 juli 2010 heeft de voorzitter van het Productschap vermeld dat op 10 maart 2010 ten aanzien van appellant is geconstateerd dat:

“ 1) de bedoelde onderneming in de periode van 27 januari 2010 tot en met
3 maart 2010 vijf partijen levende tweekleppige weekdieren, stekelhuidigen, manteldieren en/of mariene buikpotigen heeft geïmporteerd afkomstig uit gebieden in Denemarken;
2) deze gebieden niet zijn aangewezen middels het Uitvoeringsbesluit bij artikel 2, eerste lid, van de Verordening qvz; en
3) ten aanzien van deze vijf partijen niet, onverwijld na aankomst, aan het kantoor van het Productschap Vis te [vestigingsplaats] ter beschikking gesteld is een afschrift van de weegbrief.”


Naar het oordeel van de voorzitter levert dit een overtreding op van artikel 2, eerste lid, van de Verordening juncto het Uitvoeringsbesluit bij artikel 2 en/of artikel 1 van het Besluit algemene meldplicht 2010.
De voorzitter heeft voor deze feiten als tuchtrechtelijke maatregel voorgesteld oplegging van een geldboete van € 3.750,--, waarvan € 937,50 voorwaardelijk onder de voorwaarde van onthouding van overtreding van het bepaalde bij en krachtens de Verordening in de komende twee jaar.

4 De bestreden tuchtuitspraak

Het tuchtgerecht heeft op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting op 20 januari 2010 geoordeeld dat is komen vast te staan dat appellant, zonder dat hij over een erkende quarantainevoorziening beschikte, vijf partijen levende tweekleppige weekdieren, stekelhuidigen, manteldieren en/of mariene buikpotigen heeft geïmporteerd uit een niet aangewezen gebied. Het tuchtgerecht heeft dit aangemerkt als een overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Verordening. Het tuchtgerecht is voorts van oordeel dat appellant meerdere keren artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit algemene meldplicht heeft overtreden, door het in die gevallen niet overleggen van een afschrift van de oorspronkelijke weegbrief. Het tuchtgerecht weegt ten nadele van appellant mee dat hij geen medewerking heeft verleend aan de controle door de toezichthouder. Het feit dat appellant niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld, geeft het tuchtgerecht aanleiding om een deel van de boete voorwaardelijk op te leggen. Het tuchtgerecht heeft op grond hiervan de volgende tuchtrechtelijke maatregel opgelegd: een geldboete van € 1.500,--, waarvan € 500,-- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, ingaande op 22 november 2010.

5 Het standpunt van appellant

Appellant heeft in beroep, zakelijk weergegeven, het volgende tegen de bestreden tuchtuitspraak aangevoerd.
De door het Productschap aangestelde controleur is ondeskundig op het gebied van mosselen. Het Productschap houdt er bij andere bedrijven andere regels op na. De regels van het Productschap zijn vanachter het bureau gemaakt; er is in de praktijk niet aan te voldoen. De ingevoerde mosselen voldeden aan alle normen.

6 De reactie van het Productschap

Het Productschap is van mening dat appellant geen feiten heeft genoemd, waaruit de ondeskundigheid van de door het Productschap aangewezen toezichthouder zou moeten blijken. Het Productschap bestrijdt dat er sprake zou zijn van willekeur. De regelgeving van het Productschap geldt voor alle ondernemingen. Onduidelijk is waarop appellant zijn mening baseert dat sprake zou zijn van willekeur.
De betreffende regelgeving dateert uit de jaren ’90, vanaf de inwerkingtreding van Europese richtlijnen met gezondheidsvoorschriften voor het produceren en in de handel brengen van levende tweekleppige weekdieren. Het Productschap is de bevoegde autoriteit voor de aanwijzing, classificatie en begrenzing van schelpdierproductiegebieden, nu de Europese regels niet voorzien in regels omtrent de verplaatsing van schelpdieren voordat zij voor menselijke consumptie in de handel worden gebracht. De sector is bij de totstandkoming altijd direct betrokken geweest door middel van diverse consultatierondes, teneinde te bewerkstelligen dat de regeling praktisch uitvoerbaar is voor alle typen bedrijven en schelpdiersoorten. Het is het Productschap onduidelijk wat er ingewikkeld zou zijn aan bijvoorbeeld de algemene meldplicht. Appellant heeft overigens de betreffende partij mosselen vooraf gemeld bij het Productschap. Hij is berecht voor het feit dat de weegbrieven niet zijn overhandigd na aankomst van de vijf partijen. Appellant dient te voldoen aan de bepalingen van de Verordening. Dit geldt ook als de partij mosselen een A-classificatie heeft. De regelgeving van het Productschap staat los van andere bestaande regelingen. Vaststaat dat appellant de betreffende partijen mosselen, die afkomstig zijn uit een gebied dat niet in het uitvoeringsbesluit is aangewezen, niet in een daartoe erkende quarantainevoorziening heeft verwerkt. Het importeren van mosselen uit een niet in het uitvoeringsbesluit aangewezen gebied is als zodanig niet strafbaar. Maar wanneer deze niet in een quarantainevoorziening worden verwerkt, wordt automatisch water, dat met de mosselen in aanraking is geweest, geloosd in de Nederlandse oppervlaktewateren. Appellant beschikt niet over een erkende quarantainevoorziening. Hij spoelt zijn mosselen met Oosterscheldewater. Dit is op de zitting bij het tuchtgerecht uitgebreid aan de orde geweest, maar is niet teruggekomen in het proces-verbaal van de zitting. De bandopname daarvan is overigens verloren gegaan.

7 De beoordeling van het geschil

7.1

Op grond van artikel 15 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 wordt een zaak bij het tuchtgerecht aanhangig gemaakt door middel van een schriftelijke verklaring, die de feiten vermeldt waarvoor een tuchtrechtelijke maatregel wordt gevraagd. Het tuchtgerecht heeft in de schriftelijke verklaring twee aan appellant verweten feiten gelezen.
Het eerste in de schriftelijke verklaring vermelde feit betreft het importeren in de periode van 27 januari 2010 tot en met 3 maart 2010 van vijf partijen levende tweekleppige weekdieren uit gebieden in Denemarken, welke gebieden niet zijn aangewezen in het uitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Verordening. Het tuchtgerecht heeft vastgesteld dat appellant dit feit heeft begaan. Appellant heeft in zijn beroepschrift geen argumenten aangevoerd die zouden kunnen leiden tot de conclusie, dat het tuchtgerecht ten onrechte tot deze vaststelling is gekomen.
Het College stelt echter vast dat dit feit geen overtreding oplevert van artikel 2, eerste lid, van de Verordening. Ingevolge die bepaling is immers het importeren van levende tweekleppige weekdieren (mosselen) uit niet-aangewezen gebieden niet verboden. Verboden is slechts - kort gezegd - om water dat met weekdieren uit een niet aangewezen gebied in contact is geweest of daarvan afkomstige tarra in de Nederlandse oppervlaktewateren te storten of te lozen. Dat appellant zodanige handelingen heeft verricht is in de schriftelijke verklaring niet als feit vermeld, zodat reeds hierom geen tuchtrechtelijke maatregel voor deze handelingen kon worden opgelegd. Het College wijst er daarbij op dat zodanig feit ook in het berechtingsrapport niet is vermeld.

7.2

Het tweede in de schriftelijke verklaring vermelde feit betreft het niet onverwijld na aankomst van deze vijf partijen mosselen ter beschikking stellen van afschriften van de weegbrieven aan het kantoor van het Productschap. Het tuchtgerecht heeft vastgesteld dat appellant hiermee artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit algemene meldplicht meerdere keren heeft overtreden.
Blijkens rubriek 2 van de uitspraak van het tuchtgerecht heeft het tuchtgerecht zich daarbij gebaseerd op de tekst van het besluit zoals dat gegolden heeft, totdat op 6 februari 2010 het Besluit algemene meldplicht 2010 in werking is getreden.

Het College stelt vast dat de aankomst van de eerste twee partijen mosselen uit Denemarken blijkens de bijlagen bij het berechtingsrapport plaatsvond vóór
6 februari 2010 en dus nog onder de werking van het Besluit algemene meldplicht viel.
Het tuchtgerecht heeft in de bestreden tuchtuitspraak, met verwijzing naar de eerdere in rubriek 2.2 samengevatte uitspraken, overwogen dat van een overtreding van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit algemene meldplicht geen sprake kon zijn, aangezien die bepaling naar het oordeel van het tuchtgerecht onduidelijk was.
Zoals in de genoemde uitspraken ook is overwogen is het tuchtgerecht van oordeel dat het, voor wat betreft het verwijt dat de weegbrieven niet ter beschikking van het Productschap zijn gesteld, een andere mening is toegedaan. Het tuchtgerecht acht artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit algemene meldplicht voldoende duidelijk, nu in die bepaling geen sprake is van een directe koppeling van de strafbaarstelling aan de aanwezigheid van een quarantainevoorziening.

Het College merkt dienaangaande op dat het op basis van de hiervoor onder 2.2 genoemde constatering van het Tuchtgerecht, dat marktpartijen destijds nog niet beschikten over quarantainevoorzieningen, niet begrijpt hoe dan het moment van aankomst van een partij mosselen bij zo’n quarantainevoorziening moet worden vastgesteld. Derhalve kan evenmin vastgesteld zijn dat niet onverwijld na die aankomst een weegbrief aan verweerder ter beschikking gesteld is.
Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit algemene meldplicht kan niet anders begrepen worden dan dat het daarbij moet gaan om dezelfde aankomst bij de quarantainevoorziening, waarvan onder a sprake was.

Nu de door appellant vóór 6 februari 2010 ingevoerde mosselen zijn aangekomen op het bedrijf van appellant, waar geen quarantainevoorziening aanwezig was, heeft op appellant niet de verplichting gerust ter zake van deze partijen een weegbrief bij het Productschap in te dienen. Het tuchtgerecht heeft derhalve ten onrechte vastgesteld, dat appellant niet aan die verplichting heeft voldaan.

7.3

Na de inwerkingtreding van het Besluit algemene meldplicht 2010 is er in het eerste lid onder a sprake van een ‘verzend en/of zuiveringscentrum”. Dat is, zo maakt het College uit de bepaling op, de plek waar water of tarra, direct of indirect afkomstig van tweekleppige weekdieren, die niet afkomstig zijn uit aangewezen gebieden, in contact komt met Nederlandse oppervlaktewateren, hetgeen naar van de zijde van het Productschap ter zitting uiteengezet is, ook in het onderhavige geval noodzakelijkerwijs aan de orde zal zijn geweest, nu appellant zijn tweekleppige weekdieren met Oosterscheldewater pleegt te spoelen.
Gelet daarop meent het College, dat de uit het Besluit algemene meldplicht 2010 voortvloeiende verplichtingen voor appellant ten deze voldoende duidelijk omschreven zijn. Derhalve kan appellant verweten worden, dat hij voor de drie zendingen mosselen, die hij na 6 februari 2010 uit Denemarken ontvangen heeft niet onverwijld na aankomst bij zijn bedrijf de weegbrief (en het vervoersdocument) aan het kantoor van het Productschap te [vestigingsplaats] ter beschikking gesteld heeft.
Voor die drie gevallen heeft het tuchtgerecht de ten laste gelegde overtreding dus terecht bewezen geacht.

7.4

Samenvattend betekent dit, dat waar het tuchtgerecht uitging van vijf overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Verordening en vijf overtredingen van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit algemene meldplicht, het College geen overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Verordening heeft kunnen vaststellen en slechts drie overtredingen van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit algemene meldplicht 2010. Het College overweegt daarbij dat de voor appellant geldende meldplicht hem voor iedere partij levende tweekleppige weekdieren verplicht tot drie aparte acties, opgesomd onder a, b en c van artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene meldplicht 2010. Hem wordt verweten dat hij ten aanzien van de aan de orde zijnde drie partijen telkens slechts de laatste van deze drie acties achterwege heeft gelaten. Naar het oordeel van het College betekent dit, dat het Productschap met de belangrijkste gegevens over deze aangevoerde partijen tijdig bekend heeft kunnen zijn. Gelet op een en ander acht het College - dat zich voor het overige met de door het tuchtgerecht aan de straftoemeting gewijde overwegingen kan verenigen - de door het tuchtgerecht opgelegde sanctie niet in overeenstemming met de vastgestelde feiten.

7.5

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep gegrond is. De beslissing van het tuchtgerecht zal worden vernietigd. Het College zal de aan appellant op te leggen sanctie vaststellen op € 400,--, waarvan € 200,-- voorwaardelijk. Voor wat de voorwaarde en de proeftijd betreft verwijst het College naar de aangevallen uitspraak van het tuchtgerecht.

7.6

Deze uitspraak berust op de voorschriften, vermeld in de bestreden tuchtuitspraak, alsmede op hoofdstuk V van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.

8 De beslissing

Het College:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de bestreden tuchtbeslissing
- legt appellant een boete op van € 400,--, waarvan € 200,-- voorwaardelijk.

Aldus gewezen door mr. J.L.W. Aerts, mr. B. Verwayen en mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. J.M.M. Bancken, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 december 2013.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. J.M.M. Bancken