Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:257

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-11-2013
Datum publicatie
06-12-2013
Zaaknummer
AWB 10/1301
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Redelijke termijn, schadevergoeding

Wetsverwijzingen
Plantenziektenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 10/1301

32100

Uitspraak van de meervoudige kamer van 29 november 2013 in de zaak tussen

maatschap [A] & [B], te [vestigingsplaats], appellante

(gemachtigde: mr. drs. M.C. van Meppelen Scheppink),

en

de minister van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. P.J. Kooiman),

en

de Staat der Nederlanden (Minister van Veiligheid en Justitie; hierna: Staat)(gemachtigde: mr. E.L. van Haasen).

Procesverloop


Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 22 oktober 2010. Ter zitting van het College van 17 mei 2013 heeft appellante verzocht om schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn (verzoek om schadevergoeding).

Op 24 juli 2013 (ECLI:NL:CBB:2013:84) heeft het College uitspraak gedaan op het beroep van appellante. Daarbij heeft het College bepaald dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent het verzoek om schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn in de bestuurlijke en rechterlijke fase en heeft het College de Staat aangemerkt als partij in die procedure.

Bij brief van 14 augustus 2013 heeft de Staat een reactie gegeven op het verzoek om schadevergoeding.

Bij brief van 4 september 2013 heeft appellante een uiteenzetting gegeven over haar verzoek om schadevergoeding.

Bij brief van 21 oktober 2013 heeft het College het onderzoek gesloten en bepaald dat uitspraak zal worden gedaan.

Overwegingen

1.1 De vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de appellanten gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellanten.

1.2 In zijn uitspraak van 24 juli 2013 heeft het College vastgesteld dat sedert de ontvangst door verweerder op 12 maart 2010 van het bezwaarschrift van appellante tegen het besluit van 1 maart 2010 tot de datum van de uitspraak van het College ruim drie jaar en vier maanden zijn verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door verweerder ruim zes maanden geduurd en de behandeling van het beroep door het College vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 30 november 2010 ruim twee jaar en zeven maanden.


1.3 Naar het oordeel van het College heeft voor de beslechting van het geschil als het onderhavige als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden indien in de bestuurlijke fase het bestuursorgaan niet binnen één jaar nadat die termijn is aangevangen met de ontvangst van het bezwaar een besluit neemt, en indien in de rechterlijke fase het College niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen met het instellen van beroep uitspraak doet. Indien deze redelijke termijn is overschreden gaat het College ervan uit dat de betrokkene daarvoor gecompenseerd dient te worden door hem een bedrag van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan dat de termijn is overschreden toe te kennen.


1.4 De Staat heeft in zijn reactie opgemerkt dat met de behandelingsduur van drie jaar en vier maanden de redelijke termijn met vier maanden is overschreden. De zaak kan niet worden aangemerkt als bijzonder zwaarwegend zodat er geen reden is tot verhoging of verlaging van het bedrag van € 500,-. Er zijn geen aanwijzingen dat de vertraging mede aan appellante is te wijten. Dit betekent dat de vertraging aan de rechter is te wijten. De termijnoverschrijding van vier maanden resulteert in een bedrag van € 500,-.

1.5 Appellante heeft opgemerkt dat uitgaande van de uitspraak van 24 juli 2013 de termijn met een half jaar is overschreden, zodat een schadevergoeding van € 500,- is aangewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van openbaarmaking van de uitspraak.

1.6 Het College volgt het standpunt van partijen. Ten aanzien van de bestuurlijke fase wordt vastgesteld dat, aangezien de redelijke termijn is aangevangen met de ontvangst van het bezwaarschrift op 12 maart 2010 en het besluit op bezwaar is genomen op 22 oktober 2010 de hierboven genoemde termijn voor de bestuurlijke fase niet is overschreden. Ten aanzien van de rechterlijke fase stelt het College vast dat het beroepschrift door het College is ontvangen op 30 november 2010 en dat tot aan de datum van de uitspraak op 24 juli 2013 twee jaar en ruim zeven maanden zijn verstreken. De vertraging bij het College kan echter worden gecompenseerd met de voortvarendheid bij de behandeling van het bezwaar door verweerder. Hierop gelet stelt het College vast dat, met de totale behandelingsduur van drie jaar en vier maanden, de redelijke termijn met vier maanden is overschreden.

1.7 Het College stelt de schadevergoeding vast op € 500,-.


1.8 Het College acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. De Staat wordt veroordeeld in de door appellante gemaakte proceskosten. Op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten van beroepsmatig verleende bijstand vastgesteld op € 236,- (0,5 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding en een schriftelijke uiteenzetting tegen een waarde van € 472 per punt, voor een zaak van gemiddeld gewicht).

Beslissing


Het College:
- veroordeelt de Staat tot vergoeding van schade aan appellante tot een bedrag van

€ 500,- te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 weken na
openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;

- veroordeelt de Staat in de door appellante gemaakte proceskosten tot een bedrag van

€ 236.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Dijt, mr. R.F.B. van Zutphen en mr. H. Bolt, in aanwezigheid van mr. E. van Kerkhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 november 2013.

w.g. E. Dijt w.g. E. van Kerkhoven