Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:254

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-10-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
AWB 13/694
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Proceskostenveroordeling
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Besluit tot intrekking chauffeurskaart. De voorzieningenrechter overweegt dat de Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputerkaarten bij het niet (tijdig) overleggen van een verklaring omtrent gedrag (VOG) niet zonder meer dwingt tot intrekking van de chauffeurskaart. Verweerder dient in het kader van de voorbereiding van het nemen van het intrekkingsbesluit aandacht te besteden aan de vraag of er ondanks het niet tijdig overgelegd zijn van een VOG niettemin, gelet op alle feiten en omstandigheden van het geval, redenen zijn om niet tot intrekking over te gaan. Verweerder dient dus een eigen zelfstandige afweging van belangen te maken. Die belangenafweging is in dit geval onvoldoende kenbaar. De voorzieningenrechter schorst het intrekkingsbesluit dan ook.

Wetsverwijzingen
Wet personenvervoer 2000
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 13/694

14910

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 oktober 2013 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[A], te [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. G.J.M. van Spanje),

en

de Minister van Infrastructuur en Milieu, verweerder

(gemachtigde: mr. M.B. Gschwind).

Procesverloop

Bij besluit van 23 augustus 2013 heeft verweerder de chauffeurskaart van verzoeker met ingang van 28 augustus 2013 ingetrokken.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2013 waarbij verzoeker, in persoon en bijgestaan door zijn gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, zijn verschenen.

Overwegingen

1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het primaire besluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.

2.

Het Besluit personenvervoer 2000 (hierna: Besluit) luidt sinds 1 oktober 2011 voor zover hier van belang als volgt:

" Artikel 81
(…)

Met het besturen van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht, wordt slechts diegene belast, die in het bezit is van een geldige (…) chauffeurskaart.

(…)

Artikel 82

1.

Bij de aanvraag voor de chauffeurskaart worden de volgende documenten overgelegd:
(…)

c. een met het oog op het uitoefenen van het beroep van taxichauffeur verleende verklaring omtrent het gedrag overeenkomstig de bepalingen van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, die niet ouder is dan vier maanden;

(…)

6.

Indien Onze Minister vermoedt dat de bestuurder van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht, niet meer voldoet aan de eisen voor het afgeven van (…) een verklaring omtrent het gedrag (…) kan Onze Minister verlangen dat die bestuurder (…) opnieuw verzoekt om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag. De bestuurder overlegt binnen een door Onze Minister vast te stellen termijn (…) de nieuwe verklaring omtrent het gedrag.″

In de Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputerkaarten (hierna: Regeling) is voor zover hier van belang bepaald:

ʺArtikel 10
(…)
3. De chauffeurskaart en de chauffeurskaart onder beperkingen kunnen worden ingetrokken:
(…)

c. indien de bestuurder niet of niet tijdig (…) een nieuwe verklaring omtrent het gedrag overlegt als bedoeld in artikel 82, zesde lid, van het Besluit; (…)"

3.

Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen hangende het bezwaar tegen het besluit tot intrekking van zijn chauffeurspas.
Verweerder is naar de mening van verzoeker ten onrechte tot intrekking van zijn chauffeurskaart overgegaan. Zijn persoonlijke belang bij het hebben van een chauffeurskaart is dusdanig dat dit niet opweegt tegen het eventuele risico voor de samenleving dat nog geen verklaring omtrent gedrag (hierna: VOG) is overgelegd. Verzoeker werkt al 14 jaar als taxichauffeur en heeft een eigen bedrijf. Intrekking van de chauffeurskaart betekent het faillissement van dit bedrijf. Mede gelet op zijn leeftijd zal verzoeker waarschijnlijk niet meer aan een andere baan kunnen komen en tot aan zijn pensioen afhankelijk zijn van een uitkering.
Op de zitting heeft verzoeker nader toegelicht dat zijn bedrijf is aangesloten bij de Taxicentrale Amsterdam (TCA) en beschikt over één taxi. Door de intrekking van de chauffeurskaart dreigt verzoeker zijn certificaat bij TCA te verliezen. Hij kan de contributie namelijk niet meer betalen. Verzoeker heeft er verder op gewezen dat TCA de kwaliteit van het taxivervoer in het oog houdt door middel van een zogenoemd kwaliteitsbeheersysteem. Voorts is verzoeker uitgebreid ingegaan op de overtredingen die hij in het verleden heeft begaan, en die volgens hem deels buiten de terugkijktermijn van de COVOG vallen, en op de – volgens verzoeker
onterechte – verdenking van een recente overtreding van de Opiumwet op 1 april 2012. Verzoeker verwacht dat hij van deze overtreding vrijgesproken zal worden. Het proces kan evenwel door het groot aantal medeverdachten lang duren. Het is niet gerechtvaardigd dat verzoeker voor al die tijd zijn chauffeurskaart kwijtraakt, alleen omdat hij door deze – volgens hem onterechte – verdenking, geen VOG kan overleggen.

Verzoeker heeft naast de bezwaarschriftprocedure bij verweerder ook bezwaar ingediend tegen de weigering van een nieuwe VOG door COVOG. Verder heeft hij de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Op het bezwaar over de weigering van een nieuwe VOG is nog niet beslist.

4.

Volgens verweerder blijkt uit de stukken dat verzoeker is gevraagd een nieuwe VOG te overleggen, omdat er twijfels waren gerezen over zijn betrouwbaarheid nadat verzoeker recentelijk in aanraking was gekomen met justitie. Bedoeld wordt de verdenking van een overtreding van de Opiumwet op 1 april 2012. Verzoeker heeft binnen de hem gestelde termijn, geen nieuwe VOG kunnen overleggen. Wel heeft verzoeker een zienswijze naar voren gebracht naar aanleiding van het voornemen van Kiwa register B.V. (hierna: Kiwa) om zijn chauffeurskaart in te trekken. Kiwa zag in deze zienswijze echter geen aanleiding om aan te nemen dat sprake is van bijzondere omstandigheden om niet tot intrekking van de chauffeurskaart over te gaan. In de zienswijze van verzoeker is volgens verweerder slechts aangegeven dat tegen het voornemen van COVOG om geen nieuwe VOG te verstrekken een zienswijze is ingediend. Dit is door Kiwa niet als een bijzondere omstandigheid beoordeeld en gelet op het feit dat er geen andere bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd, is besloten tot intrekking van de chauffeurskaart van verzoeker over te gaan.

Het oordeel van de voorzieningenrechter van het College in een recente zaak met nr. 13/721, van 7 oktober 2013 heeft verweerder aanleiding gegeven, ter zitting alsnog de belangenafweging van Kiwa nader toe te lichten. Wanneer blijkt dat COVOG reeds een besluit op de VOG-aanvraag heeft genomen, zal verweerder slechts in het geval dat er sterke aanwijzingen zijn dat de beoordeling van de VOG-aanvraag op een onjuiste danwel onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen niet afgaan op deze beoordeling. Daarnaast heeft verweerder ten aanzien van de eigen belangenafweging van Kiwa opgemerkt dat het kan voorkomen dat aangevoerde argumenten reeds door COVOG in de VOG-procedure zijn beoordeeld. Wanneer de motivering van COVOG wordt onderschreven, zal – uit praktische overwegingen en om onnodige herhalingen te voorkomen – deze motivering van COVOG onverkort worden overgenomen ter motivering waarom de aangevoerde argumenten niet zijn aan te merken als bijzondere omstandigheden. In die situatie is niettemin volgens verweerder sprake van een eigen afweging door Kiwa.

Het feit dat verzoeker als gevolg van de intrekking van de chauffeurspas geen werkzaamheden kan verrichten, hoe vervelend ook voor verzoeker, kan niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid, aangezien dit geldt voor elke chauffeur wiens chauffeurspas wordt ingetrokken en nu eenmaal het gevolg is van die intrekking.

5.

Verzoeker heeft een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening: de intrekking van de chauffeurskaart heeft tot gevolg dat verzoeker met ingang van 28 augustus 2013 niet meer als taxichauffeur kan werken.

De voorzieningenrechter overweegt dat artikel 10, derde lid, van de Regeling bij het niet (tijdig) overleggen van een – opnieuw aangevraagde – VOG niet zonder meer dwingt tot intrekking van de chauffeurskaart. Verweerder dient in het kader van de voorbereiding van het nemen van een besluit tot intrekking van een chauffeurskaart aandacht te besteden aan de vraag of er ondanks het niet tijdig overgelegd zijn van een VOG niettemin, gelet op alle feiten en omstandigheden van het geval, redenen zijn om niet tot intrekking over te gaan. Verweerder dient dus een eigen zelfstandige afweging van belangen maken.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de zienswijze van verzoeker tegen het voornemen van verweerder om tot intrekking van zijn chauffeurspas over te gaan, een verwijzing betreft naar de zienswijze die hij tegen het voornemen van COVOG om geen nieuwe VOG te verstrekken naar voren heeft gebracht. Daarbij heeft verzoeker een kopie overgelegd van de zienswijze tegen het voornemen van COVOG om geen nieuwe VOG te verstrekken. In deze zienswijze is verzoeker onder meer uitgebreid ingegaan op de aard, ernst en status van de (verdenking) van de strafbare feiten en de daaruit voortvloeiende risico’s voor de samenleving en zijn belang bij het kunnen blijven verrichten van taxivervoer

Naar aanleiding van het voorgaande heeft verweerder in het besluit tot intrekking van de chauffeurskaart slechts volstaan met de opmerking dat de zienswijze van verzoeker geen aanleiding geeft om aan te nemen dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een reden zouden kunnen vormen om niet tot intrekking van de chauffeurskaart over te gaan. Nog afgezien van het feit dat tegen de weigering door COVOG van een nieuwe VOG nog een bezwaarschriftprocedure loopt en voor de beslissing van COVOG bovendien een ander wettelijk toetsingskader geldt, dient verweerder bij een intrekking als hier aan de orde met vergaande gevolgen voor verzoeker, een eigen zelfstandige afweging van belangen te maken. Verwezen wordt in dit verband ook naar hetgeen de voorzieningenrechter van het College hieromtrent in een andere uitspraak van 14 oktober 2013 (ECLI:NL:CBB:2013:192) heeft overwogen.

Verweerder dient alle door verzoeker naar voren gebrachte feiten en omstandigheden, inclusief de status van de – overigens reeds sinds 1 april 2012 lopende strafrechtelijke verdenking tegen verzoeker – af te wegen tegen de eventueel daaruit voortvloeiende risico’s voor de samenleving enerzijds en het belang van verzoeker anderzijds. De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat de eerder door verzoeker gepleegde overtredingen verweerder geen aanleiding hebben gegeven de chauffeurskaart in te trekken, zodat deze laatste verdenking kennelijk als zwaar telt. De voorzieningenrechter stelt vast dat een dergelijke concrete belangenafweging bij het nemen van het besluit tot intrekking niet heeft plaatsgevonden, zodat de belangenafweging van verweerder daarmee onvoldoende kenbaar is en het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust.

6.

Het vorenstaande betekent dat verweerder, naar voorlopig oordeel, bij het voorbereiden en nemen van het besluit ten aanzien waarvan om een voorlopige voorziening is verzocht, in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Gelet op het vorenoverwogene, mede gezien de belangen van verzoeker, zal het verzoek worden toegewezen als hierna te melden.

7.

Verweerder dient op grond van artikel 8:75 Awb in de proceskosten van verzoeker te worden veroordeeld. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 944,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een wegingsfactor 1, tegen € 472,- per punt).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
- schorst het besluit van verweerder van 23 augustus 2013 waarbij de chauffeurskaart

van verzoeker met ingang van 28 augustus 2013 is ingetrokken;

- bepaalt dat deze schorsing voortduurt tot zes weken na de dag waarop verweerder zijn besluit op het bezwaar van verzoeker bekend heeft gemaakt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 944,-

(zegge: negenhonderdvierenveertig euro) te betalen aan verzoeker;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 160,-

zegge: honderdzestig euro) aan verzoeker te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir, in aanwezigheid van mr. B.S. Jansen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2013.

w.g. H.A.B. van Dorst-Tatomir w.g. B.S. Jansen