Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:250

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
31-10-2013
Datum publicatie
02-12-2013
Zaaknummer
AWB 11/847
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Subsidieregeling technische assistentie in opkomende markten

Wetsverwijzingen
Kaderwet EZ-subsidies
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 11/847

27329

Uitspraak van de meervoudige kamer van 31 oktober 2013 in de zaak tussen

Promessa B.V., te Deventer, appellante

en

de Minister van Economische Zaken, Agentschap NL, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Duthler).

Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder het project "Meat processing center in Romania" van appellante eenzijdig afgesloten, de verleende subsidie ambtshalve vastgesteld op

€ 38.220,-, alsmede het verstrekte voorschot ten bedrage van € 169.110,- van appellante teruggevorderd.

Bij besluit van 6 september 2011 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2013. Voor appellante zijn verschenen
[A] en [B]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door genoemde gemachtigde.

Overwegingen

1.

Appellante heeft bij verweerder een aanvraag ingediend om subsidieverlening ten behoeve van het project "Meat processing center in Romania". De subsidie is verleend in het kader van het Programma Samenwerking Opkomende Markten (hierna: PSOM). Ingevolge een tussen partijen op

21 december 2005 gesloten overeenkomst zijn de PSOM General Terms and Conditions 2005 van toepassing. Appellante heeft daarbij op zich genomen om drie resultaten te bereiken: resultaat 1 per

31 maart 2006, resultaat 2 per 31 augustus 2006 en resultaat 3 per 30 juni 2007. Het project zal zijn afgerond op 30 juni 2007 en de spin-off fase van het project zal lopen van 1 juli 2007 tot 30 juni 2009.

Bij besluit van 2 april 2007 heeft verweerder, op verzoek van appellante van 27 september 2006, in verband met het behalen van resultaat 1 een voorschot ten bedrage van € 38.220,- verstrekt. Bij besluit van 27 april 2007 heeft verweerder het voorschot van € 38.220,- omgezet in een definitieve betaling.

Op verzoek van appellante heeft verweerder op 11 juni 2007 ingestemd met een verlenging van het project: het project zal zijn afgerond op 31 januari 2009 en de spin-off fase zal lopen van

1 februari 2009 tot en met 31 januari 2011.

Bij besluit van 25 augustus 2008 heeft verweerder, op verzoek van appellante (een request to purchase goods and services) een voorschot ten bedrage van € 169.110,- verstrekt.

In januari 2010 heeft appellante opnieuw om verlenging verzocht. Verweerder heeft op

27 januari 2010 ingestemd met verlenging: het project zal zijn afgerond op 31 december 2010 en de spin-off fase zal lopen van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2012.

Bij brief van 22 februari 2011 heeft verweerder appellante onder meer te kennen gegeven dat de termijn voor afronding van het project is verstreken en er geen verzoek voor verlenging is ingediend. Appellante wordt daarbij een termijn gegeven tot 1 april 2011 om alsnog een verzoek om verlenging te doen (tot uiterlijk 31 december 2011) of een voorstel in te dienen om het project op kleinere schaal vóór 31 december 2011 te realiseren.

Met betrekking tot het verzoek om verlenging tot 31 december 2011 namens Promessa Carne srl heeft verweerder bij brief van 7 april 2011 te kennen gegeven dit verzoek niet te beoordelen, maar heeft hij appellante alsnog in de gelegenheid gesteld binnen vier weken een concreet uitgewerkt voorstel voor afronding van het project op kleinere schaal in te dienen. Verweerder heeft daarbij te kennen gegeven dat hij, indien niet binnen deze termijn wordt gereageerd, zal overgaan tot eenzijdige afsluiting van het project en een invorderingsprocedure zal opstarten ten aanzien van het betaalde voorschot. Appellante heeft hierop gereageerd met brieven van 5 mei 2011 en 19 mei 2011.

Verweerder heeft op 6 juni 2011 het primaire besluit genomen, waarbij hij onder meer heeft overwogen dat duidelijk is geworden dat appellante het project niet heeft kunnen afronden en ook niet termijnen kan geven waarbinnen het project op kleinere schaal kan worden afgerond en dat appellante derhalve niet meer in staat is de verplichtingen uit de overeenkomst van 21 december 2005 na te komen.

2.

Appellante heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Daarbij heeft zij aangegeven de resultaten 2 en 3 niet te hebben kunnen behalen wegens de mondiaal ingrijpende economische ontwikkelingen, waardoor haar de financiën hebben ontbroken om het project tijdig af te kunnen ronden. Er is veel geïnvesteerd, maar door de financiële crisis is de verdere financiering door de huisbank van appellante gestopt. Appellante wil nog steeds het project afronden, in die zin dat zij een kleinschalig vleesbedrijf wil opzetten. Een termijn daarvoor kan zij evenwel niet noemen. Tot slot heeft appellante te kennen gegeven dat het betaalde voorschot is aangewend en dat zij niet in staat is het betaalde voorschot terug te betalen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Appellante heeft in beroep aangevoerd dat het project moest worden gestaakt wegens de stopzetting van verdere financiering door de huisbank. Het ontbreekt haar aan de financiële middelen om het project, op kleinere schaal, voort te zetten en af te ronden. Tot terugbetaling van het betaalde voorschot is zij niet in staat. Zij hoopt nog steeds dat zij het project, in de vorm van een kleinschalig vleesbedrijf, zal kunnen afronden.

3.

Dienaangaande overweegt het College als volgt.
Ingevolge het bepaalde in artikel 4:44, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan verweerder, indien de aanvraag tot vaststelling van de subsidie na afloop van een daarvoor bepaalde termijn niet is ingediend, appellante een termijn stellen binnen welke de aanvraag moet zijn ingediend. Ingevolge artikel 4:44, vierde lid, Awb kan verweerder, indien na afloop van deze termijn geen aanvraag is ingediend, de subsidie ambtshalve vaststellen.

Het College is van oordeel dat verweerder terecht is uitgegaan van 31 december 2010 als einddatum van het project, nu appellante niet, naar aanleiding van de brieven van verweerder van

22 februari 2011 en 7 april 2011, een concreet uitgewerkt voorstel voor verlenging, dan wel voor afronding van het project op kleinere schaal heeft ingediend. Appellante heeft in haar brief van

19 mei 2011 te kennen gegeven geen termijn te kunnen noemen waarbinnen het project (al dan niet in verkleinde vorm) zal worden gerealiseerd.
Gelet op het vorengaande heeft verweerder in redelijkheid, met inachtneming van het bepaalde in artikel 4:44, derde en vierde lid, Awb, kunnen besluiten tot het eenzijdig beëindigen van het project en heeft hij de subsidie terecht ambtshalve vastgesteld op € 38.200,- aangezien resultaat 1 van het project is gerealiseerd.

4.

Het College is van oordeel dat verweerder, met inachtneming van het bepaalde in artikel 4:95, vierde lid, van de Awb in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot terugvordering van het betaalde voorschot.

Daartoe overweegt het College als volgt.

Artikel 19, tweede lid, van de PSOM General Terms and Conditions 2005 bevestigt dat voorschotten kunnen worden teruggevorderd indien de uitvoerder niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan.
Tussen partijen staat vast dat de resultaten 2 en 3 van het project niet zijn gerealiseerd en dat daarmee het project niet is afgerond.
Appellante heeft aangevoerd dat, nu zij heeft voldaan aan de voorwaarden van de artikelen 11 en 17 van de PSOM General Terms and Conditions 2005, het verstrekte voorschot niet kan worden teruggevorderd door verweerder. Het College volgt appellante hierin niet, reeds omdat uit deze bepalingen niet volgt dat onverschuldigd betaalde voorschotten niet door verweerder kunnen worden teruggevorderd.

Voorts heeft appellante aangevoerd dat zij niet in staat is om het teruggevorderde bedrag te betalen.
De liquiditeitsproblemen van het bedrijf zijn immers het gevolg van een volledige stop op kredietverstrekkingen door de huisbank van appellante.
In dit verband wijst appellante op artikel 22 van de PSOM General Terms and Conditions 2005. Anders dan appellante meent, blijkt uit deze bepaling juist dat liquiditeits- of solvabiliteitsproblemen zijn uitgesloten van het begrip 'force majeure'.
Voorts is het College van oordeel dat de stelling van appellante dat zij er op mocht vertrouwen dat verweerder geen geld beschikbaar zou stellen indien de aanwending daarvan niet haalbaar zou zijn, alsmede dat verweerder in zijn toezicht dienaangaande heeft gefaald omdat hij tot twee maal toe met een verlenging heeft ingestemd, niet slaagt. Daargelaten dat appellante het beroep op het vertrouwensbeginsel niet concretiseert, blijkt op geen enkele manier uit de feitelijke gang van zaken dat verweerder te kennen zou hebben gegeven geen gebruik te maken van zijn bevoegdheid om verstrekte voorschotten terug te vorderen wanneer resultaten niet zouden worden behaald.
Bovendien miskent appellante met deze stelling haar eigen verantwoordelijkheid als gesubsidieerde partij. Daarin heeft ook de overeenkomst tussen haar en verweerder ten behoeve van de subsidieverlening geen verandering gebracht; de daarop van toepassing zijnde PSOM General Terms and Conditions 2005 bevestigt onder 5.2: "Non-realisation of a result will lead to non-payment of the budget allocated to that result.".

Tot slot is het College van oordeel dat de door appellante aangevoerde onmogelijkheid van feitelijke terugbetaling van het onverschuldigd betaalde voorschot buiten de omvang van dit geschil valt. Hetgeen appellante daarover heeft aangevoerd behoeft dan ook geen beoordeling.


5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.E. Doolaard, voorzitter, en mr. H. Bolt en mr. H.L. van der Beek, leden, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2013.

w.g. W.E. Doolaard w.g. P.M. Beishuizen