Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:248

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-11-2013
Datum publicatie
26-11-2013
Zaaknummer
AWB 12/1103
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verhinderen bedrijfscontrole, Verordening (EG) nr. 1122/2009 artikel 26

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 12/1103

5101

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 november 2013 in de zaak tussen

maatschap [A] en [B] en [C], alsmede [A], [C] en [B] te [vestigingsplaats], appellanten

(gemachtigde: mr. drs. J.P de Man),

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigden: mr. M.A.G. van Leeuwen en bc. R. Weltevreden).

Procesverloop

Bij besluit van 4 mei 2012 heeft verweerder op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling) aan de maatschap voor het jaar 2011 rechtstreekse betalingen geweigerd omdat zij een bedrijfscontrole zou hebben verhinderd.

Bij besluit van 26 oktober 2012 heeft verweerder het bezwaar van appellanten ongegrond verklaard.

Appellanten hebben tegen het besluit van 26 oktober 2012 beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 13 september 2013 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen hun standpunten hebben toegelicht. Voor appellanten zijn verschenen hun gemachtigde alsmede van [A], [C] en [B]. Voor verweerder zijn de genoemde gemachtigden verschenen.

Overwegingen

1.

Op 4 juli 2011 hebben twee controleurs bedrijf van de maatschap bezocht in verband met een onaangekondigde controle. Zij werden toen niet toegelaten tot de stallen en de wei. Hiervan zijn twee rapporten gedateerd 4 juli 2011 en 4 september 2012 opgesteld.

2.

Verordening (EG) nr. 1122/2009 van de Commissie van 30 november 2009 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem in het kader van de bij die verordening ingestelde regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers (…) luidt als volgt:

“ Artikel 26 – Algemene beginselen
1. De administratieve controles en de controles ter plaatse waarin deze verordening voorziet, worden zo uitgevoerd dat een doeltreffende verificatie wordt gegarandeerd van de naleving van de voorwaarden voor steunverlening en van de eisen en normen die relevant zijn in het kader van de randvoorwaarden.
2. Indien de landbouwer of zijn vertegenwoordiger de uitvoering van een controle ter plaatse verhindert, worden de betrokken steunaanvragen afgewezen.”

3.

Verweerder meent dat van een verhinderen in bovenbedoelde zin sprake is. Uit de rapporten blijkt immers dat appellanten niet de intentie hadden om de controle mogelijk te maken. Op zich is voorstelbaar dat het gevaar voor MRSA-besmetting [C] in verband met de geplande operatie huiverig maakte om de varkensstal in te gaan, maar daar staat tegenover dat zij de controleurs slechts toegang hoefde te verlenen en niet zelf de stal in hoefde te gaan. De argumenten die appellanten aanvoeren waarom zij niet meewerkte – slapende varkens, besmettingsgevaar en een gevaarlijke loslopende stier – duiden erop dat er geen bereidheid bestond om mee te werken. De controleurs hebben duidelijk gemaakt dat het feit dat zij – althans in de visie van appellanten – niet de stal in mochten totdat [A] en zijn zoon later in de middag terug waren, een verhindering van de controle was die ten koste kon gaan van de inkomenssteun. Nadat [C] met [A] had getelefoneerd, werd de controleurs te verstaan gegeven dat ook van [A] niet wilde dat zij de stal in gingen; zij moesten maar een afspraak maken. De controleurs bespraken daarop nogmaals de consequenties, maar appellante bleef volharden.

4.

Appellanten vinden echter dat zij de controle niet hebben verhinderd. Zij hebben er juist alles aan gedaan om de onaangekondigde controle, die op een ongelukkig tijdstip kwam, toch te laten doorgaan. Ten tijde van de controle was alleen [C] thuis en omdat zij in verband met een operatie vrij moest blijven van MRSA-bacterie kon zij de stallen, die op slot zaten, niet openen. Zij heeft de controleurs ook afgeraden om naar de koeien in de wei te gaan omdat er toen een agressieve stier bij liep. Terwijl de controleurs nog op het terrein waren heeft [C] hen gezegd dat haar man en zoon onderweg waren en binnen een half uur thuis zouden zijn. Dan zouden de controleurs de stallen en de wei in kunnen gaan. Na die mededeling zijn de controleurs desondanks weggegaan. Ook toen de zoon de controleurs, die op dat tijdstip nog in de buurt waren, belde, zijn zij niet naar het bedrijf teruggegaan. Dat de controle niet doorging is dus uitsluitend te wijten aan de onwil of gemakzucht van de controleurs. Appellanten vinden de volledige weigering van de bedrijfstoeslag onevenredig.

5.1 Het College overweegt als volgt. Voorop staat dat verweerder niet gehouden is om controles tevoren aan te kondigen. Uit de rapporten komt voorts naar voren dat de controleurs op 4 juli 2011 ongeveer een half uur op het bedrijf van appellanten zijn geweest en dat zij gedurende die tijd niet werden toegelaten tot de stal en wei die zij wilden controleren, waarna zij onverrichterzake zijn vertrokken. Het College twijfelt niet aan deze, voor de beoordeling van de vraag of de controle is verhinderd wezenlijke, elementen van de rapporten. Het College heeft de juistheid van de overige door partijen aangevoerde stellingen niet kunnen vaststellen, maar is van oordeel dat dat in het licht van het voorgaande ook niet hoeft.


5.2 De omstandigheden waarop appellanten zich beroepen rechtvaardigen niet dat zij de controleurs op 4 juli 2011 de toegang weigerden tot het bedrijf. In redelijkheid hadden appellanten hun immers de gelegenheid kunnen bieden om, zonder dat een der maten daar zelf bij aanwezig was, de stal in te gaan om de controle uit te voeren. Evenzeer hadden appellanten de controleurs redelijkerwijs de gelegenheid kunnen bieden om de wei in te gaan nadat zij hen zonodig erop hadden gewezen dat er in de wei een stier stond die gevaarlijk kon zijn. Dit hebben appellanten niet gedaan.

Het stond appellanten, als aanvragers van bedrijfstoeslag, niet vrij eenzijdig te beslissen, dat de controleurs de stal en de weide niet mochten betreden en dat controles alleen in het bijzijn van bepaalde maten van de maatschap zouden kunnen plaatsvinden.
Appellanten hadden hun aarzelingen aan de controleurs uiteen kunnen zetten en daarna met hen kunnen overleggen of daarvoor oplossingen gevonden konden worden. In plaats daarvan hebben zij de controleurs op het moment dat deze toegang verlangden om hun controle te kunnen uitvoeren, die toegang onthouden. Aldus hebben zij gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 5:20, gelezen in samenhang met artikel 5:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voorzover het niet om een woning gaat mag een controleur iedere plaats betreden en moet een ieder daarbij alle medewerking verlenen die de controleur redelijkerwijs kan vorderen. Door het onthouden van die medewerking hebben appellanten de controle verhinderd.

5.3

Appellanten en enkele familieleden hebben bij de notaris onder ede een aantal verklaringen over het gebeurde afgelegd, die zij in bezwaar aan verweerder hebben overgelegd. In die verklaringen wordt niet ontkend, dat de controleurs de door hen gevraagde toegang is geweigerd en dat hun is medegedeeld, dat zij niet eerder toegang zouden krijgen, dan wanneer de overige maten van de maatschap daarbij aanwezig konden zijn. Daarmee is medewerking geweigerd aan de controle, zoals de controleurs zich die hadden voorgenomen.

5.4

Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. De belangenafweging op grond van artikel 3:4, eerste lid, Awb vindt plaats voor zover niet uit een wettelijk voorschrift een beperking voortvloeit. Uit artikel 26, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 volgt dwingend dat een landbouwer die een controle verhindert volledig van steun moet worden uitgesloten. Hierbij is geen ruimte gelaten voor een belangenafweging. Verweerder is gebonden aan het Europese sanctiestelsel en is niet bevoegd hiervan af te wijken.

5.5

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. E. van Kerkhoven als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 november 2013.

w.g. W.E. Doolaard w.g. E. van Kerkhoven