Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:246

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
07-11-2013
Datum publicatie
25-11-2013
Zaaknummer
AWB 12/558
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Handelsregisterwet

Wetsverwijzingen
Handelsregisterwet 2007
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2014/16
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 12/558

24300

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2013 in de zaak tussen

[A] B.V., appellante

(gemachtigde: L.J. de Bil),

en

Kamer van Koophandel Zuidwest-Nederland, verweerster

(gemachtigde: C.P. Ansems en J. Hamacher).

Procesverloop

Bij factuur van 2 februari 2012 (het primaire besluit) heeft verweerster appellante de jaarlijkse bijdrage handelsregister over het jaar 2012 in rekening gebracht.

Bij besluit van 27 april 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van appellante dat was gericht tegen de jaarlijkse bijdrage handelsregister 2012 gegrond verklaard. Verweerster heeft daarbij het besluit van 2 februari 2012 herroepen en heeft appellante alleen de bijdrage voor Registreren en de SER opslag in rekening gebracht. Voorts heeft verweerster het bezwaar van appellante gericht tegen de bijdrage handelsregister over de voorafgaande jaren niet-ontvankelijk verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2013.

Namens appellante is, zoals vooraf aangekondigd, niemand verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden.

Overwegingen

1.

Bij factuur van 2 februari 2012 heeft verweerster appellante de jaarlijkse bijdrage handelsregister over het jaar 2012 in rekening gebracht. Blijkens deze factuur is appellante ingedeeld in tariefgroep 6. De jaarlijkse bijdrage bedraagt in totaal € 127,19.

Bij het bestreden besluit heeft verweerster het bezwaar van appellante over 2012 gegrond verklaard omdat het bedrijf ten onrechte niet was ingedeeld in de categorie Pensioenvennootschappen. Het bezwaar van appellante gericht tegen de facturen over de voorafgaande jaren heeft verweerster niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet tijdig is ingediend. Coulancehalve heeft verweerster het gedeelte van de jaarlijkse bijdrage handelsregister over het jaar 2011 dat appellante teveel heeft betaald, gerestitueerd.

2.

Het College stelt vast dat het beroep geen betrekking heeft op de jaarlijkse bijdragen handelsregister over 2011 en 2012. Partijen verschillen van mening over de vraag of verweerster de jaarlijkse bijdragen over de acht voorgaande jaren (alsmede kosten van de gerechtsdeurwaarder) moet restitueren. Volgens appellante heeft verweerster het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

3.

Het College overweegt als volgt.

In het bezwaarschrift verzoekt appellante verweerster om het bedrag voor de jaarlijkse bijdrage handelsregister 2012 te herzien, alsmede dit ook met terugwerkende kracht voor de voorgaande jaren te doen. Naar het oordeel van het College had verweerster dit verzoek moeten opvatten als een verzoek terug te komen van de eerdere besluiten die betrekking hebben op de jaarlijkse bijdrage handelsregister. Immers, zoals het College eerder heeft overwogen (zie onder andere de uitspraak van 28 september 2010 (AWB 09/1030, ECLI:NL:CBB:2010:BN9209) staat geen rechtsregel eraan in de weg dat een bestuursorgaan terugkomt van een door hem genomen besluit, dat naar nationaal recht definitief is geworden, zelfs niet indien geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Indien het bestuursorgaan weigert van een definitief geworden besluit terug te komen, dient echter de bestuursrechter het oorspronkelijke besluit tot uitgangpunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden van het oorspronkelijke besluit terug te komen. Daarbij ligt het op de weg van de indiener van het verzoek om zodanige feiten of omstandigheden naar voren te brengen.

Verweerster heeft derhalve ten onrechte besloten tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van appellante. Verweerster dient alsnog een (primair) besluit te nemen op het verzoek van appellante. Daarbij dient verweerster te betrekken dat, zoals namens verweerster ter zitting van het College te kennen is gegeven, sinds 2008 zogenaamde 'pensioen- en stamrecht-bv’s' in aanmerking komen voor de verlaagde jaarlijkse bijdrage handelsregister omdat deze vennootschappen niet rechtstreeks deelnemen aan het economisch verkeer. Ter zitting is echter niet komen vast te staan dat appellante overeenkomstig de handelwijze van verweerster hierover is geïnformeerd. Alvorens een besluit te nemen zal verweerster appellante eerst in de gelegenheid moeten stellen haar verzoek nader te onderbouwen.

4.

Het beroep is gegrond en het College vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk is verklaard. Verweerster zal naar aanleiding van het verzoek van appellante om herziening van de jaarlijkse bijdragen handelsregister over de jaren voorafgaand aan 2011 een primair besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.


5. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, bepaalt het College dat verweerster aan appellante het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard;

  • -

    draagt verweerster op een primair besluit te nemen op het verzoek van appellante met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerster op het betaalde griffierecht van € 310,- aan appellante te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 november 2013.

w.g. M.M. Smorenburg w.g. P.M. Beishuizen