Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:237

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
01-11-2013
Datum publicatie
19-11-2013
Zaaknummer
AWB 13/252
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

perceelsoppervlakte, geen besluit in de zin van 1:3 Awb

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 13/252

40100

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 november 2013 in de zaak tussen

[A], te [woonplaats], appellant

(gemachtigde: mr. J.T.A.M. van Mierlo)

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigden: R. Weltevreden en mr. E.L.G.M. Boumans).

Procesverloop

Bij brief van 13 december 2012 heeft verweerders Dienst Regelingen (DR) appellant bericht over de oppervlakte van zijn percelen voor 2011.

Bij besluit van 1 maart 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaarschrift van appellant tegen deze brief niet-ontvankelijk verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2013.

Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door genoemde gemachtigden.

Overwegingen

1.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van appellant niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft overwogen dat de brief van 13 december 2012, waarin de perceelsregistratie voor 2011 wordt weergegeven (de brief), geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De brief leidt immers niet tot rechtsgevolgen, omdat de bedrijfstoeslag op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 voor 2011 al volledig is uitgekeerd en in de brief geen uitspraak wordt gedaan over het opleggen van een boete in het kader van de Meststoffenwet. Dat appellant thans in onzekerheid verkeert over zijn perceelsoppervlakte maakt het voorgaande niet anders. Indien en voor zover in de toekomst besluitvorming in het kader van de Meststoffenwet aan de orde zou zijn, heeft appellant op dat moment gelegenheid om een zienswijze in te dienen en eventueel bezwaar te maken tegen dergelijke besluitvorming. In dat kader kan hij dan aantonen dat hij grotere percelen in gebruik heeft gehad en wordt daarmee alsnog rekening gehouden.

2.

Appellant voert aan dat de brief wel degelijk rechtsgevolgen heeft en daarom als een appellabel besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb moet worden aangemerkt. Enkele percelen zijn namelijk in de brief niet meegenomen en andere percelen zijn met een andere oppervlakte vastgesteld. In het bestreden besluit wordt geen verklaring gegeven voor deze verschillen ten opzichte van de beslissing tot vaststelling van de bedrijfstoeslag over 2011. Daarnaast heeft de brief wel degelijk gevolgen in het kader van de Meststoffenwet, omdat de perceelsoppervlakten hierin zijn vastgelegd en de zienswijze over het voornemen om een boete wegens overtreding van de Meststoffenwet op te leggen geen invloed zal hebben op de vraag welke perceelsoppervlakten dan aan de orde zijn. Bovendien kan een landbouwer niet met terugwerkende kracht er voor zorgen dat aan de gebruiksnormen van de Meststoffenwet is voldaan.

3.1

Ter beoordeling staat of verweerder in het bestreden besluit het bezwaarschrift van appellant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het College overweegt daarover als volgt.

3.2

Met de brief heeft verweerder appellant bericht over de registratie van zijn percelen voor 2011. De brief volgt op een eerder besluit van verweerder waarin het bezwaarschrift van appellant tegen de vaststelling van zijn bedrijfstoeslag over 2011 niet-ontvankelijk is verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Aan dat besluit ligt ten grondslag dat appellant al zijn toeslagrechten in 2011 al had verzilverd en een andere perceelsregistratie niet tot uitbetaling van meer toeslagrechten zou kunnen leiden. In dat besluit is door verweerder aangekondigd dat de opmerkingen van appellant over de omvang van zijn percelen nog zullen worden bekeken. In de brief zijn de oppervlakten van de percelen van appellant vermeld, zoals deze zijn geregistreerd door DR na verwerking van deze opmerkingen. Verweerder wijst er daarbij op dat deze oppervlakten niet gelden voor de bedrijfstoeslag over 2011, maar wel voor de mestwetgeving 2011.

3.3

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is een handeling gericht op rechtsgevolg, dat wil zeggen op het vaststellen, wijzigen of opheffen van een rechtsverhouding.


3.4 Het College is van oordeel dat de brief geen besluit is in de zin van de Awb, omdat uit deze brief geen rechtsgevolgen voortvloeien.

De brief roept geen rechtsgevolgen in het leven met betrekking tot de bedrijfstoeslag van appellant over 2011. Verweerder heeft daarover reeds eerder een besluit genomen, waarin aan appellant de maximale bedrijfstoeslag is toegekend. Dit besluit staat in rechte vast. Dat er met betrekking tot de percelen en de perceelsoppervlakte mogelijk verschillen bestaan tussen dit besluit en de brief, brengt hierin juridisch geen wijziging.

Verweerder heeft in de brief opgemerkt dat de daarin vermelde oppervlakten niet gelden voor de bedrijfstoeslag voor 2011 maar wel voor de mestwetgeving 2011. Hoewel deze opmerking de indruk kan wekken dat dit anders ligt, is het College van oordeel dat de brief evenmin rechtsgevolgen in het leven roept in het kader van de meststoffenwetgeving. Bij eventuele overtreding van de gebruiksnormen in het kader van de meststoffenwetgeving, waarbij de perceelsoppervlakte landbouwgrond van belang is, wordt daarover op grond van die wetgeving een apart (sanctie)besluit genomen, waartegen bezwaar en beroep kan worden ingesteld. Ook als verweerder bij die besluitvorming terugvalt op de perceelsoppervlakte zoals deze is geregistreerd in de brief, betekent dit niet dat deze registratie als vaststaand heeft te gelden voor zover het gaat om de oppervlaktevaststelling in het kader van de meststoffenwetgeving. Zoals verweerder ook heeft aangegeven, kan de vaststelling van landbouwgrond in het kader van een dergelijk besluit betreffende de Meststoffenwet – voor zover deze vaststelling in dat besluit aan de orde is – opnieuw ter discussie worden gesteld. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij dan wat betreft het aspect van de perceelsoppervlakte landbouwgrond in relatie met de meststoffenwetgeving in een onmogelijke (bewijs)positie komt en een zinvolle discussie daarover illusoir is, indien het geschil met betrekking tot dat aspect niet reeds in het kader van de brief in rechte kan worden uitgevochten. Hoewel niet ontkend kan worden dat appellant er belang bij heeft om in een zo vroeg mogelijk stadium duidelijkheid te krijgen over de uitkomst van die discussie met het oog op de meststoffenwetgeving, kan deze omstandigheid niet leiden tot de conclusie dat de brief op rechtsgevolg is gericht en dat verweerder het bezwaar van appellante ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

3.5

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. J. van Santvoort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 november 2013.

S.C. Stuldreher J. van Santvoort