Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:232

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-11-2013
Datum publicatie
18-11-2013
Zaaknummer
AWB 12/596
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

intrekking van een erkenning met terugwerkende kracht, buiten behandeling stelling van de aanvragen die voor de ex-leden is gedaan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: AWB 12/596

Uitspraak van de meervoudige kamer van 8 november 2013 in de zaak tussen

Coöperatieve Telersvereniging Batavia U.A., te Barendrecht,

appellante

gemachtigde: mr. H.J. van der Hauw, advocaat te IJmuiden

en

het Productschap Tuinbouw, verweerder,

gemachtigde: mr. R.J.M. van den Tweel, advocaat te Den Haag

Procesverloop

Bij besluiten van 13 oktober 2011 (de primaire besluiten) heeft verweerder aanvragen van appellante om aanvullende steun en steun uit een actiefonds in verband met de EHEC-crisis buiten behandeling gesteld.

Bij besluit van 14 juni 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren gericht tegen bovengenoemde besluiten ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Op 30 januari 2013 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen door hun gemachtigden zijn vertegenwoordigd. Voor appellante is tevens verschenen de heer [A].

Overwegingen

1.

Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft.

1.1

Het College gaat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2

Appellante is een producentenorganisatie voor telers van groenten en fruit. Zij is als producentenorganisatie door verweerder erkend bij besluit van 31 augustus 2006. Na een tijdelijke schorsing is de erkenning van appellante bij besluit van 10 oktober 2011 definitief ingetrokken met ingang van 1 januari 2010. Aan de intrekking van de erkenning is ten grondslag gelegd dat appellante opzettelijk dan wel uit grove nalatigheid een ernstige inbreuk op de erkenningscriteria heeft gepleegd. Het bezwaar van appellante gericht tegen de intrekking van de erkenning als producentenorganisatie is bij besluit van 20 april 2012 door verweerder ongegrond verklaard. Het tegen dit besluit ingestelde beroep heeft het College bij uitspraak van 6 september 2013 (ECLI:NL:CBB:2013:103) ongegrond verklaard.

1.3

De hier aan de orde zijnde aanvragen van appellante, een aanvraag om aanvullende steun en een aanvraag om steun uit het actiefonds in verband met de EHEC-crisis, daterend van 11 juli 2011, zijn bij besluiten van 13 oktober 2011 – na de intrekking van de erkenning van appellante als producentenorganisatie bij besluit van 10 oktober 2011– buiten behandeling gesteld. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt. Vervolgens is het bestreden besluit genomen.

1.4

Voor de buitenbehandelingstelling van de aanvragen om steun in verband met de EHEC-crisis heeft verweerder als motivering gegeven dat alleen erkende producentenorganisaties deze steun konden aanvragen. Nu appellante, vanwege de intrekking van de erkenning met ingang van 1 januari 2010, ten tijde van de aanvragen geen erkende producentenorganisatie was zijn de aanvragen om steun niet in behandeling genomen.

1.5

Appellante heeft in beroep aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en de verplichting van een zorgvuldige belangenafweging is genomen, nu de lopende procedure inzake de intrekking van de erkenning niet is afgewacht. Omdat die beslissing nog niet onherroepelijk was zijn de aanvragen ten onrechte buiten behandeling gesteld. Verder heeft appellante aangevoerd dat de buiten behandeling stelling geen stand kan houden, omdat de intrekking van de erkenning niet gerechtvaardigd is. Het besluit is om die reden eveneens onrechtmatig.

1.6

Het College komt tot het volgende oordeel.

1.6.1

In Verordening (EG) nr. 585/2011 (Vo 585/2011) waarin de tijdelijke steunmaatregelen ten behoeve van de EHEC-crisis zijn neergelegd is in artikel 1 bepaald dat van 26 mei 2011 tot en met 30 juni 2011 met betrekking tot bepaalde voor verse consumptie bestemde producten van de sector groenten en fruit buitengewone steun wordt verleend aan erkende producentenorganisaties en aan producenten die geen lid zijn van die organisaties. Op grond van artikel 8 van Vo 585/2011 konden aanvragen uiterlijk 11 juli 2011 worden ingediend. De steun had uiterlijk 15 oktober 2011 uitbetaald moeten worden, door verweerder.

1.6.2

Vanwege de terugwerkende kracht van het besluit van 10 oktober 2011 waarbij de erkenning is ingetrokken moet appellante worden geacht in de in artikel 1 van Vo 585/2011 genoemde periode en tijdens de indiening van de aanvragen om steun op 11 juli 2011 niet erkend te zijn geweest. De vraag is vervolgens of de aanvragen om die reden buiten behandeling konden worden gesteld. Vo 585/2011 biedt daarvoor geen grondslag. Ook Verordening (EG) nr. 1234/2007 (verder: Vo 1234/2007), waarin bepalingen zijn opgenomen ten behoeve van een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten, waaronder bepalingen ten aanzien van productenorganisaties en maatregelen voor specifieke noodsituaties zoals de EHEC-steun, en de Uitvoeringsverordening (EG) nr. 543/2011 bieden een dergelijke grondslag niet. De rechtmatigheid van de besluiten om de aanvragen niet te behandelen moet daarom worden beoordeeld op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), waarin de bevoegdheid om een aanvraag niet te behandelen is neergelegd. In het eerste lid van artikel 4:5 van de Awb is bepaald dat die bevoegdheid bestaat indien a. de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, b. de aanvraag geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15 van de Awb of c. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking. Daarbij is bepaald dat de aanvraag alleen buiten behandeling kan worden gelaten als de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan te stellen termijn aan te vullen. Op grond van het vierde lid van artikel 4:5 van de Awb moet een besluit om een aanvraag niet te behandelen aan de aanvrager bekend worden gemaakt binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Het College concludeert dat ook als de (latere) intrekking van de erkenning van appellante als producentenorganisatie zou inhouden dat niet werd voldaan aan een voor het in behandeling nemen van de aanvragen wettelijk vereiste, er sprake is van een situatie waarin het verzuim niet door appellante kan worden hersteld; het betreft immers het ontbreken van de erkenning. Onder die omstandigheden kan de aanvraag niet op grond van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling worden gesteld. Deze laatste bepaling ziet immers slechts op naar hun aard herstelbare gebreken. Dat leidt tot de conclusie dat verweerder ten onrechte de aanvragen buiten behandeling heeft gesteld. Het beroep van appellante gericht tegen de buiten behandeling stelling van deze steunaanvragen is om die reden gegrond en het besluit van 14 juni 2012 zal worden vernietigd.

1.6.3

Het College kan in dit geval niet zelf in deze zaak voorzien, zoals bedoeld in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb. Daartoe wordt het volgende overwogen. Vastgesteld wordt dat de erkenning als producentenorganisatie op grond van Vo 585/2011 weliswaar een voorwaarde is voor indiening van de aanvraag áls dat door een producentenorganisatie wordt gedaan, maar dat de erkenning als producentenorganisatie geen voorwaarde is voor toekenning van de steun. Deze specifieke steun van de Unie komt volgens artikel 1 van Vo 585/2011 immers ook toe aan niet-georganiseerde producenten die schade hebben geleden. Het gaat in dit geval dus niet om steun die alleen aan erkende producentenorganisaties toekomt. Het kunnen aanvragen van steun is in de verordening ook niet beperkt tot erkende producentenorganisaties, en de verordening biedt dan ook de mogelijkheid steun rechtstreeks aan producenten uit te betalen. Uit de systematiek van de verordening moet worden afgeleid dat louter uit het oogpunt van stroomlijning van de aanvragen om steun is bepaald dat indien producenten zijn aangesloten bij een erkende producentenorganisatie, deze organisatie namens hun leden de aanvragen moet indienen. Appellante heeft, conform die systematiek, namens haar leden de aanvragen om steun gedaan op 11 juni 2011. Door de intrekking van de erkenning als producentenorganisatie met terugwerkende kracht bij besluit van 10 oktober 2011, dienen de leden van appellante achteraf vanaf 1 januari 2010 te worden beschouwd als niet-leden. Zij konden immers vanaf die datum niet meer aangesloten zijn bij appellante. Zoals zojuist door het College is vastgesteld zijn de namens hen gedane (gebundelde) aanvragen om steun in verband met de EHEC-crisis ingediend op 11 juni 2011 (dus tijdig), ten onrechte buiten behandeling gesteld. Het niet-aangesloten zijn bij een erkende producentenorganisatie is op grond van Vo 585/2011 geen reden voor afwijzing van de aanvraag, maar over overige informatie op grond waarvan een oordeel gegeven kan worden over de inwilligbaarheid van de aanvragen beschikt het College niet. Verweerder zal daarom alsnog een inhoudelijk oordeel moeten geven over het recht op vergoeding van de in de Vo 585/2011 bedoelde schade. De besluiten van 13 oktober 2011 zullen worden herroepen. Voorafgaand aan de inhoudelijke beoordeling zullen de (inmiddels ex-)leden van appellante in de gelegenheid moeten worden gesteld zo nodig hun aanvragen aan te vullen, zodat zij niet benadeeld worden door de intrekking van de erkenning van appellante met terugwerkende kracht.

1.7

Het College ziet geen aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten. Het beroep in deze zaken is gelijktijdig en op vergelijkbare gronden ingediend met 4 andere beroepen gericht tegen de buiten behandeling stelling van aanvragen. Op grond van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden zij daarom als samenhangend met die beroepen beschouwd. In de uitspraak van 6 september 2013 is daarvoor reeds een proceskostenvergoeding toegekend, waarbij is uitgegaan van de vermenigvuldigingsfactor 1,5 die op grond van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (ten hoogste) wordt toegepast indien het gaat om vier of meer samenhangende beroepen. In de uitspraak van 6 september 2013 is ook reeds bepaald dat het voor de samenhangende beroepen betaalde griffiegeld moet worden terugbetaald door verweerder.

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep in de zaak 12/596 gegrond;

- vernietigt het besluit van 14 juni 2012;

- herroept de besluiten van 13 oktober 2011;

- bepaalt dat verweerder de aanvragen van 11 juni 2011 alsnog in behandeling neemt, en vóór 15 februari 2014 een besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van deze uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, mr. R.F.B. van Zutphen en mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. A.G.J. van Ouwerkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 november 2013.

w.g. M. Munsterman w.g. A.G.J. van Ouwerkerk