Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:222

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
05-11-2013
Datum publicatie
11-11-2013
Zaaknummer
AWB12/550 AWB 12/1034
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

vliegvelden

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 12/550 en 12/1034

5101

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2013 in de zaak tussen

maatschap [A], [B] en [C], te [vestigingsplaats], appellante

(gemachtigde: mr. P.M.E.P.J. Joosten),


en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigden: mr. E.L.G.M. Boumans en bc. R. Weltevreden).

Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2011 heeft verweerder de bedrijfstoeslag 2010 van appellante op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling) vastgesteld. Bij besluit van 23 april 2012 heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.


Bij besluit van 4 mei 2012 heeft verweerder de bedrijfstoeslag 2011 van appellante op grond van de Regeling vastgesteld. Bij besluit van 18 september 2012 heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen de besluiten van 23 april 2012 en 18 september 2012 en verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2013. Voor appellante is verschenen haar gemachtigde en [B] voornoemd. Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Appellante vraagt uitbetaling van haar bedrijfstoeslag over 2010 en 2011 voor de op [D] gelegen percelen grasland.

2.

Appellante heeft de op het vliegveld gelegen percelen “onder protest” teruggetrokken uit haar op 2011 betrekking hebbende aanvraag, teneinde het risico te vermijden dat haar, bij afwijzing van deze percelen, over dat jaar een korting zou worden opgelegd.

3.1

Artikel 34, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, luidde ten tijde en voor zover van belang:

“ 2. Voor de toepassing van deze titel wordt onder „subsidiabele hectare” verstaan:
a) om het even welke landbouwgrond van het bedrijf, (…), die wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit of die, indien de grond ook voor niet-landbouwactiviteiten gebruikt, overwegend voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt (…)

3.2

Artikel 9 van Verordening (EG) nr. 1120/2009 van de Commissie van 29 oktober 2009 houdende bepalingen voor de uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling waarin is voorzien bij titel III van Verordening (EG) nr. 73/2009 luidt voor zover hier van belang:

“ Overwegend gebruik voor landbouwdoeleinden
Voor de toepassing van artikel 34, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 73/2009 wordt landbouwgrond van een bedrijf die ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, aangemerkt als overwegend voor landbouwdoeleinden gebruikte grond indien het uitoefenen van de landbouwactiviteit geen noemenswaardige hinder ondervindt van de intensiteit, de aard, de duur en de planning van de niet-landbouwactiviteiten. (…)”

3.3

Met terugwerkende kracht tot 1 januari 2010 is op 1 januari 2011 artikel 21a, vierde lid, van de Regeling in werking getreden. Dit artikellid luidt, voor zover van belang,:

“ Indien naar het oordeel van de minister blijkt dat een perceel (…) geheel of ten dele kennelijk niet voor de uitvoering van de landbouw wordt gebruikt of beschikbaar gehouden, dan komt de desbetreffende oppervlakte niet in aanmerking als subsidiabele landbouwgrond (…)”

4.1

Volgens verweerder zijn de door appellante opgegeven percelen niet subsidiabel, zodat op basis daarvan geen uitbetaling van toeslagrechten kan plaatsvinden. Verweerder stelt zich – samengevat weergegeven – op het volgende standpunt.

4.2

Primair zijn de percelen niet als landbouwgrond aan te merken. Op grond van artikel 21a, vierde lid, van de Regeling komt een perceel niet voor steun in aanmerking, indien het naar het oordeel van verweerder niet voor de uitvoering van landbouw beschikbaar wordt gehouden. De betreffende percelen zijn rondom de landings- en startbanen gelegen en zijn gelet op de gebruikelijke betekenis van het begrip ‘vliegveld’ niet anders te duiden dan als onderdeel van een vliegveld. Een vliegveld heeft eerst en vooral een luchtverkeerskundige c.q. infrastructurele functie en bestemming. Verweerder verwijst daarnaast naar de site van het Joint Research Center (JRC), het Gemeenschappelijk Onderzoeksbureau van de Europese Commissie, waaruit kan worden geconcludeerd dat terreinen op een vliegveld als niet-landbouwgrond moeten worden beschouwd. Tevens heeft de Europese Commissie bij diverse audits erop gewezen dat de lidstaat Nederland ten onrechte percelen grasland op vliegvelden als landbouwgrond heeft aangemerkt, gegeven de functie en de bestemming van die oppervlakten. Deze opvatting van de Commissie blijkt ook uit overweging 13 van de ontwerpverordening voor de directe betalingen aan landbouwers van 2014 tot en met 2020.

4.3

Subsidiair exploiteert appellante volgens verweerder de percelen niet voor eigen rekening en risico. Zij is voor het betreden van de percelen namelijk de facto afhankelijk van toestemming van de havenmeester en heeft dus onvoldoende autonomie. Daarnaast is [D] als verpachter verantwoordelijk voor het beheer van het vliegveld.

4.4

Meer subsidiair staat artikel 9 van Verordening (EG) nr. 1120/2009 in de weg aan toekenning van bedrijfstoeslag omdat de intensiteit van het vliegverkeer dusdanig is dat niet gesteld kan worden dat de landbouwactiviteit op de genoemde percelen daarvan geen noemenswaardige hinder ondervindt.

4.5

Volgens verweerder heeft appellante geen procesbelang voor de op 2011 betrekking hebbende beroepszaak. Zij heeft immers de op het vliegveld gelegen perceel uit haar aanvraag voor dat jaar teruggetrokken en haar aldus resterende aanvraag is volledig gehonoreerd.

5.1

Appellante voert – samengevat weergegeven – aan dat zij de percelen overwegend voor landbouwactiviteiten gebruikt. De percelen, ruim 20 ha, zijn destijds gekocht door [D] ten behoeve van uitbreiding. Deze is er echter nooit gekomen, zodat thans de percelen beschikbaar zijn als blijvend grasland voor de landbouw. Appellante pacht deze percelen gedurende het gehele jaar en draagt het economisch risico van de teelt. De landbouwactiviteiten ondervinden als gevolg van het feit dat de percelen op ruime afstand zijn gelegen van de landingsbaan geen hinder van al dan niet drukke vliegbewegingen op het vliegveld.

5.2

Appellante beheert de percelen: er gelden wel enige instructies maar die gaan niet zover dat appellante onvoldoende autonoom is in het gebruik van de gronden. Appellante bewerkt, onderhoudt, bemest en oogst de percelen en bepaalt zelf welke werkzaamheden op de gronden plaatsvinden en wanneer dat gebeurt. Bij appellante rust de feitelijke beschikkingsmacht. Verweerder heeft ten onrechte nagelaten het feitelijke gebruik en de feitelijke beschikkingsmacht te onderzoeken.

5.3

Appellante heeft op deze percelen altijd toeslagrechten ontvangen. Vanuit het oogpunt van rechtszekerheid is het niet toelaatbaar om een beleidswijziging als hier aan de orde met terugwerkende kracht door te voeren. Appellante kon bij de opgave van 2010 niet anticiperen op het gewijzigde beleid, dat immers toentertijd nog niet bekend was gemaakt.

5.4

Appellante meent dat de ter discussie staande percelen onveranderd behoren tot haar aanvraag, zodat zij ook bij haar op 2011 betrekking hebbende beroepszaak procesbelang heeft.

6.1.1

Het is een ongeschreven regel van procesrecht dat geen rechtsgeding kan worden gevoerd waar geen belang bij bestaat. Het doel dat de belanghebbende met het instellen van het rechtsmiddel wil bereiken, moet hij ook daadwerkelijk kunnen bereiken en dat resultaat moet voor de indiener feitelijk betekenis hebben en niet alleen hypothetische.

6.1.2

Appellante heeft de op het vliegveld gelegen percelen uit de aanvraag voor 2011 “onder protest” teruggetrokken om het risico te vermijden dat haar bij afkeuring van deze percelen een korting zou worden opgelegd. Het College is van oordeel dat hierdoor deze percelen niet langer deel uitmaken van haar aanvraag. De regelgeving staat het niet toe dat de aanvraag (nog) wordt uitgebreid. Dat betekent dat appellante de bedrijfstoeslag over de hier van belang zijnde percelen voor 2011 definitief heeft prijs gegeven. Dat dit “onder protest” is gebeurd, doet daaraan niet af. Appellante kan derhalve met haar beroep niet meer bereiken dat haar voor 2011 bedrijfstoeslag voor de op het vliegveld gelegen percelen wordt verleend. Appellante mist daarom procesbelang bij haar beroep tegen het besluit van 18 september 2012. Het College sluit hierbij aan bij de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 november 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BU3138). Dit beroep is niet-ontvankelijk.

6.2

Anders dan verweerder is het College van oordeel dat de verordeningen en de Regeling percelen gelegen op een vliegveld niet als zodanig uitsluiten van bedrijfstoeslag. Hetgeen verweerder heeft aangevoerd over het standpunt van de Europese Commissie en toekomstige verordeningen doet niet af aan de regelgeving die voor de jaren 2010 van toepassing was.

6.3

Voor de vraag of de opgegeven percelen in overwegende mate voor landbouwactiviteiten in gebruik zijn, is het feitelijk gebruik daarvan bepalend. Niet in geschil is dat appellante op de percelen gras heeft gemaaid en geoogst. Verweerder heeft nagelaten onderzoek te doen naar de vraag of appellante deze landbouwactiviteiten volledig en zonder beperkingen kon uitvoeren. Hierbij overweegt het College dat de feiten en omstandigheden zoals deze thans naar voren zijn gekomen onvoldoende aanleiding geven voor het oordeel dat het uitgesloten is dat de percelen als landbouwgrond worden gebruikt en beheerd. Het besluit van 23 april 2012 is daarom in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en komt voor vernietiging in aanmerking. Het College draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 juli 2011 te beslissen binnen zes weken na de datum van deze uitspraak.

7.

Het College ziet aanleiding om verweerder op grond van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door appellante gemaakte proceskosten. Op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten voor verleende rechtsbijstand vastgesteld op

€ 944,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt van € 472,-). De reiskosten van appellante naar de zitting van het College op basis van openbaar vervoer zijn vastgesteld op € 47,60 (retour [vestigingsplaats] - Den Haag).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep onder nummer 12/1034 niet-ontvankelijk;

  • -

    het beroep onder nummer 12/550 gegrond en vernietigt het besluit van 23 april 2012;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 5 juli 2011 met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 991,60;

  • -

    draagt verweerder op het in het beroep onder nummer 12/550 betaalde griffierecht van € 310,- aan appellante te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. E. van Kerkhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 november 2013.

w.g. R.C. Stam w.g. E. van Kerkhoven