Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:214

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-10-2013
Datum publicatie
31-10-2013
Zaaknummer
AWB 12/1059
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ontvangst meldingsformulier tijdelijke overdracht fabrieksquotum

Wetsverwijzingen
Regeling superheffing 2008
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: AWB 12/1059
10830

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 oktober 2013 in de zaak tussen

Melkveebedrijf [A] (melkveebedrijf), te [vestigingsplaats] en [B] ([B]), te [woonplaats], hierna ook: appellanten

(gemachtigde: T. Strijkveen)


en

het Productschap Zuivel, verweerder,

(gemachtigde: mr. A.C.R. Geelen).

Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek om registratie van een tijdelijke overdracht van een quotum voor leveringen met ingang van de heffingsperiode 2011/2012 door het melkveebedrijf aan [B] afgewezen.

Bij besluit van 3 oktober 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellanten ongegrond verklaard.

Appellanten hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2013. Voor appellanten en verweerder zijn hun gemachtigden verschenen.

Overwegingen

1.

Bij formulier ‘Melding tijdelijke overdracht fabrieksquotum 2011/2012’ met nummer QL546697 en gedateerd 14 februari 2012 (ook: het meldingsformulier) hebben appellanten verzocht om bovenvermelde registratie. Dit verzoek is afgewezen.

2.

Verweerder geeft aan dat artikel 6, derde lid, van de Regeling superheffing 2008 en artikel 9 van de Zuivelverordening uitvoering Regeling superheffing 2008 bepalen dat het verzoek tot registratie van een tijdelijke overdracht van een individueel quotum vóór 16 februari 2012 moet worden ingediend op een door verweerder voorgeschreven formulier. Het meldingsformulier is eerst met het faxbericht van de gemachtigde van appellanten van 23 maart 2012 ontvangen. Met het overleggen van een bewijs van geregistreerde verzending, gedateerd 13 februari 2012, van een poststuk is niet aangetoond dat het meldingsformulier vóór 16 februari 2012 is ingediend: het poststuk bevatte meerdere formulieren en een begeleidend schrijven waaruit kan blijken dat het meldingsformulier was bijgevoegd, ontbreekt. De regelgeving voorziet niet in een bevoegdheid van verweerder om af te wijken van de voorgeschreven termijn.

3.

Appellanten voeren het volgende aan. Op 13 februari 2012 heeft de gemachtigde een aantal registratieformulieren in één envelop aangetekend naar verweerder gezonden. De andere formulieren zijn blijkbaar tijdig binnengekomen en zijn door verweerder verwerkt. De gemachtigde is er zeker van dat het meldingsformulier ook is meegezonden. Als gevolg van het besluit van verweerder lijden appellanten een schade van € 5.289,60. Zij zullen verweerder daarvoor aansprakelijk stellen.

4.1

De hiervoor onder 2 genoemde wettelijke bepalingen schrijven inderdaad voor dat een melding als hier in geding met het daarvoor bestemde formulier vóór 16 februari 2012 moet zijn gedaan, zoals verweerder heeft gesteld. In geschil is of het meldingsformulier vóór die datum is ingediend. Daarover overweegt het College als volgt.



4.2 Op appellanten rust de last te bewijzen dat het meldingsformulier tijdig is ingediend. Naar het oordeel van het College zijn appellanten er met het door hen daartoe overgelegde, op 13 februari 2012 gedateerde verzendbewijs, en de door hen geschetste gang van zaken rond de verzending van het meldingsformulier niet in geslaagd aannemelijk te maken dat zij het meldingsformulier vóór
16 februari 2012 hebben ingediend. Appellanten hebben gesteld dat zij met de zending waarop genoemd verzendbewijs betrekking heeft, in totaal drie meldingformulieren tegelijk aan verweerder hebben toegezonden. Het verzendbewijs bewijst op zich zelf echter niet dat het meldingsformulier deel uitmaakte van deze zending. Een begeleidende brief of een ander bewijsmiddel waarmee dit aannemelijk wordt gemaakt, ontbreekt. Uit de in het bezwaarschrift uiteengezette gang van zaken rond de datering, ondertekening en het verzendklaar maken van het meldingsformulier, zoals nader toegelicht ter zitting bij het College, komt naar voren dat het meldingsformulier in deze opzichten een andere weg heeft gevolgd dan de twee andere formulieren, die – naar tussen partijen niet in geschil is – wel door verweerder zijn ontvangen. Naar het oordeel van het College laat deze gang van zaken te veel ruimte voor de mogelijkheid dat het meldingsformulier (abusievelijk) niet met de twee andere formulieren in dezelfde enveloppe terecht is gekomen.

4.3

Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. E. van Kerkhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2013.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. E. van Kerkhoven