Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:212

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-10-2013
Datum publicatie
31-10-2013
Zaaknummer
AWB 12/1141
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betreft beroep tegen niet tijdig nemen van een besluit. Een dergelijke procedure staat niet open tegen het niet aanhangig maken van een tuchtprocedure door de voorzitter van het Productschap Vis. Het doen van een dergelijk verzoek is geen aanvraag in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie kent eigen bepalingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 12/1141

Uitspraak van de meervoudige kamer van 24 oktober 2013in de zaak tussen

Bonton Products B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], appellante

(gemachtigde: mr. W.B. Kroon)

en

het Productschap Vis, verweerder,

(gemachtigde: mr. S. Maric)

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

[A] B.V., te [vestigingsplaats],

(gemachtigde: mr. D. van Tilborg)

Procesverloop

Bij brief van 18 juni 2012 heeft appellante zich gericht tot verweerder met het verzoek om handhavend op te treden tegen [A] B.V. en [B] B.V. wegens (vermeende) overtreding van de bepalingen van de Verordening quarantainevoorzieningen levende tweekleppige weekdieren 2007.

Bij brief van 19 juni 2012 heeft verweerder een reactie gegeven. Bij brief van 27 juni 2012 heeft appellante het verzoek om handhavend op te treden herhaald. Bij brief van 9 juli 2012 heeft verweerder opnieuw een reactie gegeven. Op de daarop volgende brieven van appellante van 24 en 27 juli 2012 heeft verweerder bij brief van 3 augustus 2012 gereageerd.

Bij brief van 26 oktober 2012heeft appellante verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit.

Bij brief van 28 december 2012 heeft appellante beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Daarbij is verzocht dwangsommen vast te stellen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. [A] B.V. heeft een zienswijze ingediend.

Op 11 september 2013 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Voor appellante zijn verschenen haar gemachtigde en [C]. Voor verweerder zijn verschenen zijn gemachtigde en N.E. Weijkeveld en ir. J.E. van den Boomgaard-Bom. Voor [A] B.V. zijn verschenen haar gemachtigde en [D].

Overwegingen

1.

Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit.

Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan het beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

2.

In geschil is of de handhavingsverzoeken van appellante in de brieven van 18 juni 2012, 27 juni 2012 en 24 en 27 juli 2012 naast het verzoek aan verweerder om een tuchtzaak aanhangig te maken ook het verzoek bevatten over te gaan tot intrekking van de erkenning van [A] B.V. als quarantainevoorziening en of verweerder, gelet op de verzoeken van appellante, op 26 oktober 2012 in gebreke was daarop een besluit te nemen. Verweerder meent van niet en stelt zich daarbij op het standpunt dat het opleggen van een tuchtmaatregel geen bevoegdheid is van verweerder en dat het al dan niet aanhangig maken van een zaak bij het tuchtcollege geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Tegen het uitblijven daarvan kan daarom geen beroep worden ingesteld. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat vóór 26 oktober 2012 geen verzoek om intrekking van de erkenning is gedaan. Een dergelijk verzoek kan eerst in de brief van 26 oktober 2012 worden gelezen.

3.1

Niet in geschil is dat appellante heeft verzocht aan verweerder om een tuchtzaak aanhangig te maken wegens (vermeende) overtreding van het verbod van artikel 2, eerste lid, van de Verordening quarantainevoorzieningen levende tweekleppige weekdieren 2007. Appellante heeft verweerder vervolgens in gebreke gesteld omdat verweerder, naar zij stelt, heeft nagelaten te besluiten over het aanhangig maken van een tuchtzaak, en zij heeft daarna op grond van artikel 6:12 van de Awb beroep ingesteld. Daarmee ligt allereerst de vraag voor of beroep op grond van artikel 6:12 van de Awb in dit geval voor appellante openstond. Deze vraag beantwoordt het College ontkennend. In artikel 15 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 is bepaald dat de voorzitter van verweerder, na constatering van de (vermeende) overtreding, de zaak binnen een redelijke termijn bij het tuchtgerecht aanhangig maakt door middel van een schriftelijke verklaring. De rol die hiermee aan de voorzitter is toegekend, maakt naar het oordeel van het College onderdeel uit van het stelsel van tuchtrechtelijke handhaving. De Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 regelt die tuchtrechtelijke handhaving en kent geen bepaling waaruit volgt dat de Awb van (overeenkomstige) toepassing is. Een tuchtgerecht, als bedoeld in hoofdstuk III (De tuchtgerechten) van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004, is niet aan te merken als een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, van de Awb. Wel kent die wet in hoofdstuk V (Het beroep) bepalingen over de mogelijkheid beroep in te stellen bij het College. In die bepalingen wordt niet de mogelijkheid geopend beroep in te stellen tegen het al dan niet door de voorzitter aanhangig maken van een tuchtzaak. Op deze gronden is het College van oordeel dat een verzoek aan verweerder om een tuchtzaak aanhangig te maken niet is aan te merken als aanvraag in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Daarmee is gegeven dat appellante, ter zake van het niet-aanhangig maken van een tuchtzaak, niet op grond van artikel 6:12 van de Awb beroep kon instellen. Uit het voorgaande volgt dat het College onbevoegd is kennis te nemen van het beroep van appellante voor zover dat betrekking heeft op het uitblijven van een beslissing op het verzoek om een tuchtzaak aanhangig te maken.

3.2

Aan de orde is vervolgens de vraag of appellante ook moet worden geacht te hebben verzocht om intrekking van de erkenning van [A] B.V. als quarantainevoorziening, welk bedrijf, anders dan [B] B.V., een erkenning heeft. Het College stelt daarbij voorop dat een verzoek aan een bestuursorgaan om een handhavingsbesluit te nemen voldoende bepaald dient te zijn. Een in algemene termen gestelde wens dat tot handhaving wordt overgegaan is onvoldoende om een zodanig verzoek aan te nemen. In de brief van 18 juni 2012 heeft appellante aan verweerder verzocht ten aanzien van overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Verordening quarantainevoorzieningen levende tweekleppige weekdieren 2007 handhavend op te treden ”(…) mede in het licht van het bepaalde in artikel 6, 7 en 8 van voornoemde Verordening.” In de brieven van 27 juni 2012 en 24 juli 2012 heeft appellante dat verzoek herhaald en nader toegelicht. Daarin kan niet worden gelezen het verzoek om intrekking van de vergunning van [A] B.V., nu geen van de genoemde artikelen betrekking heeft op de erkenning als quarantainevoorziening. De stelling in de brief van appellante van 27 juli 2012 dat ”(…) in geval u en GS van Zeeland vindt dat er van overtredingen geen sprake is, wij tevens nadere stappen tegen uw productschap overwegen in verband met de door uw Productschap, op grond van de Verordening aan [A] BV verleende erkenning quarantainevoorziening” kan evenmin als een verzoek om intrekking van de erkenning worden aangemerkt, nu het een aankondiging betreft van mogelijk tegen het bestuursorgaan te richten acties. Gelet op de bewoordingen in de brief van 26 oktober 2012, waarin uitdrukkelijk de wens wordt geuit dat verweerder de erkenning intrekt, is daarin wel sprake van een voldoende bepaald verzoek. Daarmee is de brief van 26 oktober 2012 aan te merken als een (eerste) aanvraag en moet worden vastgesteld dat er, na het verstrijken van de termijn voor het nemen van een besluit op die aanvraag, geen ingebrekestelling is gegeven. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek om intrekking van de erkenning is daarom niet-ontvankelijk. Het College gaat er overigens van uit dat verweerder (alsnog) spoedig een besluit op dat verzoek neemt.

4.

Aan de vaststelling van dwangsommen komt het College gelet op het bovenstaande niet toe.

5.

Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb ziet het College geen aanleiding.

Beslissing

Het College:

- verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep voor zover dat is gericht tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek om een tuchtzaak aanhangig te maken;

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek om intrekking van de erkenning niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, mr. J.L.W. Aerts en mr. H. Bolt, in aanwezigheid van mr. A.G.J. van Ouwerkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2013.

w.g. M. Munsterman w.g. A.G.J. van Ouwerkerk