Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:209

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-10-2013
Datum publicatie
24-10-2013
Zaaknummer
AWB 13/688
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

chauffeurspas

Wetsverwijzingen
Wet personenvervoer 2000, geldigheid: 2013-10-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Druk op Ctrl-Alt-F9 om de invulvelden te activeren

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Voorzieningenrechter

Zaaknummer: 13/688

14999

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak van:

[A], te [woonplaats], verzoeker,

gemachtigde: mr. M.E. Kikkert, advocaat te Enschede,

tegen

de Minister van Infrastructuur en Milieu, verweerder,

gemachtigde: mr. M.B. Gschwind, werkzaam bij verweerder.

1 De feiten en de procedure

Bij een op 27 augustus 2013 verzonden besluit, met het kenmerk 100001265, heeft verweerder de aan verzoeker verstrekte chauffeurskaart met ingang van 29 augustus 2013 ingetrokken, omdat de verklaring omtrent het gedrag niet was overgelegd.

Bij brief van 12 september 2013 heeft verzoeker hiertegen bezwaar gemaakt.

Verzoeker heeft zich op eveneens 12 september 2013 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek het bestreden besluit te schorsen.

Bij email van 18 september 2013 heeft verweerder op het verzoek om voorlopige voorziening gereageerd en aan het College medegedeeld dat als gevolg van een administratieve omissie de op 24 juli 2013 aan Kiwa overgelegde verklaring omtrent het gedrag door Kiwa niet is meegenomen bij het tot stand komen van het bestreden besluit van 27 augustus 2013. Indien dit wel was gebeurd zou er niet zijn overgegaan tot het intrekken van de chauffeurskaart van verzoeker. Het bestreden besluit van 27 augustus 2013 kan daarom niet in stand blijven en wordt door verweerder ingetrokken.

Verzoeker heeft bij faxbericht van 20 september 2013 het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken en de voorzieningenrechter verzocht verweerder te veroordelen in de kosten van de procedure.

Op 23 september 2013 is een reactie van verweerder ingekomen, strekkende tot afwijzing van laatstbedoeld verzoek.

Bij email van 24 september 2013 heeft verzoeker, in reactie op de email van verweerder van 23 september 2013, verzocht om een proceskostenveroordeling toe te kennen ter zake de procedure betreffende de voorlopige voorziening.

2 De beoordeling van het verzoek

Ingevolge artikel 8:84, vijfde lid, juncto 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan in geval van intrekking van het verzoek om voorlopige voorziening omdat het bestuursorgaan aan de indiener van het verzoekschrift geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 Awb in de kosten worden veroordeeld.

Het verzoek om voorlopige voorziening is ingetrokken omdat het bezwaar gericht tegen het besluit van 27 augustus 2013, inhoudende intrekking van de chauffeurskaart van verzoeker, bij beslissing op bezwaar van 20 september 2013 gegrond is verklaard en daarmee het besluit van 27 augustus 2013 is ingetrokken.

Gelet op het vorenstaande komt het verzoek om veroordeling in de kosten die verband houden met het indienen van het verzoekschrift kennelijk voor toewijzing in aanmerking. De voorzieningenrechter volgt verweerder niet in het betoog dat geen aanleiding bestaat deze kosten te vergoeden omdat het verzoekschrift vrijwel identiek is aan het bezwaarschrift waarvoor reeds door verweerder een vergoeding is toegekend. Het betreft immers afzonderlijke proceshandelingen die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht apart voor vergoeding in aanmerking komen. Voorts kan niet worden gezegd dat het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening niet redelijk was, nu de chauffeurskaart van verzoeker was ingetrokken. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt het bedrag van deze kosten vastgesteld op 1 (verzoekschrift) x 1 (gewicht) x € 472,-- = € 472,--.

Tenslotte ziet de voorzieningenrechter aanleiding ingevolge artikel 8:82, vijfde lid, Awb te bepalen dat het door verzoeker betaalde griffie recht ten bedrage van € 160,-- door verweerder aan hem wordt vergoed.

Met toepassing van de artikelen 8:84 en 8:54 Awb leidt dit tot de volgende uitspraak.

3 De beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb toe;

  • -

    veroordeelt verweerder in de kosten die verzoeker in verband met het verzoek om voorlopige voorziening redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden vastgesteld op € 472,-- (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro);

  • -

    bepaalt dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,-- (zegge: honderdzestig euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. E. Dijt, in tegenwoordigheid van R. van Cuilenborg, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op

w.g. E. Dijt w.g. R. van Cuilenborg

Verzonden op:

Een belanghebbende kan tegen deze uitspraak ingevolge artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht binnen zes weken na de dag van verzending gemotiveerd verzet doen bij het College, door middel van een ondertekend verzetschrift. Indien u verzet indient en over het verzet wenst te worden gehoord, kunt u dit in uw verzetschrift vragen.