Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:202

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
05-09-2013
Datum publicatie
23-10-2013
Zaaknummer
AWB 11/808
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding rechtspersonen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 11/808

24100

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 september 2013 in de zaak tussen

HGM Services B.V. in liquidatie, te Amsterdam, appellante

(gemachtigde: mr. F. Jagersma),

en

de Kamer van Koophandel Amsterdam, verweerster

(gemachtigde: mr. D.A. Galavazi).

Procesverloop

Bij besluit van 14 maart 2011 is verweerster overgegaan tot registratie in het handelsregister van het ontbindingsbesluit van appellante.

Bij brief van 16 juni 2011 heeft verweerster appellante te kennen gegeven dat verweerster pas tot rectificatie van de inschrijving in het handelsregister kan overgaan zodra sprake is van een rechtsgeldige intrekking van het ontbindingsbesluit, welke is onderworpen aan een rechterlijke toets.

Appellante heeft tegen deze brief van 16 juni 2011 beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2013.

Appellante en haar gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen.

Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Overwegingen

1.

Uit een op 1 januari 2011 door enig aandeelhouder en bestuurder van appellante,

[A] ([A]) ondertekend formulier "17a Inschrijving ontbinding vennootschap,

rechtspersoon of maatschap" - ontvangen door verweerster op 4 maart 2011 - blijkt dat de

vennootschap op 31 december 2010 is ontbonden. Verweerster is vervolgens bij het primaire besluit

over gegaan tot registratie in het handelsregister van deze ontbinding.

Bij brief van 1 april 2011 heeft [A] namens appellante te kennen gegeven dat de status van het

bedrijf verkeerd is vermeld bij de Kamer van Koophandel, dat per abuis een verkeerd formulier is opgestuurd en dat de onderneming niet zal worden ontbonden, maar in ruste is. In deze brief heeft appellante verweerster verzocht om het handelsregister overeenkomstig aan te passen.

2.

Naar het oordeel van het College dient de brief van 1 april 2011 te worden gezien als een

verzoek om herroeping van de registratie van het ontbindingsbesluit van 14 maart 2011. Weliswaar

stelt appellante in haar beroepschrift dat de brief van 1 april 2011 als een bezwaarschrift moet worden

aangemerkt, doch dit standpunt volgt het College niet. Immers, appellante heeft in eerste instantie

verzocht om tot inschrijving van de ontbonden vennootschap over te gaan, waaraan verweerster

vervolgens volledig tegemoet is gekomen, terwijl uit de brief van 1 april 2011 zonder meer blijkt dat

[A] van mening is dat hij een onjuiste aanvraag heeft ingediend en niet dat verweerster een

onjuist besluit heeft genomen. Dat deze brief, naar gesteld, in de bezwaarfase is ingediend, maakt

evenmin dat sprake is van een bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 14 maart 2011.

3.

Voorts dient naar het oordeel van het College de brief van 16 juni 2011 van verweerster als een

informatieve brief aan appellante te worden beschouwd en niet als een besluit op het verzoek van

appellante om tot herroeping van de registratie van de ontbinding van de vennootschap over te gaan.

In deze brief heeft verweerster immers te kennen gegeven dat in een gerechtelijke uitspraak is bepaald

dat het mogelijk is om een ontbindingsbesluit te herroepen of in te trekken, waarbij als voorwaarde is

gesteld dat dit alleen mogelijk is door een gerechtelijke tussenkomst. Voorts wijst verweerster in deze

brief erop dat appellante een verzoekschrift daartoe kan indienen bij de rechtbank, sector civiel,

alsmede dat verweerster pas daarna kan overgaan tot rectificatie van de inschrijving. Nadien heeft

verweerster appellante telefonisch en per e-mail, onder het toesturen van verschillende uitspraken, op

de hoogte gesteld van de te nemen stappen.

Het voorgaande betekent dat in de onderhavige procedure (nog) geen sprake is van een besluit in de

zin van de Algemene wet bestuursrecht waartegen bezwaar en beroep kan worden ingesteld, zodat het

College niet bevoegd is kennis te nemen van het beroep, gericht tegen de brief van 16 juni 2011.

4.

Hieruit volgt tevens dat het verzoek van appellante om vergoeding van geleden schade wegens

overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM, buiten bespreking dient te

blijven.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 september 2013.

w.g. M.M. Smorenburg w.g. P.M. Beishuizen