Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:183

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-09-2013
Datum publicatie
15-10-2013
Zaaknummer
AWB 11/1077V
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

GLB-inkomensteun, uitbetaling toeslagrechten, procesbelang

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 11/1077 V

5101

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 september 2013 op het verzet van

Maatschap [A]en [B], te [vestigingsplaats], indienster.

Procesverloop

Tegen de beslissing op bezwaar van de Staatssecretaris van Economische Zaken (de staatssecretaris) van 21 oktober 2011 heeft indienster beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 8 februari 2013 heeft het College het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Indienster heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan en zij heeft verzocht om op een zitting te worden gehoord. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2013. Voor indienster zijn verschenen [A] en [C].

Overwegingen

1.

In dit geval heeft het College uitspraak op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaan zonder zitting. Hij heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Het College is tot de conclusie gekomen dat indienster geen procesbelang heeft bij haar beroep, omdat de staatssecretaris voldoende oppervlakte heeft geconstateerd om de volledige uitbetaling van haar toeslagrechten te verzekeren en haar beroep (dus) niet kan leiden tot een hogere bedrijfstoeslag voor 2010.

2.

Als iemand tegen zo’n buiten-zitting uitspraak verzet doet, moet het College in de eerste plaats de vraag beantwoorden of hij in de beroepzaak terecht heeft geoordeeld dat de zaak “kennelijk” was. De term “kennelijk” betekent hier “buiten redelijke twijfel”. Het gaat er in deze verzetszaken dus om of buiten redelijke twijfel is dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt het College in deze zaken pas toe als het verzet gegrond is.

3.

Indienster heeft tegen de uitspraak aangevoerd dat zij het niet eens is met de geconstateeerde oppervlakte en dat zij in het kader van de Meststoffenwetgeving belang heeft bij een uitspraak daarover. Voorts wil indienster duidelijkheid over de omvang van haar percelen met het oog op de toekomst. Daarnaast stelt indienster aan de orde dat de verschillen tussen de topografische kaarten die verweerder zelf hanteert en de gewaskaarten die indienster door verweerder ter beschikking krijgt gesteld, leiden tot verwarring en extra werk aan de zijde van indienster.

4.

In wat indienster heeft aangevoerd, ziet het College geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 8 februari 2013. Het is een ongeschreven regel van procesrecht dat geen beroep kan worden ingesteld als daar geen belang bij bestaat. Het doel dat indienster met haar beroep wil bereiken moet zij ook daadwerkelijk kunnen bereiken en het resultaat moet voor haar feitelijke betekenis hebben. Als ieder processueel belang ontbreekt, is het beroep niet-ontvankelijk. Het beroep van indienster is gericht op de vaststelling van de bedrijfstoeslag over 2010. In dit geval is aan indienster de de maximale bedrijfstoeslag toegekend. Als de voor subsidie vastgestelde oppervlakte hoger uit zou vallen, verandert dat niets aan de rechtsgevolgen van het in beroep bestreden besluit: de bedrijfstoeslag verandert daardoor niet.

Met betrekking tot het standpunt dat de oppervlaktevaststelling in het kader van de bedrijfstoeslag als vaststaand gegeven heeft te gelden in de besluitvorming op grond van de Meststoffenwetgeving overweegt het College het volgende.

Niet ontkend kan worden dat indienster een belang kan hebben bij de uitkomst van de discussie over de door verweerder niet als landbouwgrond aangemerkte perceelsoppervlakte in verband met de Meststoffenwetgeving. Dat belang is echter onvoldoende om (proces)belang aan te nemen bij het beroep dat is gericht op de vaststelling van de bedrijfstoeslag. Daarbij neemt het College in aanmerking dat de vaststelling van de perceelsoppervlakte landbouwgrond en de overschrijding van de daaraan gekoppelde gebruiksnormen in het kader van de Meststoffenwetgeving met een apart besluit kan worden aangevochten. Vanuit praktisch oogpunt zal verweerder bij de besluitvorming over die Meststoffenwetgeving wellicht terugvallen op hetgeen is vastgesteld in het kader van de bedrijfstoeslag. Dat wil evenwel niet zeggen dat de perceelsoppervlakte zoals die is vastgesteld in de besluitvorming rondom de bedrijfstoeslag in beton is gegoten en als vaststaand heeft te gelden voor zover het gaat om oppervlaktevaststelling voor de Meststoffenwetgeving. De vaststelling van landbouwgrond kan in het kader van een besluit betreffende de Meststofwetgeving – voor zover in dat besluit deze vaststelling aan de orde is – opnieuw ter discussie worden gesteld.

Hoewel het College de wens om duidelijkheid voor de toekomst kan begrijpen, leidt dit niet tot het aannemen van procesbelang voor de bedrijfstoeslag over 2010. Het door verweerder toegepast systeem van (Europese) landbouwsubsidies gaat uit van een jaarlijkse opgave van landbouwgrond en toeslagrechten. Inherent aan het systeem van een jaarlijkse opgave is een bepaalde mate van onzekerheid voor de toekomst en deze is niet uit te sluiten. In het verlengde hiervan geldt voor het standpunt van indienster ten aanzien van de topografische kaarten en de gewaskaarten eveneens dat het systeem van een jaarlijkse opgave een bepaalde mate van onzekerheid in zich draagt en meebrengt dat een landbouwer ieder jaar voorafgaand aan het doen van de gecombineerde opgave zelf zal moeten beoordelen of de intekening in de gewaspercelenkaart zoals die wordt verstrekt nog juist is danwel aangepast moet worden.

Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 8 februari 2013 in stand blijft.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, in aanwezigheid van mr. J. van Santvoort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 september 2013.

w.g. M. Munsternan w.g. J. van Santvoort