Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:182

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-09-2013
Datum publicatie
15-10-2013
Zaaknummer
AWB 12/627V
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

GLB inkomenssteun, uitbetaling toeslagrechten, procesbelang

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummers: 12/627 V

5101

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 september 2013 op het verzet van

[A], te [woonplaats], indiener,

(gemachtigde: mr. P. Stehouwer).

Procesverloop

Tegen de beslissing op bezwaar van de Staatssecretaris van Economische Zaken (de staatssecretaris) van 22 mei 2012 heeft indiener beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 28 maart 2013 heeft het College het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Indiener heeft tegen deze uitspraken verzet gedaan en hij heeft verzocht om op een zitting te worden gehoord. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2013. Indiener is verschenen.

Overwegingen

1.

In dit geval heeft het College uitspraak op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaan zonder zitting. Hij heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Het College is tot de conclusie gekomen dat indiener geen procesbelang heeft bij zijn beroep, omdat de staatssecretaris voldoende oppervlakte heeft geconstateerd om de volledige uitbetaling van zijn toeslagrechten te verzekeren en zijn beroep (dus) niet kan leiden tot een hogere bedrijfstoeslag voor 2011.

2.

Als iemand tegen zo’n buiten-zitting uitspraak verzet doet, moet het College in de eerste plaats de vraag beantwoorden of hij in de beroepzaken terecht heeft geoordeeld dat de zaak “kennelijk” was. De term “kennelijk” betekent hier “buiten redelijke twijfel”. Het gaat er in deze verzetszaken dus om of buiten redelijke twijfel is dat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt het College in deze zaken pas toe als het verzet gegrond is.

3.

Indiener voert tegen de uitspraak aan dat in de uitspraak van 28 maart 2013 ter motivering, gedeeltelijk, wordt verwezen naar een uitspraak van 26 september 2012 (LJN: BY0527). Het beroepschrift was al voor die datum ingediend en de ontvankelijkheid dient niet ten tijde van de uitspraak van 26 september 2012 te worden beoordeeld, maar ten tijde van het indienen van het beroepschrift. Gelet op eerdere jurisprudentie van het College was indiener in de veronderstelling dat het beroepschrift ontvankelijk was. Tenminste een proceskostenveroordeling is daarmee op zijn plaats. Indiener is verder van mening dat de conclusie dat er geen procesbelang is bij de beoordeling van het beroep op gespannen voet staat met het rechtszekerheid- en vertrouwensbeginsel. Indiener heeft belang bij de beoordeling van zijn percelen omdat hieraan diverse ondernemingsbeslissingen zijn gekoppeld. Voor indiener gaat het om een substantieel aantal percelen. Omdat het om een bestuursrechtelijke kwestie gaat kan indiener niet om een (civiele) verklaring voor recht verzoeken om zijn positie te bepalen. Concluderend is indiener van mening dat de uitspraak strijdig is met artikel 6 EVRM. Op grond van dat artikel heeft indiener ter vaststelling van zijn burgerlijke rechten en plichten recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn.

4.

In wat indiener heeft aangevoerd, ziet het College geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 28 maart 2013. Het is een ongeschreven regel van procesrecht dat geen beroep kan worden ingesteld als daar geen belang bij bestaat. Het doel dat indiener met zijn beroep wil bereiken moet hij ook daadwerkelijk kunnen bereiken èn het resultaat moet voor hem feitelijke betekenis hebben. Als ieder processueel belang ontbreekt, is het beroep niet-ontvankelijk. Het beroep van indiener is gericht op de vaststelling van de bedrijfstoeslag over 2011. In dit geval is hem de maximale bedrijfstoeslag heeft toegekend. Als de voor subsidie vastgestelde oppervlakte hoger uit zou vallen, verandert dat niets aan de rechtsgevolgen van het in beroep bestreden besluit: de bedrijfstoeslag verandert daardoor niet.

Wat betreft de verwijzing naar de uitspraak van 26 september 2012 constateert het College dat indiener hiermee veronderstelt dat de lijn van het College over het procesbelang met die uitspraak is gewijzigd en die wijziging hem gelet op het moment van indienen van het beroep in deze zaak niet kan worden tegengeworpen. Los van wat er zij van dit laatste geldt dat de veronderstelling dat de lijn is gewijzigd niet juist is. In deze uitspraak wordt duidelijk gemaakt wat het verschil is tussen 2009 en 2010 voor zover het het procesbelang in relatie tot de volledige uitbetaling van de bedrijfstoeslag betreft. Voor 2010 – zo blijkt uit de uitspraak - geldt in afwijking van het jaar 2009 weer het normale vereiste voor ontvankelijkheid, namelijk dat met het beroep enigerlei wijziging van het rechtsgevolg van het bestreden besluit nagestreefd moet worden en dat bij gebreke daarvan het beroep wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Dat heeft ook te gelden, zoals in de vorige alinea al is uiteengezet, in de onderhavige zaak.

Hoewel het College de wens om duidelijkheid voor de toekomst kan begrijpen en het belang daarvan voor bedrijfsbeslissingen inziet, leidt dit niet tot het aannemen van procesbelang voor de bedrijfstoeslag over 2011. Het door verweerder toegepast systeem van (Europese) landbouwsubsidies gaat uit van een jaarlijkse opgave van landbouwgrond en toeslagrechten. Inherent aan dit systeem van een jaarlijkse opgave is een bepaalde mate van onzekerheid voor de toekomst en deze is niet uit te sluiten.

In het verlengde hiervan brengt de omstandigheid dat indiener tegen eventuele toekomstige besluiten met betrekking tot de perceelsoppervlakte op dat toekomstige moment bezwaar en beroep kan instellen niet mee dat de procedure rondom het beroep tegen de bedrijfstoeslag voor het jaar 2011 niet zou voldoen aan de vereisten van artikel 6 EVRM.

Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 28 maart 2013 in stand blijven.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, in aanwezigheid van mr. J. van Santvoort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 september 2013.

w.g. M. Munsternan w.g. J. van Santvoort