Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:181

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-09-2013
Datum publicatie
15-10-2013
Zaaknummer
AWB 12/491V
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

GLB-inkomenssteun, uitbetaling toeslagrechten, procesbelang

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummers: 12/491 V

5101

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 september 2013 op het verzet van

[A], te [woonplaats], indiener.

Procesverloop

Tegen de beslissing op bezwaar van de Staatssecretaris van Economische Zaken (de staatssecretaris) van 26 april 2012 heeft indiener beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 20 maart 2013 heeft het College het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Indiener heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan en hij heeft verzocht om op een zitting te worden gehoord. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2013. Indiener is, met bericht van afwezigheid, niet verschenen.

Overwegingen

1.

In dit geval heeft het College uitspraak op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaan zonder zitting. Hij heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Het College is tot de conclusie gekomen dat indiener geen procesbelang heeft bij zijn beroep, omdat de staatssecretaris voldoende oppervlakte heeft geconstateerd om de volledige uitbetaling van zijn toeslagrechten te verzekeren en zijn beroep (dus) niet kan leiden tot een hogere bedrijfstoeslag voor 2011.

2.

Als iemand tegen zo’n buiten-zitting uitspraak verzet doet, moet het College in de eerste plaats de vraag beantwoorden of hij in de beroepzaken terecht heeft geoordeeld dat de zaak “kennelijk” was. De term “kennelijk” betekent hier “buiten redelijke twijfel”. Het gaat er in deze verzetszaken dus om of buiten redelijke twijfel is dat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt het College in deze zaken pas toe als het verzet gegrond is.

3.

Indiener heeft tegen de uitspraak aangevoerd dat in zijn beroep over de bedrijfstoeslag van 2011 geen procesbelang wordt aangenomen door het College, terwijl in zijn beroep over de bedrijfstoeslag van 2009 wel procesbelang is aangenomen. De situaties zijn echter identiek. Voorts heeft indiener belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep omdat hij de juridische status van de door verweerder gehanteerde GPS meting – waarmee indiener akkoord was – wil laten beoordelen.

4.

In wat indiener heeft aangevoerd, ziet het College geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 20 maart 2013. Het is een ongeschreven regel van procesrecht dat geen beroep kan worden ingesteld als daar geen belang bij bestaat. Het doel dat indiener met het beroep wil bereiken moet hij ook daadwerkelijk kunnen bereiken én het resultaat moet voor hem feitelijke betekenis hebben. Als ieder processueel belang ontbreekt, is het beroep niet-ontvankelijk. In dit geval staat vast dat als de voor de bedrijfstoeslag vastgestelde oppervlakte hoger zou uitvallen, er niets verandert aan de rechtsgevolgen van het in beroep bestreden besluit: de hoogte van de bedrijfstoeslag verandert niet, indiener is immers al de maximale bedrijfstoeslag toegekend.

De stelling dat er sprake is van rechtsongelijkheid nu voor de zaken over bedrijfstoeslag 2009 wel procesbelang is aangenomen, leidt niet tot de conclusie dat het niet buiten redelijke twijfel was dat er geen procesbelang bestond. Het College heeft al in eerdere uitspraken uitgelegd waarom 2009 en de daaropvolgende jaren geen gelijke gevallen zijn en een andersoortige benadering op zijn plaats was. In hetgeen indiener heeft aangevoerd, ziet het College geen aanleiding daar thans anders over te oordelen. Het College verwijst hier naar de uitspraak van 26 september 2012 (LJN: BY0527).

Dat indiener uiteindelijk belang heeft bij een beoordeling van een GPS-meting is het College wel duidelijk, echter dat levert een onvoldoende actueel belang op om procesbelang in deze zaak aan te nemen.

Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 20 maart 2013 in stand blijft.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, in aanwezigheid van mr. J. van Santvoort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 september 2013.

w.g. M. Munsternan w.g. J. van Santvoort