Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:18

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
23-05-2013
Datum publicatie
04-07-2013
Zaaknummer
AWB 10/604
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Handelsregisterwet

Wetsverwijzingen
Handelsregisterwet 2007
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 10/604

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 mei 2013 in de zaak tussen

[A], te [woonplaats], appellant

en

Kamer van Koophandel Amsterdam, verweerster

(gemachtigde: mr. D.E. Galavazi).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [B], te [woonplaats].

Procesverloop

Op 31 maart 2010 (het primaire besluit) heeft verweerster de ontbinding per 25 maart 2010 van [C] BV in het handelsregister ingeschreven.

Bij besluit van 4 juni 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van appellant, gedateerd 14 april 2010, tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Appellant heeft op 18 juni 2010 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, de gronden van het beroep heeft appellant op 20 juli 2010 ingediend

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2013.

Appellant is in persoon verschenen.
Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De derde-partij is niet ter zitting verschenen.

Overwegingen

1.

Appellant was tot 25 maart 2010 bestuurder van [C] BV. Mevrouw [B] (hierna: [B]) heeft per die datum als enig aandeelhoudster van [C] BV appellant als bestuurder ontslagen, zichzelf als bestuurder benoemd en vervolgens [C] BV ontbonden. [C] BV was enig aandeelhouder/bestuurder van Krieghaag BV. In de hoedanigheid van enig aandeelhouder/bestuurder van Krieghaag BV heeft [B] per die datum tevens Krieghaag BV ontbonden.

2.

[B] heeft van deze wijzigingen opgave gedaan ter inschrijving in het handelsregister. Verweerster heeft deze wijzigingen geregistreerd nu deze, naar het oordeel van verweerster, door een daartoe bevoegde bestuurder waren opgegeven en verweerster geen reden had te twijfelen aan de juistheid daarvan.

3.

Appellant heeft bij brief van 14 april 2010 bezwaar gemaakt tegen de registratie van de ontbinding van 25 maart 2010 van [C] BV en Krieghaag BV. In zijn bezwaarschrift heeft appellant volstaan met de mededeling dat hij bezwaar maakt tegen de ontbinding door het besluit van de algemene vergadering van 25 maart 2010 en heeft hij verzocht de notulen van die vergadering te zenden. Verweerster heeft appellant een termijn gegeven om uiterlijk 28 mei 2010 de gronden van het bezwaar aan te vullen. Verweerster heeft vastgesteld dat appellant heeft hiervan geen gebruik heeft gemaakt en op 4 juni 2010 heeft verweerster het bestreden besluit genomen.

4.

Appellant voert in beroep allereerst aan dat hij om uitstel heeft verzocht voor het indienen van de gronden. Voorts had hetgeen hij heeft aangevoerd voor verweerster aanleiding moeten zijn om nader onderzoek te doen. De opgave zoals gedaan door [B] is onjuist. Appellant heeft als bestuurder van [C] BV geen uitnodiging gekregen van de Algemene Vergadering van Aandeelhouders (hierna: AVA) en de te behandelen punten zijn niet voorafgaand aan de vergadering bij de directie ingediend. Verweerster had de registratie van de ontbinding moeten weigeren nu de notulen evident onjuistheden bevat. [B] was niet de enige aandeelhouder, appellant had een optieovereenkomst op 50% van de aandelen. [B] heeft dan ook de opgave over de ontbinding van de BV’s niet kunnen opgeven en verweerster dient de registratie daarvan terug te draaien.

5.

Verweerster stelt zich op het standpunt dat de opgave is gedaan door een – ex artikel 18, eerste lid Handelsregisterwet (hiera: Hrw) juncto artikel 6 Handelsregisterbesluit (hierna: Hrb) – daartoe bevoegd persoon. [B] staat sinds 1 juni 2001 als enig aandeelhouder van [C] BV geregistreerd. De besluiten ten aanzien van [C] BV en Krieghaag BV heeft [B] dan ook rechtsgeldig genomen zodat er voor verweerster tevens geen reden was te twijfelen aan de juistheid van de opgegeven wijzigingen. Verweerster stelt zich dan ook op het standpunt dat zij conform artikel 4 juncto 5 Hrb tot inschrijving heeft over mogen gaan. Binnen de termijn van het indienen van de gronden van bezwaar noch in beroep heeft appellant enige onderbouwing gegeven voor zijn standpunt dat de opgave onjuist zou zijn geweest en verweerster ten onrechte tot inschrijving is overgegaan.

6

Het College oordeelt als volgt.

Met verweerster is het College van oordeel dat de opgave is gedaan door een daartoe bevoegd persoon. Op het moment van de opgave was [B] bestuurder van [C] BV en in die hoedanigheid tevens bestuurder van Krieghaag BV, zodat zij op grond van artikel 18, eerste lid Hrw in samenhang met artikel 6 Hrb tot het doen van opgave bevoegd was.
Niet aannemelijk is geworden dat appellant tijdig om uitstel heeft verzocht voor het indienen van gronden. Gelet hierop heeft verweerster terecht haar beslissing op bezwaar gebaseerd op hetgeen appellant in zijn bezwaarschrift heeft aangevoerd. Hetgeen appellant heeft aangevoerd heeft voor verweerster geen aanleiding behoeven te zijn om aan de juistheid van de door [B] opgegeven informatie te twijfelen. Ook anderszins was er naar het oordeel van het College voor verweerster geen aanleiding te moeten twijfelen aan de juistheid van die informatie.

Hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. [B] was enig aandeelhouder en was in beginsel bevoegd in die hoedanigheid appellant als bestuurder te ontslaan en zichzelf als bestuurder te benoemen. Als bestuurder was zij derhalve ook in beginsel bevoegd zowel [C] BV als Krieghaag BV te ontbinden. Dat appellant een optieovereenkomst had doet daar niet aan af nu hij op moment van het ontslag niet als aandeelhouder kon worden aangemerkt.
Zijn stellingen omtrent de onjuistheid van de opgave van de ontbinding van de BV heeft appellant voorts niet onderbouwd, zodat ook om deze reden hieraan niet de waarde gehecht kan worden die appellant kennelijk daaraan gehecht wil zien.

7.

Het College is dan ook van oordeel dat verweerster op goede grond de ontbinding van [C] BV heeft geregistreerd en op goede grond de bezwaren van appellant tegen die registratie ongegrond heeft verklaard. Het beroep is derhalve ongegrond.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Verwayen, raadsheer, in aanwezigheid van L.C. Bannink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2013.

w.g. B. Verwayen w.g. L.C. Bannink