Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:178

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-10-2013
Datum publicatie
10-10-2013
Zaaknummer
AWB 12/260
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Bedrijfstoeslag 2010. Artikel 25 lid 2 Vo 1122/2009. Geen schuld

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: AWB 12/260

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 oktober 2013 in de zaak tussen

[A], te [woonplaats], appellant,

(gemachtigde: mr. ir. J.L. Mieras)

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigden: mr. C.E.B. Haazen en mr. M.A.G. van Leeuwen).

Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de (netto) hoogte van appellants bedrijfstoeslag 2010 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 vastgesteld op € 48.734,02.

Bij besluit van 10 februari 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant (gedeeltelijk) gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het besluit van 5 juli 2011 herroepen en de bedrijfstoeslag 2010 vastgesteld op € 48.088,88.

Het College heeft verweerder bij tussenuitspraak van 20 maart 2013 (www.rechtspraak.nl, LJN: BZ7854; hierna: de tussenuitspraak) opgedragen om het bestreden besluit in overeenstemming te brengen met artikel 25 van Verordening (EG) nr. 1122/2009.

Bij besluit van 23 april 2013 heeft verweerder ter uitvoering van de tussenuitspraak opnieuw beslist op appellants bezwaar en de bedrijfstoeslag 2010 vastgesteld op € 47.063,40.

Appellant heeft op dit besluit schriftelijk gereageerd. Vervolgens heeft verweerder zijn standpunt nader schriftelijk uiteengezet.

Bij besluit gedateerd 14 augustus 2013 en verzonden bij brief van 29 juli 2013 (hierna: het besluit van 29 juli 2013) heeft verweerder appellants bedrijfstoeslag 2010 vastgesteld op € 48.518,97.

Het College heeft het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gesloten op 9 augustus 2013.

Overwegingen

1.

Voor de voorgeschiedenis van het geschil en de standpunten van partijen verwijst het College naar de tussenuitspraak.

2.

Bij het besluit van 23 april 2013 heeft verweerder op grond van artikel 25 van Verordening (EG) nr. 1122/2009 alsnog de door appellant voor de gewaspercelen 13, 15, 29 en 38 doorgegeven oppervlaktebijstellingen aanvaard; de oppervlaktebijstellingen voor de percelen 25, 34 en 43 van in totaal 0.44 ha heeft verweerder opnieuw geweigerd. Met inachtneming van de bijstelling heeft verweerder de teveel opgegeven oppervlakte bepaald op 7.85 ha en, bij wijze van aanvullende korting als bedoeld in artikel 58 van genoemde verordening, de totale subsidiabele oppervlakte met tweemaal dit verschil verminderd. Tevens heeft verweerder een randvoorwaardenkorting toegepast.

Bij het besluit van 29 juli 2013 heeft verweerder besloten van de randvoorwaardenkorting af te zien, in verband waarmee appellant een nabetaling van € 461,30 (inclusief wettelijke rente) in het vooruitzicht is gesteld. Het College gaat ervan uit dat hiermee is tegemoetgekomen aan appellants wens om het vervallen van de randvoorwaardenkorting administratief af te wikkelen.

3.

Op de voet van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zoals dat luidde tot 1 januari 2013, is appellants beroep mede gericht tegen het besluit van 23 april 2013, zoals gewijzigd bij besluit van 29 juli 2013. Niet valt in te zien dat appellant nog belang heeft bij een beoordeling van zijn beroep voor zover gericht tegen het besluit van 10 februari 2012, zodat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

4.

Appellant is van mening dat verweerder ten onrechte de oppervlaktebijstellingen voor de percelen 25, 34 en 43 heeft geweigerd naar aanleiding van een AID-controle van zijn SAN-aanvraag. Dit is geen controle naar aanleiding van de ingediende steunaanvraag waarover artikel 25 van Verordening (EG) nr. 1122/2009 spreekt. Dat kan derhalve ook geen onregelmatigheid in de zin van die ingediende steunaanvraag worden genoemd.

5.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de gewaspercelen 25, 34 en 43 deel uitmaken van de SAN-beheerseenheden die de AID bij een controle ter plaatse heeft opgemeten. Deze beheerseenheden zijn kleiner gemeten dan de totale opgegeven oppervlakte van de daarvan deel uitmakende gewaspercelen. De door appellant voor deze percelen doorgegeven oppervlaktebijstellingen komen overeen met de meetresultaten van de AID. Verweerder is daarom van mening dat met de controle ter plaatse voor de bedrijfstoeslag relevante onregelmatigheden zijn vastgesteld voor de genoemde gewaspercelen en dat intrekking van dit deel van de steunaanvraag op grond van artikel 25 van Verordening (EG) nr. 1122/2009 niet meer mogelijk is.

6.

Het College overweegt dat het standpunt van verweerder erop neerkomt dat uit de resultaten van de door de AID in het kader van de SAN-aanvraag verrichte controle kon worden afgeleid dat appellant voor de gewaspercelen 25, 34 en 43 een te grote oppervlakte heeft opgegeven. Appellant heeft dit niet gemotiveerd betwist. De eveneens onweersproken stelling van verweerder dat de oppervlaktebijstellingen overeenkomen met de meetresultaten van de AID-controle, duidt erop dat ook appellant zelf een verband heeft kunnen leggen tussen de oppervlakte van de beheerseenheden en de oppervlakte van de hier aan de orde zijnde gewaspercelen.

Dat betekent dat deze controle in dit geval informatie heeft opgeleverd die relevant is met het oog op de beoordeling van de aanvraag bedrijfstoeslag, zodanig dat deze controle voor de bedrijfstoeslag relevante onregelmatigheden – als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder 10, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 – aan het licht heeft gebracht; uit de controleresultaten blijkt immers dat appellant een grotere oppervlakte dan de subsidiabele oppervlakte heeft opgegeven. Gelet op artikel 25, tweede lid, van genoemde verordening was het voor de gewaspercelen 25, 34 en 43 derhalve niet meer toegestaan om – bij wijze van gedeeltelijke intrekking van de aanvraag – de opgegeven oppervlaktes na deze controle bij te stellen.

Hieraan doet niet af dat de controle niet plaatsvond – zoals appellant stelt – naar aanleiding van de aanvraag bedrijfstoeslag (maar in het teken stond van de SAN-aanvraag). Dit volgt reeds uit hetgeen het College bij randnummer 5.2 van de tussenuitspraak heeft overwogen. De toepasselijkheid van het genoemde artikel 25, tweede lid, is niet afhankelijk gesteld van de aanleiding of het doel van de controle. Waar het om gaat is of bij een dergelijke controle onregelmatigheden met betrekking tot de aanvraag bedrijfstoeslag aan het licht zijn gekomen. Dat is hier, als gezegd, het geval. Het betoog van appellant wordt dan ook verworpen.

7.

Appellant voert aan dat hem geen schuld treft ten aanzien van de iets te groot opgegeven oppervlakte en dat hem dus ten onrechte een korting op de subsidiabele oppervlakte is opgelegd. Appellant heeft veel natuurlijke percelen met grillige vormen en water erin of eromheen. Daardoor is het opgeven van een juiste oppervlakte een hachelijke zaak. Appellant beschikt niet over de gegevens die verweerder ten dienste staan. Bovendien moet appellant wel de gehele oppervlakte van de percelen die hij gebruikt opgeven. Zo ontstaat een spanningsveld waarvan appellant niet de dupe wenst te worden. Appellant vraagt zich of hoe hij geacht kan worden de juiste oppervlakte te weten als verweerder dat zelf niet weet.

8.

Verweerder meent dat appellant terecht een korting is opgelegd. Appellant heeft bewust een grotere oppervlakte opgegeven. Hij kon dit immers alleen doen met vermelding van de reden van de oppervlakteoverschrijding. Verweerder heeft deze overschrijdingen beoordeeld en appellant in het kader van de zogenoemde e-bop procedure in de gelegenheid gesteld zijn perceelsgegevens te controleren en te corrigeren om een korting te voorkomen. Appellant kon daarbij de nieuwe referentiepercelen en de door hem aangegeven gewaspercelen tezamen met de bijbehorende oppervlaktes raadplegen. Appellant heeft slechts zeven van de in totaal vijftig percelen bijgesteld. Niet gesteld kan worden dat de voortschrijdende verbetering van de AAN-laag – waardoor in bezwaar een kleinere oppervlakte (0.88 ha minder) is goedgekeurd dan in het primaire besluit – de oorzaak is van de korting. Ook als de door appellant gewenste bijstelling van 1.3 ha zou zijn verwerkt zou de afwijkende oppervlakte nog steeds ruim boven de 2 ha uitkomen.

9.1

Het College overweegt dat vaststaat dat appellant voor de bedrijfstoeslag 2010 een te grote oppervlakte heeft opgegeven die de goedgekeurde oppervlakte met meer dan 2 ha – te weten met 7.85 ha – overschrijdt. Hiermee is in beginsel gegeven dat aan appellant een (extra) korting op de voet van artikel 58 van Verordening (EG) nr. 1122/2009 moet worden opgelegd.

Uit artikel 73, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 volgt dat deze korting niet toepasselijk is, indien appellant het bewijs kan leveren dat hem aan de onjuiste opgave geen schuld treft. De vraag waar het College zich voor gesteld ziet is of appellant erin is geslaagd dit bewijs te leveren.

9.2

Het is vaste rechtspraak van het College dat het de verantwoordelijkheid is van de landbouwer om zijn aanvraag voor de bedrijfstoeslag – ook wat betreft de perceelsoppervlaktes – juist in te vullen. Deze taak van appellant is weliswaar door de nasleep in 2010 van de grootschalige actualisatie van referentiepercelen (de AAN-laag) bemoeilijkt, maar hierin heeft verweerder voorzien door appellant in de zogeheten ebop-fase de gelegenheid te geven om de opgegeven oppervlaktes in het licht van de meest actuele perceelsinformatie van verweerder te controleren en zo nodig te corrigeren. Afgezien van de hierboven bij randnummer 2 bedoelde perceelsbijstellingen heeft appellant de oorspronkelijk door hem opgegeven – en voor in totaal 7.85 ha onjuist gebleken – oppervlaktes gehandhaafd. Appellant heeft geen concrete argumenten of omstandigheden aangedragen die inzichtelijk maken waarom hem ten aanzien daarvan geen schuld zou treffen. Dat zijn perceelsgrenzen voor een deel een grillig verloop hebben wordt niet ontkend en kan aan de hand van de luchtfoto's ook worden vastgesteld, maar het College ziet niet in dat die grilligheid een juiste perceelsopgave onmogelijk of praktisch ondoenlijk maakt.

In zoverre is appellant er dus niet in geslaagd om het bewijs te leveren dat hem geen schuld treft.

9.3

Dit ligt anders ten aanzien van de 0.88 ha die ten opzichte van het primaire besluit – en dus ook ten opzichte van de in de e-bopfase als maatgevend gehanteerde oppervlakte – aanvullend is afgekeurd. Bij de e-bopbrief van 30 september 2010 is appellant uitdrukkelijk geïnformeerd over wat voor de bedrijfstoeslag 2010 in de visie van verweerder had te gelden als de maximale subsidiabele oppervlakte van de voor appellant relevante referentiepercelen. Verweerder heeft ook zelf verklaard dat de bedoeling hiervan was dat appellant, door aan te sluiten bij die oppervlakte, een korting kon voorkomen. Dat ontslaat appellant weliswaar niet van zijn primaire verantwoordelijkheid om zelf te zorgen voor een juiste perceelsopgave, maar rechtvaardigt in dit geval wel het vermoeden dat appellant niet kan worden verweten dat hij, afgaand op de door verweerder verstrekte – achteraf gezien dus foutieve – informatie inzake de subsidiabiliteit van die 0.88 ha, die oppervlakte ten onrechte heeft opgegeven. Daarbij neemt het College in aanmerking dat deze alsnog afgekeurde 0.88 ha op de totale voor appellant goedgekeurde oppervlakte van ruim 210 ha zeer gering is en voortvloeit uit verschillende kleinere correcties die kennelijk zijn terug te voeren op voortschrijdend inzicht aan de kant van verweerder in het kader van de optimalisatie van de AAN-laag.

Verweerder heeft geen omstandigheden aangedragen die genoemd vermoeden kunnen ontkrachten. Het College is derhalve van oordeel dat appellant voor deze 0.88 ha wel het bewijs heeft geleverd dat hem geen schuld treft, zodat de korting op de voet van artikel 58 van Verordening (EG) nr. 1122/2009 hierop niet toepasselijk is. Dat deze 0.88 ha op zichzelf niet de (enige) oorzaak is van de opgelegde korting, is juist, maar hieruit volgt niet dat appellant aan het ten onrechte opgeven van deze oppervlakte (toch) schuld treft.

10.

Hetgeen bij randnummer 9.3 is overwogen leidt tot de slotsom dat het beroep tegen het besluit van 23 april 2013, zoals gewijzigd bij besluit van 29 juli 2013, gegrond is. Het College zal dit besluit vernietigen, behoudens voor zover daarbij is beslist op het verzoek van appellant op grond van artikel 7:15 Awb. Het College acht het geraden niet zelf in de zaak te voorzien maar verweerder op te dragen opnieuw op het bezwaar van appellant te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Daartoe zal een termijn van twee weken worden gesteld. Het College verstaat dat verweerder tevens een besluit omtrent de verschuldigde wettelijke rente zal nemen.

11.

Het College zal verweerder veroordelen in proceskosten van appellant. Op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt het College deze vergoeding vast op € 1180,-- op basis van 2,5 punten (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor een schriftelijke zienswijze na bestuurlijke lus) met een waarde van € 472,-- per punt.

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 23 april 2013, zoals gewijzigd bij besluit van 29 juli 2013, gegrond;

- vernietigt dit besluit, behoudens voor zover daarbij is beslist op het verzoek van appellant op grond van artikel 7:15 Awb, en draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen binnen twee weken na verzending van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 156,-- aan appellant te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1180,-- te betalen aan appellant.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, in aanwezigheid van mr. M.J. van Veen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2013.

w.g. M. Munsterman w.g. M.J. van Veen