Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:176

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
20-09-2013
Datum publicatie
10-10-2013
Zaaknummer
AWB 12/407
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bedrijfstoeslag, aanvraag onder voorbehoud, gewascode

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 12/407

5101

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 september 2013 in de zaak tussen

[A], te [woonplaats], appellant

(gemachtigde: J.A. Rietveld)

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: bc. R. Weltevreden).

Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de hoogte van de bedrijfstoeslag van appellant voor 2009 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (Regeling) vastgesteld.

Bij besluit van 27 maart 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld.

Bij besluit van 18 oktober 2012 heeft verweerder het bestreden besluit herzien en het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Appellant is landbouwer en heeft bij verweerder uitbetaling van bedrijfstoeslag voor 2009 aangevraagd. Hiervoor heeft appellant onder meer een aantal gewaspercelen opgegeven met de gewascode 2302 corresponderend met natuurlijk grasland (begraasd) met beperkte landbouwactiviteit. Onder nummer 4 van de opgave heeft appellant opgemerkt:

“ Op 31 maart j.l. hebben wij u een brief gezonden aangaande de gewascodes 2301, 2302, 2303 en 2304. Wij hebben u toen om een spoedige beantwoording van de brief gevraagd. Tot op heden hebben wij dat niet gekregen. Op de in de brief genoemde percelen hebben wij toeslagrechten aangevraagd. In geval er op deze gronden geen toeslagrechten te verzilveren zijn, trekken wij de percelen terug uit deze gecombineerde opgave.”

2.

Op 6 juli 2009 en 10 augustus 2009 heeft een fysieke controle door de toenmalige Algemene Inspectiedienst (AID) plaatsgevonden op het bedrijf van appellant. Daarbij is geconstateerd dat de percelen 53, 54, 55, 57, 73 tot en met 75, 77, 78, 81 en 83 niet voldoen aan de definitie van de voor deze percelen opgegeven gewascode 2302, omdat hierop niet hoofdzakelijk een natuurlijke vegetatie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen is waargenomen.

3.

Bij besluit van 26 mei 2011 is de bedrijfstoeslag van appellant voor 2009 vastgesteld. Hierbij zijn de percelen met gewascode 2302 afgekeurd voor de uitbetaling van appellants toeslagrechten en is een extra korting toegepast, omdat het verschil tussen de opgegeven en geconstateerde oppervlakte groter is dan 3%.

In het herziene bestreden besluit van 18 oktober 2012 heeft verweerder perceel 55 gesplitst in de percelen 55 en 97 waarbij perceel 97 met gewascode 2302 alsnog subsidiabel is geacht.

4.

Appellant voert aan dat verweerder ten onrechte een extra korting van twee maal de afgekeurde oppervlakte heeft toegepast op de bedrijfstoeslag.
Appellant heeft zijn opgave onder voorbehoud gedaan omdat het hem niet tijdig duidelijk was of en onder welke gewascode hij zijn percelen kon opgeven. Reeds in maart heeft appellant verweerder schriftelijk om informatie gevraagd, maar verweerder heeft hierop niet tijdig gereageerd. Gelet op het voorbehoud mocht appellant zijn aanvraag voor deze percelen nog intrekken. Voor zover een aanvraag onder voorbehoud niet tot de mogelijkheden behoorde diende verweerder appellant hierop te attenderen voordat hij de AID opdracht gaf voor de fysieke controle. Tot slot verwijst appellant naar de uitspraak van het College van 18 juli 2012 in de zaak 11/545, ECLI:NL:CBB:2012:BX3513.

5.

Verweerder stelt dat appellant op grond van artikel 44 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 dient aan te geven welke percelen overeenstemmen met subsidiabele hectaren, waarop hij uitbetaling van toeslagrechten aanvraagt. De verantwoordelijkheid voor een juiste opgave van zijn percelen ligt daarom bij appellant. Een voorwaardelijke opgave van percelen in de Gecombineerde Opgave is niet mogelijk. Gelet op artikel 22 van Verordening (EG) nr. 796/2004 kon appellant de betreffende percelen bovendien niet meer terugtrekken uit zijn aanvraag nadat hij bij de fysieke veldinspectie op de hoogte werd gesteld van de onregelmatigheden.

De korting is terecht opgelegd. Appellant is door middel van verweerders brief van 18 maart 2009 tijdig op de hoogte gesteld van het feit dat riet- en ruiglanden onder gewascode 2303 vallen en niet aangemerkt kunnen worden als landbouwgrond. Hoewel appellant – getuige zijn voorbehoud – twijfel had over de subsidiabiliteit van de percelen, heeft hij deze toch opgegeven. Appellant kon weten dat zijn opgave onjuist was, zodat artikel 68 van Verordening (EG) nr. 796/2004 hier geen ruimte biedt om van het opleggen van een korting af te zien.

6.

Het College stelt voorop dat verweerder het bestreden besluit heeft gewijzigd bij het besluit van 18 oktober 2012. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) richt het beroep zich mede tegen dit besluit, nu het niet geheel aan het beroep tegemoetkomt. Niet valt in te zien dat appellant bij de beoordeling van zijn beroep tegen het besluit van 27 maart 2012 nog enig belang heeft, zodat het beroep in zoverre wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard wordt. Het College komt nu toe aan de beoordeling van het herziene bestreden besluit.

7.

In geschil is of verweerder terecht een korting van 24.20 ha – te weten twee maal de afgekeurde oppervlakte van 12.10 ha – heeft toegepast op de bedrijfstoeslag voor 2009 van appellant.

8.

Vaststaat dat appellant percelen heeft opgegeven met gewascode 2302, terwijl de vegetatie van deze percelen niet subsidiabele riet- en ruiglanden betrof en niet aan de definitie van de opgegeven gewascode voldeed. De oppervlakte van deze percelen was daarom niet subsidiabel.

9.

Het College is van oordeel dat voor de beoordeling van de aanvraag dient te worden uitgegaan van de oppervlakte van alle door appellant opgegeven percelen. Anders dan appellant stelt voorziet het systeem van Verordening (EG) nr. 73/2009 niet in het indienen van een aanvraag onder voorbehoud. De door appellant opgegeven percelen moeten daarom worden geacht definitief te zijn opgegeven, behoudens de tijdige en onvoorwaardelijke intrekking hiervan. In artikel 22 van Verordening (EG) nr. 796/2004 is bepaald, dat een steunaanvraag te allen tijde geheel of gedeeltelijk kan worden ingetrokken, totdat – kort gezegd – de bevoegde autoriteit de landbouwer in kennis stelt van onregelmatigheden in de steunaanvraag of een controle aankondigt. Bij de fysieke controle op 6 juli 2009 is appellant op de hoogte gesteld van de onregelmatigheden in zijn aanvraag, zodat intrekking van de betreffende percelen na die datum niet meer mogelijk was. Voor het aannemen van een verplichting van verweerder om appellant voorafgaand aan de controle te informeren dat een aanvraag onder voorbehoud niet mogelijk is ziet het College geen grondslag.

10.

Op grond van artikel 51, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 is verweerder in beginsel gehouden de uitbetaling van toeslagrechten te baseren op de geconstateerde oppervlakte, verminderd met tweemaal het vastgestelde verschil. Dit resulteerde voor appellant in een korting van 24.20 ha. Bij toepassing van deze bepaling heeft verweerder geen beleidsruimte.

De korting van tweemaal het vastgestelde verschil blijft – op grond van artikel 68, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 – achterwege als de landbouwer kan bewijzen dat hem wat betreft de onjuistheid in zijn aanvraag geen schuld treft. Deze uitzondering is hier echter naar het oordeel van het College niet van toepassing. Niet kan worden staande gehouden dat appellant geen schuld treft. Appellant is als landbouwondernemer zelf verantwoordelijk voor het doen van een juiste opgave. De informatievoorziening van verweerder over de wijziging van gewascodes was voldoende duidelijk. Deze hield uitsluitend in dat gewascodes 866 en 1905 zouden veranderen in 2302 tot en met 2304. Wat riet- en ruiglanden betreft veranderde er niets, omdat deze niet-subsidiabel waren en bleven. Daarom kan niet worden gezegd dat appellant door toedoen van verweerder (te) lang in onzekerheid is gebleven over de subsidiabiliteit van dergelijke gronden. Voor zover appellant twijfels had over de vraag welke code van toepassing was op zijn percelen en of deze percelen subsidiabel waren had het op zijn weg gelegen dienaangaande tijdig advies in te winnen.

11.

Appellants verwijzing naar de uitspraak in de zaak 11/595 kan hem niet baten. In die uitspraak heeft het College (kort gezegd) overwogen dat het rechtszekerheidsbeginsel zich ertegen verzet dat een nadere afbakening van het begrip landbouwgrond in beleidsregels met terugwerkende kracht wordt ingevoerd. In het onderhavige geval zijn de regels over subsidiabiliteit van riet- en ruiglanden niet aangepast, zodat de vergelijking niet opgaat.

12.

Het beroep voor zover gericht tegen het herziene bestreden besluit is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover dit is gericht tegen het besluit van
27 maart 2012;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 september 2013.

w.g. C.J. Waterbolk w.g. C.M. Leliveld