Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:174

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-09-2013
Datum publicatie
09-10-2013
Zaaknummer
AWB 12/512
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verplichting tot heroverweging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 12/512

4000

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 september 2013 in de zaak tussen

[A] B.V., appellante

(gemachtigde: mr. A.P. van Knippenbergh),

en

het Productschap Tuinbouw, verweerder

(gemachtigde: mr. Th. Keizer).

Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van appellante terug te komen op eerder genomen heffingsbesluiten over de jaren 2004 tot en met 2009 afgewezen.

Bij besluit van 13 april 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2013.

Appellante en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1.

Aan appellante is bij afzonderlijke besluiten heffing opgelegd voor – kort gezegd – de verkoop van bloemkwekerijproducten over de jaren 2004 tot en met 2009. De opgelegde heffing betrof het kopersdeel voor verkoop van bloemkwekerijproducten via de Duitse veiling. Tegen die besluiten heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend. Bij uitspraak van 31 augustus 2011 (AWB 09/905, LJN: BS7502) heeft het College geoordeeld dat verweerder het kopersdeel van de vakheffing, voor zover het de verkopen via de Duitse veilingen betreft, niet bij de verkoper in rekening mag brengen wegens verboden fiscale discriminatie. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft appellante verweerder gevraagd de heffingsbesluiten over de jaren 2004 tot en met 2009 te heroverwegen. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen omdat van nieuw gebleken feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht geen sprake is.

2.

Het beroep betreft de vraag of verweerder gelet op de in de uitspraak van het College vastgestelde strijd met het communautaire recht gehouden was tot heroverweging van de heffingsbesluiten.

3.

Appellante voert aan dat verweerder in deze situatie verplicht is terug te komen op de eerdere besluiten. Er is volgens haar voldaan aan de voorwaarden die zijn gesteld in de Europese jurisprudentie (Kühne & Heitz, 13 januari 2004, zaak C-453/00); er is sprake van een bevoegdheid van verweerder naar nationaal recht, de besluiten zijn definitief geworden en zijn in strijd met het gemeenschapsrecht. Ook heeft appellante zich zo spoedig als mogelijk tot verweerder gewend. Ter zitting heeft appellante een beroep gedaan op Metallgeschellschafarrest van het Hof van Justitie van 8 maart 2001 (C-397/98 en C-410/98). Volgens appellante volgt uit dat arrest dat appellante hier niet mag worden tegengeworpen dat geen gebruik is gemaakt van de nationale rechtsmiddelen voor zover het de heffingsbesluiten betreft. Van appellante mag niet verwacht worden dat zij nodeloos procedeert tegen heffingen waarvan gelet op de kennis en kunde van verweerder verwacht mag worden dat deze (ook communautair) juist zijn. Verweerder heeft in het verweerschrift de motivering van het bestreden besluit aangevuld, in die zin dat hij wel bevoegd is tot heroverweging maar daartoe niet verplicht is. Er zijn immers geen rechtsmiddelen aangewend tegen die besluiten en dus is niet voldaan aan de in de Europese jurisprudentie uiteengezette criteria voor het ontstaan van die verplichting.

4.

Het College overweegt hieromtrent als volgt. Het rechtszekerheidsbeginsel is een belangrijk algemeen beginsel. Dat een besluit van een bestuursorgaan definitief wordt na het verstrijken van de bezwaar/beroepstermijn of na uitputting van alle rechtsmiddelen, draagt bij aan die rechtszekerheid. In bepaalde gevallen bestaat er echter een grens aan die rechtszekerheid en wordt een verplichting tot heronderzoek van het definitief geworden besluit aangenomen. Zie hiervoor rechtsoverweging 24 van het arrest Kühne & Heitz. In het onderhavige gaat een beroep op dit arrest echter niet op, reeds omdat appellante tegen de betreffende heffingsbesluiten geen rechtsmiddelen heeft aangewend danwel niet alle haar ter beschikking staande rechtsmiddelen heeft uitgeput (geen beroep). Anders dan appellante stelt, mocht van haar worden verwacht dat zij die rechtsmiddelen had aangewend.

Van een situatie als bedoeld in het Metallgesellschaftarrest is hier geen sprake. In dat arrest was (onder meer) van belang dat van een partij niet mocht worden verwacht dat zij, hoewel zij naar nationaal recht geen aanspraak zou kunnen maken op een fiscaal voordeel en het nationale recht haar van de fiscaal gunstiger regeling uitsluit, toch had moeten verzoeken om toepassing van dat voordeel, waarna zij de weigering had kunnen aanvechten. Dat zij die rechtsmiddelen niet had aangewend mocht haar in een procedure tot toekenning van een vergoeding, een belastingkrediet of schadevergoeding, niet worden tegengeworpen. Van een situatie waarin het aanwenden van rechtsmiddelen volstrekt zinloos zou zijn geweest, zoals door appellante is bepleit, is in de onderhavige zaak geen sprake. Dat blijkt ook uit de uitspraak van het College van 31 augustus 2011 in de zaak 09/905. De situatie van het Metallgesellschaftarrest is onvoldoende vergelijkbaar met de onderhavige zaak.

Zoals appellante terecht stelt is verweerder in het bestreden besluit niet ingegaan op de stelling van appellante dat er sprake zou zijn van een verplichting tot heroverweging op grond van de Europese jurisprudentie. Nu verweerder in het verweerschrift het bestreden besluit in die zin heeft aangevuld, en er thans sprake is van een voldoende gemotiveerd bestreden besluit, bestaat er onvoldoende aanleiding voor een vernietiging van het bestreden besluit.

5.

Het beroep is gelet op het bovenstaande ongegrond.

6.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, in aanwezigheid van mr. A.G.J. van Ouwerkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 september 2013.

w.g. M. Munsterman w.g. A.G.J. van Ouwerkerk