Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:169

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-09-2013
Datum publicatie
07-10-2013
Zaaknummer
AWB 11/809
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

procesbelang, bedrijfstoeslag, perceelsoppervlakte

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: AWB 11/809
5101

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 september 2013 in de zaak tussen

[A], te [woonplaats], appellant,

(gemachtigde: mr. J.C.M. Damming)

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: bc. R. Weltevreden).

Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellant voor het jaar 2010 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 vastgesteld.

Bij besluit van 31 augustus 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder beslist op het door appellant ingediende bezwaarschrift.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Bij besluit van 12 juli 2013 heeft verweerder het bestreden besluit heroverwogen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2013. Appellant is in persoon verschenen. Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Met het formulier “Gecombineerde opgave 2010”heeft appellant onder meer om uitbetaling van zijn toeslagrechten verzocht, en hiervoor 6 percelen met een totale oppervlakte van 19.15 ha opgegeven. Bij het primaire besluit heeft verweerder de bedrijfstoeslag voor 2010 vastgesteld. Het aan appellant toegekende bedrag is € 11.685,58. Bij die vaststelling is verweerder uitgegaan van 18,23 beschikbare toeslagrechten en een definitieve (geconstateerde) oppervlakte van 18.23 ha. Vanwege een aanpassing van de door appellant opgegeven oppervlaktes is een korting van € 67,66 opgelegd. Bij het bestreden besluit van
31 augustus 2011 heeft verweerder appellants bezwaar ongegrond verklaard. Hangende het beroep heeft verweerder het bestreden besluit herzien. In verband daarmee is de bedrijfstoeslag voor 2010 opnieuw berekend en is de aanvankelijk opgelegde korting komen te vervallen.

2.

Het College stelt voorop dat verweerder het bestreden besluit heeft gewijzigd bij het besluit van 12 juli 2013. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) richt het beroep zich mede tegen dit besluit, nu het niet geheel aan het beroep tegemoetkomt. Niet valt in te zien dat appellant nog enig belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep voor zover gericht tegen het besluit van 31 augustus 2011, zodat het beroep in zoverre wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard wordt. Het College komt thans toe aan de behandeling van het beroep voor zover dit is gericht tegen het herziene bestreden besluit.

3.

Appellant heeft in beroep aangevoerd dat verweerder de oppervlakte van enkele van zijn percelen onjuist heeft vastgesteld. Hij wijst er daarbij op dat de Algemene inspectiedienst (AID) in 2009 de oppervlakte nog heeft gemeten met GPS-apparatuur. Hij begrijpt dan ook niet dat verweerder een jaar later tot een andere vaststelling komt.

4.

Als vereiste voor de ontvankelijkheid van het beroep geldt dat met het beroep enigerlei wijziging van het rechtsgevolg van het bestreden besluit nagestreefd moet worden. Bij gebreke daarvan moet het beroep wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk worden verklaard. Verweerder heeft in het verweerschrift de vraag aan de orde gesteld of in deze zaak sprake is van procesbelang. Volgens verweerder is de uitkomst van het geschilpunt over de juiste oppervlakte van een perceel in dit geval niet van belang voor de hoogte van de bedrijfstoeslag.

5.

Het College overweegt dienaangaande, mede onder verwijzing naar de uitspraak van
26 september 2012, ECLI:NL:CBB:2012:BY0527, als volgt.
In alle geschillen over de gemeten oppervlakten die betrekking hadden op besluiten betreffende de bedrijfstoeslag over het jaar 2009 heeft het College procesbelang aangenomen. Daarbij is van belang geacht dat verweerder eerst een voorschotbeslissing heeft genomen op basis van de bij hem bekende gegevens, en pas daarna onderzoek heeft verricht naar de juiste oppervlakte van de opgegeven percelen. Als bij dat onderzoek een kleinere oppervlakte werd vastgesteld dan bij de voorschotbeslissing was aangenomen, werd wel berekend wat de consequenties waren voor het recht op uitbetaling van toeslagrechten, maar werd, conform de tevoren uitgestippelde lijn, van terugvordering van een eventueel teveel uitbetaald bedrag afgezien. Verweerder heeft deze werkwijze gevolgd om landbouwers de gelegenheid te geven om de nieuwe meetresultaten (onder meer in bezwaarprocedures) ter discussie te stellen, en om te voorkomen dat landbouwers bij de besluitvorming inzake de toeslagrechten over het jaar 2010 plotseling geconfronteerd zouden worden met gewijzigde opvattingen over de (juiste wijze van vaststelling van de) oppervlakte van hun percelen, met mogelijk direct sancties vanwege een onjuiste opgave. Ook met het oog op de mestwetgeving had deze werkwijze het voordeel dat landbouwers de tijd kregen om onder ogen te zien wat de gevolgen waren van verweerders nieuwe benadering, en dat eventuele onjuistheden - anders dan in bezwaar- of beroepsprocedures tegen reeds opgelegde sancties - ter discussie gesteld konden worden.

6.

Kort gezegd kwam het er op neer, dat een besluit waarbij de uitbetaling van toeslagrechten werd toegekend, als voorschotbesluit werd aangemerkt, ten einde bij een tweede besluit, dat dan als definitieve toekenningsbeslissing werd aangeduid, een wijziging in de motivering te kunnen aanbrengen. Die wijziging zou pas in de daarop volgende jaren soms belangrijke gevolgen voor de uitbetaling van toeslagrechten kunnen hebben, maar in die jaren slechts met het risico dat financieel ingrijpende sancties worden opgelegd en in stand gelaten, in rechte kunnen worden aangevochten. In die situatie heeft het College procesbelang aangenomen. Immers, niet ontkend kon worden dat het in een volgend jaar uitlokken van een voor beroep vatbaar besluit door het indienen van een aanvraag of het uitrijden van mest op basis van een eigen opvatting over de oppervlakte van percelen, om op die wijze verweerders benadering van het meten van oppervlakten te kunnen aanvechten, een onevenredig belastende weg zou zijn.

7.

In het jaar 2010 is niet een vergelijkbare onverwachte wijziging in de meetmethoden aangebracht. Landbouwers zijn geïnformeerd over de gewijzigde meetmethoden en hebben zich inmiddels op de resultaten van verweerders nieuwe benadering kunnen instellen. Voorts hebben zij de gelegenheid gekregen om eventuele aanpassingen in de Gecombineerde opgave aan te brengen. Dit betekent dat het normale vereiste voor ontvankelijkheid, namelijk dat met het beroep enigerlei wijziging van het rechtsgevolg van het bestreden besluit nagestreefd moet worden, onverkort van toepassing is.

8.

In deze procedure geldt als uitgangspunt dat appellant 18,23 toeslagrechten heeft met een totale waarde van € 12.334,60. Met toepassing van de hier verder niet ter discussie staande modulatiekorting heeft verweerder bij het bestreden besluit het totale beschikbare bedrag aan bedrijfstoeslag uitgekeerd omdat 18.23 ha geconstateerd was. Wel heeft verweerder aanvankelijk nog een korting opgelegd omdat verweerder bij enkele percelen tot een afwijkende oppervlakte kwam. Nu die korting bij de herziene beslissing van 12 juli 2013 geheel is komen te vervallen, is het maximaal beschikbare bedrag uitgekeerd. Een vergroting van de door verweerder geconstateerde oppervlakte door geheel uit te gaan van de oppervlakte die appellant heeft opgegeven zou daaraan niets kunnen toevoegen. Gelet hierop is bij appellant geen sprake van enig te honoreren procesbelang.
Niet ontkend kan worden dat appellant een belang heeft bij de uitkomst van de discussie over de door verweerder niet als landbouwgrond aangemerkte perceelsoppervlakte – bijvoorbeeld voor de meststoffenwetgeving – maar dat belang is onvoldoende is om (proces)belang aan te nemen bij het beroep dat is gericht op de vaststelling van de bedrijfstoeslag. Daarbij neemt het College in aanmerking dat de vaststelling van de perceelsoppervlakte landbouwgrond en de overschrijding van de daaraan gekoppelde gebruiksnormen in het kader van de meststoffenwetgeving met een apart besluit kan worden aangevochten. Vanuit praktisch oogpunt zal verweerder bij de besluitvorming over die meststoffenwetgeving wellicht terugvallen op hetgeen is vastgesteld in het kader van de bedrijfstoeslag. Dat wil evenwel niet zeggen dat de perceelsoppervlakte zoals die is vastgesteld in de besluitvorming rondom de bedrijfstoeslag in beton is gegoten en als vaststaand heeft te gelden voor zover het gaat om oppervlaktevaststelling voor de meststoffenwetgeving. De vaststelling van landbouwgrond kan in het kader van een besluit betreffende de meststoffenwetgeving – voor zover in dat besluit deze vaststelling aan de orde is – dan ook opnieuw ter discussie worden gesteld.

9.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het beroep niet-ontvankelijk is.

10.

De door verweerder in 2009 gevolgde werkwijze is de oorzaak geweest van een zekere onduidelijkheid over de mogelijkheid om in beroep de meting van percelen ter toetsing aan het College voor te leggen, ook als dat geen direct gevolg voor de uitbetaling van de toeslagrechten kan hebben. Verweerder dient de gevolgen daarvan te dragen. Derhalve acht het College het passend te bepalen dat verweerder het door appellant betaalde griffierecht vergoedt. Tevens ziet het College aanleiding verweerder te veroordelen tot de vergoeding van de proceskosten voor deze procedure. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 472,-, voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van
€ 472,- en een wegingsfactor 1).


Beslissing


Het College:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de door appellant gemaakte proceskosten tot een bedrag van
€ 472,- (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro);

- bepaalt dat verweerder appellant het door hem betaalde griffierecht van € 152,- (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 september 2013.

C.J. Waterbolk C.M. Leliveld