Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:152

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16-09-2013
Datum publicatie
26-09-2013
Zaaknummer
AWB 12/34
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

bedrijfstoeslag, subsidiabel, landbouwgrond, bomen bosperceel

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2014/187 met annotatie van J.E. van den Brink, J.C.A. van Dam
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 12/34

5101

Uitspraak van de meervoudige kamer van 16 september 2013 in de zaak tussen

v.o.f. [A], te [vestigingsplaats], appellante

(gemachtigde: G.P.M.J. Brands),

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigden: bc. R. Weltevreden en mr. C.E.B. Haazen).

Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de hoogte van appellantes bedrijfstoeslag voor het jaar 2010 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (Regeling) vastgesteld.

Bij besluit van 1 december 2011 heeft verweerder beslist op het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar.

Tegen dit besluit heeft appellante beroep ingesteld.

Bij besluit van 4 juni 2012 heeft verweerder het primaire besluit herroepen en een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Daarbij is de bedrijfstoeslag voor 2010 vastgesteld op € 47.269,58 en het kortingsbedrag op € 15.209,94.

Appellante heeft naar aanleiding van verweerders nieuwe besluit de beroepsgronden aangevuld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 25 januari 2013 heeft het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer plaatsgehad, waarbij namens appellante is verschenen [B], bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

De enkelvoudige kamer heeft de zaak hierna verwezen naar een meervoudige kamer.

Desgevraagd hebben partijen ermee ingestemd dat een nadere zitting achterwege blijft.


Overwegingen

1.

Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep mede betrekking op verweerders besluit van 4 juni 2012. Bij dat besluit is gedeeltelijk aan appellantes bezwaren tegemoetgekomen; echter de oppervlakte van perceel 21 is ambtshalve verlaagd van 20.78 ha. naar 10.52 ha. Ter zitting is gebleken dat het beroep uitsluitend nog betrekking heeft op dit perceel. Dat betekent dat appellante geen belang meer heeft bij een beoordeling van het oorspronkelijke besluit. Het College ziet hierin aanleiding om het beroep, voor zover het is gericht tegen het besluit van 1 december 2011, niet-ontvankelijk te verklaren.


2. Appellante exploiteert een landbouwbedrijf en heeft bij verweerder uitbetaling van de bedrijfstoeslag 2010 aangevraagd. Hiervoor heeft appellante een aantal gewaspercelen opgegeven met volgens haar opgave een totale oppervlakte van 127.27 ha; appellante beschikte in 2010 over 126,70 toeslagrechten. Bij het primaire besluit heeft verweerder op deze aanvraag beslist. Daarbij is een oppervlakte van 19.44 ha. afgekeurd en onder oplegging van een aanvullende korting (verlaging) van € 30.451,21 appellantes bedrijfstoeslag 2010 vastgesteld op € 33.247,62 (inclusief modulatiekorting).

3.

Bij het besluit van 1 december 2011 heeft verweerder appellantes bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. De afgekeurde oppervlakte is in verband daarmee teruggebracht tot 0.22 ha. en de aanvullende korting verlaagd tot € 114,87; als gevolg daarvan is aan appellante een bedrag van
€ 28.392,68 nabetaald. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 4 juni 2012 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Daarbij is voor perceel 21 een oppervlakte geconstateerd (vastgesteld) van 10.52 ha. terwijl appellante 19.57 ha. had opgegeven. Verweerder heeft daarom een extra korting toegepast van € 15.209,94. De netto bedrijfstoeslag voor 2010 is in dit herziene besluit vastgesteld op € 47.269,58. Aangezien appellante reeds € 61.157,05 had ontvangen heeft verweerder het door appellante terug te betalen bedrag vastgesteld op € 13.887,47.

4.

Verweerder heeft zijn (herziene) besluit doen steunen op de overweging dat de subsidiabele oppervlakte juist is vastgesteld. Perceel 21 bestaat uit begraasde heide inclusief gedeeltes met bomen. Enkele gedeeltes zijn niet opgenomen in het referentieperceel; die gedeeltes zijn niet aan te merken als landbouwgrond aangezien zij zodanig dicht zijn bebost dat er geen landbouwactiviteiten kunnen plaatsvinden. Verweerder verwijst in dit verband naar artikel 21a, tweede lid, van de Regeling. De wijzigingen in dit perceel vloeien voort uit het opnieuw vaststellen van referentiepercelen in het kader van het nieuwe perceelsregister (de zogeheten “AAN-laag”). Weliswaar is het gehele door appellante opgegeven perceel 21 naar aanleiding van het bezwaar in de oorspronkelijke beslissing op het bezwaar alsnog goedgekeurd, maar verweerder stelt dat hij - ook los van ingediende bezwaren - een kennelijk onjuiste beslissing dient te herzien. Appellante kan zich niet op het vertrouwensbeginsel beroepen omdat honorering van dat beroep zou leiden tot een beslissing die neerkomt op een erkenning van een financiële aanspraak in strijd met een duidelijke bepaling van het Europese gemeenschapsrecht.

5.

Appellante voert in beroep aan dat de oppervlakte van perceel 21 zonder nadere toelichting is verlaagd, terwijl uit eerdere telefonische contacten met verweerders Dienst Regelingen in 2011 en uit de oorspronkelijke beslissing op het ingediende bezwaar juist bleek dat de foutieve beoordeling zou worden gecorrigeerd. Het perceel in kwestie is al jaren in gebruik voor beweiding met vleesvee en ook meegenomen bij de vaststelling van het aantal toeslagrechten in de referentieperiode van 2000 tot en met 2002. Volgens appellante heeft verweerder toegezegd dat oppervlakten van begrazingsgebieden die zijn meegenomen bij de vaststelling van het aantal toeslagrechten subsidiabel zouden blijven. Verder benadrukt appellante dat het gehele perceel wordt begraasd, ook de gedeeltes waarop (veel) bomen staan.

6.1

Het geschil spitst zich toe op de beantwoording van de vraag of verweerder terecht, in afwijking van de opgave van appellante, bij de vaststelling van de subsidiabele oppervlakte van perceel 21 slechts een oppervlakte van 10.52 ha. als beteelde oppervlakte in aanmerking heeft genomen.

6.2

Verweerder dient een administratieve controle uit te voeren ten aanzien van steunaanvragen. Daarbij moet worden bekeken welke oppervlakte precies subsidiabel is. Hiertoe moet elke lidstaat van de EU een systeem voor identificatie van percelen opzetten. De in de verzamelaanvraag aangegeven gewaspercelen worden vergeleken met de in dat systeem opgenomen referentiepercelen.

Aangezien de kaartlaag van de referentiepercelen voldoende nauwkeurig en actueel moet zijn, is in 2009 een nieuwe kaartlaag Agrarisch Areaal Nederland (AAN) ingevoerd. Daarbij zijn de perceelsgrenzen nauwkeuriger dan voorheen langs diverse landschapselementen gelegd en zijn niet-subsidiabele delen daarbuiten gelaten. Weggelaten zijn onder meer water, paden en bermen.

6.3

Uit de Gecombineerde opgave voor 2010 blijkt dat appellante op de gewaspercelenlijst perceel 21 heeft opgegeven met een oppervlakte van 19.57 ha. Op de luchtfoto van dit perceel is te zien dat enkele dicht beboste gedeelten buiten de AAN-laag zijn gehouden. De topografische grens (en daarmee de begrenzing van de AAN-laag) is rondom de open gedeelten getrokken. Doordat appellante het gehele perceel heeft opgegeven is de topografische begrenzing overschreden. Dit is ook gesignaleerd door het systeem. Als reden voor deze overschrijding heeft appellante opgegeven dat het in feite één groot begrazingsperceel betreft.

In het kader van de controle van de aanvraag die ten grondslag heeft gelegen aan het primaire besluit heeft verweerder het door appellante opgegeven perceel 21 gesplitst in de percelen 21 en 33 tot en met 39. Als subsidiabele oppervlakte heeft verweerder in afwijking van de aanvraag voor het totaal van deze percelen (slechts) 8.44 ha. in aanmerking genomen. Dit heeft geleid tot een aanzienlijk lagere geconstateerde oppervlakte en een daarmee overeenkomende verlaging van de bedrijfstoeslag.

6.4

Bij de beslissing op bezwaar van 1 december 2011 is verweerder hierop teruggekomen. Daarbij is ten aanzien van het door appellante opgegeven perceel 21 een oppervlakte van 20.78 ha. geconstateerd. Dit heeft ertoe geleid dat de aanvankelijk opgelegde verlaging werd gereduceerd tot een bedrag van € 114,87. Verweerder heeft deze beslissing bij het nu bestreden besluit van 4 juni 2012 herroepen. Daarbij is voor het in geding zijnde gewasperceel 21, in afwijking van appellantes opgave, een oppervlakte van 10,52 ha. geconstateerd. Dit heeft geresulteerd in een kortingsbedrag van
€ 15.209,94.


6.5.1 Op grond van artikel 34, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 wordt, onverminderd artikel 34 van Verordening (EG) nr. 73/2009, een perceel landbouwgrond met bomen voor de toepassing van de oppervlaktegebonden steunregelingen als een subsidiabele oppervlakte beschouwd mits het op dat perceel mogelijk is landbouwactiviteiten of, indien van toepassing, de voorgenomen productie op soortgelijke wijze te beoefenen als op percelen zonder bomen in dezelfde regio.

6.5.2

Aan deze norm is uitvoering gegeven in het Oriëntatiedocument AGRI/60363/2005-REV1 van de Commissie. In dit beleidsdocument worden met bomen beplante oppervlakten binnen een perceel landbouwgrond met een plantdichtheid van meer dan 50 bomen per hectare beschouwd als oppervlakten die niet voor steun in aanmerking komen. Deze “50-bomennorm” is vervolgens als wettelijk voorschrift verankerd in artikel 21a, tweede lid, van de Regeling. De desbetreffende wijziging van de Regeling is op 1 april 2009 ingevoerd met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2009. Dat betekent dat deze van toepassing is op aanvragen om bedrijfstoeslag voor 2010.

6.6.1

Zoals het College eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 25 mei 2012 (ECLI:NL:CBB:BW6992) staat het verweerder in beginsel vrij om categorieën van percelen te benoemen die naar zijn mening geen subsidiabele hectaren opleveren omdat zij (in de regel) niet als landbouwgrond kunnen gelden, dan wel (in de regel) ongeschikt zijn voor de uitoefening van enige landbouwactiviteit. Verweerder dient echter in voorkomend geval aannemelijk te maken dat een door de landbouwer opgegeven perceel inderdaad de kenmerken van een voor landbouwdoeleinden ongeschikt stuk grond heeft.

6.6.2

Uit het overgelegde fotomateriaal blijkt dat het door appellante opgegeven perceel 21 voor een aanzienlijk deel met bomen is begroeid. Tussen de gedeelten die dicht begroeid zijn en die buiten de AAN-laag zijn gehouden, bevinden zich min of meer open plekken die als begraasde heide kunnen worden aangemerkt. Naar het oordeel van het College zijn de met bomen begroeide gedeelten niet geschikt voor landbouwdoeleinden. Hoewel niet uitgesloten is dat er gras of heide tussen de bomen groeit, acht het College verweerders conclusie dat perceel 21 voor een groot gedeelte uit bosgrond bestaat, juist. Verweerder heeft dan ook terecht voor dit perceel in afwijking van de aanvraag slechts een oppervlakte 10.52 ha. geconstateerd.


7. Voor zover appellante bezwaar maakt tegen het feit dat verweerder hangende het beroep is overgegaan tot hernieuwde beoordeling van een perceel dat geen onderdeel uitmaakte van het geschil, overweegt het College dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ook los van een beroepsprocedure de verplichting bestaat tot correctie van een besluit indien in strijd met het Europese gemeenschapsrecht financiële aanspraken zijn toegekend. Appellante zou derhalve sowieso rekening hebben moeten houden met een gewijzigde vaststelling van de bedrijfstoeslag voor 2010, ook al had het verre de voorkeur gehad dat verweerder deze correctie in een eerder stadium had doorgevoerd.

8.

Het beroep tegen het besluit van 4 juni 2012 is ongegrond. Aangezien verweerder met dat besluit gedeeltelijk aan het beroep is tegemoetgekomen ziet het College aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van dit beroep heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op een bedrag van € 944,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting in een zaak van gemiddeld gewicht).

Beslissing

Het College:


verklaart het beroep tegen het besluit van 1 december 2011 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 4 juni 2012 ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 944,- (zegge:

negenhonderdvierenveertig euro);

- bepaalt dat verweerder het door appellant betaalde griffierecht van € 302,- (zegge:

driehonderdtwee euro) vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, mr. R.C. Stam en mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. E. van Kerkhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
16 september 2013.

w.g. C.J. Waterbolk w.g. E. van Kerkhoven