Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:151

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
06-09-2013
Datum publicatie
26-09-2013
Zaaknummer
AWB 09/689
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

slotenmarge, immateriële schade/redelijke termijn

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 09/689

5101

Uitspraak van de meervoudige kamer van 6 september 2013 in de zaak tussen

[A], te [woonplaats], appellant

(gemachtigde: mr. J.A.J.M. van Houtum)

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. M.A.G. van Leeuwen).

Procesverloop

Appellant heeft bij brief van 2 mei 2009 beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van
24 maart 2009 (het bestreden besluit).

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 december 2008
(het primaire besluit) ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellant voor het jaar 2008 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (Regeling) vastgesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 13 oktober 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad.

Bij beslissing van 17 november 2010 heeft het College het onderzoek heropend en verweerder een aantal vragen voorgelegd. Bij brief van 10 december 2010 heeft verweerder hierop gereageerd.

Op 9 februari 2011 heeft een nadere zitting plaatsgehad.

Bij beslissing van 9 februari 2011 heeft het College het onderzoek ter zitting geschorst en verweerder wederom een aantal vragen voorgelegd. Bij brief van 28 maart 2011 heeft verweerder hierop gereageerd. Bij brief van 6 april 2011 heeft appellant gereageerd.

Bij besluit van 9 september 2011 heeft verweerder het bestreden besluit herzien (het herziene besluit). Verweerder heeft daarbij het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard.


Bij brief van 23 september 2011 heeft appellant nog een nader stuk in het geding gebracht. Bij brief van 14 oktober 2011 heeft verweerder een reactie in het geding gebracht.

Met toestemming van partijen is het onderzoek ter nadere zitting achterwege gelaten.




Overwegingen

1.

Appellant heeft voor 2008 om uitbetaling van zijn toeslagrechten verzocht en hiervoor onder meer het in het veenweidegebied gelegen perceel 6 met een oppervlakte van 2.35 ha opgegeven. Bij het primaire besluit heeft verweerder de definitieve (geconstateerde) oppervlakte van perceel 6 vastgesteld op 1.96 ha. De aan appellant toekomende toeslag werd €148, 94 lager dan gevraagd vastgesteld op € 6.258,39 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.
Op grond van de stukken en het verhandelde op de genoemde twee zittingen van het College heeft verweerder de oppervlakte van perceel 6 opnieuw bepaald en bij zijn besluit van 9 september 2011 de begroeide slootkanten van dit perceel als geleidelijk aflopende kanten beschouwd die voor het jaar 2008 in aanmerking konden worden genomen voor steun. De gewasgrenzen liggen op de scheiding van water en land. De oppervlakte van het perceel is bepaald door de gewasgrenzen met behulp van de luchtfoto 2008 te digitaliseren en de subsidiabele oppervlakte van het perceel is berekend op 2.04 ha. Appellants toeslag werd verhoogd met een bedrag van €28,92.

2.

Gelet op het bepaalde in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) acht het College het beroep mede gericht tegen dit nieuwe besluit. Appellant heeft niet aangegeven, dat hij nog belang had bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit van
24 maart 2009. Het beroep, voor zover tegen dit besluit gericht, moet dan ook niet-ontvankelijk verklaard worden.
Appellant is in de gelegenheid gesteld de gronden van zijn beroep aan te vullen, voor zover dit beroep tegen het besluit van 9 september 2011 is gericht. In zijn brief van 23 september 2011 heeft appellant erop gewezen, dat de oppervlakte van ditzelfde perceel bij de beoordeling van appellants aanvraag om uitbetaling van toeslagrechten over het jaar 2010 is bepaald op 2.05 ha. Appellant stelt zich op basis daarvan op het standpunt, dat in zoverre het besluit van 9 september 2011 ook niet correct is.
Daarnaast voert appellant aan, dat hij in aanmerking wil komen voor de uitbetaling van wettelijke rente. Voorts wijst hij erop, dat hij kosten gemaakt heeft in de beroepsprocedure. Tenslotte vraagt hij vergoeding van de door hem geleden immateriële schade als gevolg van de lange duur van de behandeling van zijn beroep, die bij hem tot grote ergernis en zorgen geleid hebben.

3.

Verweerder heeft bij aanvullend verweerschrift van 14 oktober 2011 op de aangevoerde gronden gereageerd. Hij heeft allereerst aangegeven, dat hij voor de beoordeling van appellants aanvraag om uitbetaling van toeslagrechten voor het jaar 2010 is uitgegaan van het referentieperceel, zoals dat in 2009 was geactualiseerd met behulp van de luchtfoto 2008. Naar aanleiding van het tegen het op basis daarvan genomen besluit ingediende bezwaar is een recentere luchtfoto uit 2010 in de beschouwing betrokken. Uitgaande van die foto is de oppervlakte vastgesteld op 2.04.7 ha, hetgeen afgerond tot een oppervlaktebepaling van 2.05 geleid heeft. Voor het jaar 2008 was de berekening uitgekomen op 2.04.3 ha, afgerond 2.04. Verweerder heeft ter toelichting aangevoerd, dat bij het herhaaldelijk digitaliseren van luchtfoto’s dergelijke kleine verschillen kunnen optreden, vooral als het foto’s uit verschillende jaren betreft.

Verweerder heeft voorts aangegeven over het bedrag van de nabetaling de wettelijke rente te zullen vergoeden.

Voor wat betreft appellants stelling dat de procedure niet binnen een redelijke termijn is afgewikkeld

heeft verweerder erop gewezen, dat het College er in vaste jurisprudentie vanuit gaat, dat een totale duur van de behandeling van drie jaar, gerekend vanaf de indiening van het bezwaarschrift, voor een zaak waarin het College in eerste en enige instantie bevoegd is, nog aanvaardbaar geacht moet worden.

Sinds de indiening van het bezwaarschrift op 26 januari 2009 waren ten tijde van de opstelling van dat verweerschrift nog geen drie jaren verstreken. Derhalve heeft verweerder geconstateerd dat geen aanleiding bestond tot het toekennen van een vergoeding voor immateriële schade.
Voor wat betreft een vergoeding van de in deze procedure gemaakte kosten heeft verweerder zich gerefereerd aan het oordeel van het College.

4.

Het College overweegt als volgt.

Tegen het herziene besluit van 9 september 2011 heeft appellant voor wat betreft de gemeten oppervlakte van perceel 6 niet anders aangevoerd, dan dat het perceel naar aanleiding van de aanvraag 2010 iets groter gemeten is. Aannemelijk is dat dergelijke geringe verschillen in uitkomst nooit geheel vermeden kunnen worden, zeker als precies tot de rand van het water gemeten moet worden. Dergelijke variaties in de uitkomst zullen dan ook geaccepteerd moeten worden. Naar het College begrijpt gaat het slechts om een verschil van enkele tientallen vierkante meters en kan het voor de uitbetaling van de toeslagrechten slechts enkele euro’s verschil uitmaken.
In elk geval kan uit het feit, dat het perceel in 2010 iets groter gemeten is, niet worden afgeleid, dat de uitkomst van de meting met betrekking tot 2008 onjuist zou zijn.

5.

Nu verweerder heeft aangekondigd de rente te zullen vergoeden, bestaat er op dit punt tussen partijen geen verschil van mening. Het College hoeft daarover derhalve geen beslissing te nemen.

6.

Met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn stelt het College vast, dat na de indiening van verweerders aanvullend verweerschrift, de redelijke termijn alsnog is overschreden, en wel met ongeveer twintig maanden.

Zulks is uitsluitend te wijten aan het College.

Het College ziet echter geen grond voor de erkenning dat appellant door de genoemde overschrijding immateriële schade heeft geleden, die voor vergoeding in aanmerking komt. Na verweerders besluit van 9 september 2011 en het door appellant op 23 september 2011 ingediende aanvullend beroepschrift was het oorspronkelijke geschil beperkt tot de vraag of perceel 6 voor 2.04 of 2.05 ha geconstateerd zou worden. Dat is een dermate gering belang, dat appellant door het uitblijven van een beslissing daarover niet in zo ernstige onzekerheid heeft kunnen verkeren, dat daar een financiële vergoeding tegenover moet staan. Appellant zal derhalve met de enkele constatering van het rechterlijk in gebreke blijven genoegen moeten nemen.

7.

Het College ziet grond om verweerder te veroordelen in de kosten die appellant in verband met deze procedure heeft moeten maken. Gelet op het bepaalde in het besluit proceskosten bestuursrecht wordt de hoogte daarvan voor een beroepschrift, een zitting en een nadere zitting in een zaak van gemiddelde zwaarte bepaald op 2,5 maal € 472,- is € 1180,-. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is het College niet gebleken. Het wettelijk systeem laat in beginsel geen ruimte voor vergoeding van andere aan de procedure verbonden kosten. Het College ziet geen reden om hier op dat beginsel een uitzondering te maken.

Beslissing


Het College

- verklaart het beroep tegen het besluit van 24 maart 2009 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 9 september 2011 ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de door appellant gemaakte proceskosten tot een bedrag van
€ 1.180,- (zegge: elfhonderdtachtig euro);

- bepaalt dat verweerder appellant het door hem betaalde griffierecht ad € 150,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.E. Doolaard, mr. R.C. Stam en mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. E. van Kerkhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
6 september 2013.


w.g. W.E. Doolaard w.g. E. van Kerkhoven