Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:148

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-09-2013
Datum publicatie
24-09-2013
Zaaknummer
AWB 12/422
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

ambtshalve schatting, verrekening van door derden voldane heffing, werkelijkheid benaderen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 12/422

4000

Uitspraak van de meervoudige kamer van 3 september 2013 in de zaak tussen

[A], te [woonplaats], appellant

(gemachtigde: mr. A.J. Aldenhoven),

en

Productschap Vee en Vlees, verweerder

(gemachtigde: mr. D.I.J. Tuijtelaars).

Procesverloop

Bij factuur van 27 oktober 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder ambtshalve een heffing opgelegd.

Bij besluit van 27 maart 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2013.

Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Ter zitting zijn als getuigen van de zijde van appellant gehoord [getuige 1] en [getuige 2].

Ter zitting is het onderzoek geschorst teneinde appellant in de gelegenheid te stellen nadere gegevens over te leggen.

Bij brief van 18 februari 2013 heeft appellant zijn reactie gegeven.

Verweerder heeft daarop gereageerd per brief van 4 maart 2013.

Bij brieven van 4 juni 2013 en 6 juni 2013 hebben verweerder en appellant toestemming gegeven een nadere zitting achterwege te laten.

Vervolgens heeft het College het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat het College uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Appellant heeft een slachtbedrijf. Bij factuur van 27 oktober 2011 heeft verweerder op grond van de Verordening huishoudelijke heffingen (PVV) 2011 en de Verordening bestemmingsheffingen schapen en geiten (PVV) 2011 (hierna: de heffingsverordeningen) ambtshalve aan appellant een heffing opgelegd van € 30.915,00 voor 22.500 geslachte schapen en 18.000 geslachte geiten voor het eerste half jaar en het derde kwartaal van 2011. Deze heffing was gebaseerd op een schatting van het aantal door appellant geslachte dieren.

1.2

Bij brief van 16 november 2011 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de factuur van 27 oktober 2011. Op 23 februari 2012 heeft een hoorzitting plaatsgevonden van de externe bezwaarschriftencommissie van verweerder. Tijdens de hoorzitting heeft appellant de stelling in het bezwaarschrift toegelicht dat zijn leveranciers, die bij appellant dieren laten slachten, aangifte doen van de aantallen door appellant geslachte dieren en dat zij ook de heffingen voldoen. Met de opgelegde heffing aan appellant is er dus sprake van dubbele heffing. Om te voorkomen dat inderdaad dubbele heffingen worden opgelegd is tijdens de hoorzitting afgesproken dat de heer [A] toestemming zou verlenen voor het verstrekken van een overzicht aan verweerder, door de keuringsinstantie, van het totale aantal in 2011 door appellant geslachte dieren op basis van de ten behoeve van keuringen opgestelde combiformulieren. Op verzoek van appellant zouden bij dit overzicht tevens de facturen van verweerder aan appellant zelf en aan de leveranciers, [getuige 1] en [getuige 2], worden betrokken. Bij gebreke van een geretourneerde toestemmingsverklaring heeft verweerder bij besluit van 27 maart 2012 het bezwaar tegen de op een schatting gebaseerde heffing conform het advies van de externe bezwaarschriftencommissie van 26 maart 2012 ongegrond verklaard.

1.3

Bij brief van 10 mei 2012 heeft verweerder aan appellant meegedeeld dat, gelet op de kort na het besluit van 27 maart 2012 ontvangen toestemming, toch is overgegaan tot het alsnog uitvoeren van de inmiddels verlopen afspraak, maar dat de door de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (hierna: NVWA) verstrekte slachtaantallen, van in totaal 35.611 schapen en 27.953 geiten voor 2011, geen aanleiding geven om de opgelegde heffing over het eerste half jaar en het derde kwartaal van 2011 te herzien. Wel zal met de door de NVWA verstrekte aantallen rekening worden gehouden bij het opleggen van de heffing over het vierde kwartaal van 2011. Aan deze factuur zal ten grondslag worden gelegd het verschil tussen de door de NVWA vastgestelde aantallen en de geschatte aantallen. Nu in de gegevens van de NVWA geen onderscheid wordt gemaakt tussen volwassen en jonge geiten zal bij de berekening van de heffing een verhouding van tweederde jonge geiten en een derde geiten worden aangehouden.

2.1

In geschil is of appellant als de heffingsplichtige ondernemer kon worden aangemerkt en de heffing van 27 oktober 2011 ten bedrage van € 30.915,00 in rechte stand kan houden.

2. 2

Appellant heeft aangevoerd dat verweerder bij de oplegging van de heffing er ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden dat zijn leveranciers aangifte doen bij verweerder van het aantal door appellant geslachte dieren en de daarover verschuldigde heffingen betalen, conform de met verweerder gemaakte afspraak. Dit is in lijn met de toepasselijke verordeningen waarin is bepaald dat de ondernemer die slacht óf doet slachten een heffing verschuldigd is. Appellant is daarom niet de heffingsplichtige ondernemer en is bevrijd van de betalingsverplichting. In ieder geval hadden de door [getuige 1] en [getuige 2] betaalde heffingen in mindering moeten worden gebracht, hetgeen niet is gebeurd. De schatting is dan ook onzorgvuldig en onvolledig. Bovendien is bij de op schatting gebaseerde factuur ten onrechte geen rekening gehouden met het onderscheid tussen schapen, geiten en jonge geiten, terwijl daarvoor andere tarieven gelden. Ten bewijze van de stelling dat zijn leveranciers de heffingen hebben voldaan heeft appellant door verweerder aan VOF [getuige 1] en [getuige 2] opgelegde heffingsfacturen overgelegd over de maanden januari tot en met september 2011 van in totaal (€ 6464,45) en (€ 7596,34). Die facturen zijn gebaseerd op 6.911 schapen en 25.800 geiten. Daarnaast heeft appellant facturen overgelegd van de slachtkosten die door hem bij Slachthuis [C] in rekening zijn gebracht, een in België gevestigde leverancier van appellant.

2.3

Verweerder stelt zich op het standpunt dat appellant op grond van de heffingsverordeningen de heffingsplichtige ondernemer is. Slechts indien gebleken zou zijn dat door zijn leveranciers reeds kwijtende betalingen zijn gedaan voor de door appellant geslachte dieren, rust op appellant geen betalingverplichting meer, maar daarvan is niet gebleken. Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Verordening algemene bepalingen heffingen (PVV) 2005 (verder: Verordening algemene bepalingen) was verweerder bevoegd om de verschuldigde heffing ambtshalve op te leggen en zich daarbij te baseren op een schatting, nu appellant in strijd met de op hem rustende verplichting op grond van artikel 4 van de Verordening algemene bepalingen geen opgave heeft gedaan van de door hem geslachte dieren. De schatting is gebaseerd op een redelijke grondslag nu deze is gebaseerd op een op 4 mei 2011 uitgevoerde controle van de bedrijfsadministratie over de periode 1 juli 2009 tot en met december 2010. Dat de schatting redelijk is wordt ook bevestigd door het aantal geslachte dieren op basis van de door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna; NVWA) verstrekte gegevens. Indien appellant het niet eens is met de geschatte aantallen dient hij juiste en verifieerbare gegevens aan te leveren. Dat heeft appellant nagelaten. Met de overgelegde facturen aan [getuige 1] en [getuige 2] wordt niet aannemelijk gemaakt, dan wel bewezen, dat bij de aan appellant opgelegde heffing uit is gegaan van onjuiste aantallen. Uit de facturen blijkt niet dat het gaat om door appellant geslachte dieren. Dat is ook zeer onwaarschijnlijk gelet op de verhouding schapen en geiten. Zo overtreft het aantal van 25.800 geiten het aantal van 18.000 geiten, waar bij de schatting van uit is gegaan. Er is daarom bij de schatting terecht geen rekening gehouden met deze aantallen. De facturen ten aanzien van het Slachthuis [C] kunnen in deze procedure geen rol spelen, nu het facturen betreft van appellant gericht aan Slachthuis [C] en dit Slachthuis niet bekend is bij verweerder. Het uiteindelijke tarief (op grond van beide heffingsverordeningen) is voor schapen € 0,99, voor geiten € 0,48 en voor jonge geiten € 0,15. Met het tarief voor jonge geiten, dat lager is, is wel rekening gehouden, namelijk bij de factuur voor het vierde kwartaal. Dat er dubbeltellingen in de schatting zouden voorkomen is niet aannemelijk gemaakt. Bij gebreke van een (toereikende) administratie kan daarmee geen rekening worden gehouden.

3.

Het College komt tot het volgende oordeel.

3.1

Het College stelt allereerst vast wat de reikwijdte van het onderhavige beroep is. Verweerder heeft bij brief van 10 mei 2012 aan appellant gemeld dat hij alsnog gegevens heeft opgevraagd bij de keuringsinstantie en van de NVWA een overzicht met slachtaantallen heeft verkregen over 2011. Verweerder heeft daarin echter geen aanleiding gezien de eerdere besluiten te herzien. Er is dus geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb) waarin het beroep mede betrekking heeft op het nieuwe gewijzigde besluit. Het College zal dus alleen oordelen over de rechtmatigheid van het besluit van 27 maart 2012, waarin de heffing van € 30,915,-- en de daaraan ten grondslag liggende schatting is gehandhaafd.

3.2

Appellant heeft bestreden dat hij heffingsplichtig is. Daarin kan appellant echter niet worden gevolgd. In de artikelen 2 van de heffingsverordeningen is bepaald dat de ondernemer die in het jaar 2011 een of meer dieren slacht of doet slachten, dan wel uitvoert, aan het productschap een heffing verschuldigd is. Appellant is gelet op de activiteiten van zijn bedrijf daarom aan te merken als heffingsplichtige ondernemer. De afspraak met zijn leveranciers dat zij de heffingen zullen afdragen laat op zich de bevoegdheid van verweerder aan appellant heffingen op te leggen onverlet. De verplichting opgave te doen van bedrijfsgegevens op grond van artikel 4 van de Verordening algemene bepalingen, geldt voorts voor iedere ondernemer waarvoor het productschap is opgericht, waartoe appellant onweersproken behoort. Dat geldt ook voor de uit artikel 6 van dezelfde verordening voortvloeiende verplichting een zodanige administratie te voeren dat de gegevens benodigd voor vaststelling van de heffing te allen tijde kunnen worden gekend, op welke verplichting geen uitzondering bestaat. Appellant heeft toegegeven geen opgave van bedrijfsgegevens te hebben gedaan en niet een zodanige administratie te voeren dat op basis daarvan de heffing kan worden vastgesteld. Aan verweerder komt dan, bij gebreke van gegevens, de bevoegdheid toe om op grond van artikel 7, eerste lid, van de Verordening algemene bepalingen ambtshalve een heffing op te leggen aan de hand van de aan het productschap ter beschikking staande gegevens, zo nodig door middel van een schatting. Bij een dergelijke schatting dient wel, zoals het College meermalen heeft overwogen (zie onder meer: uitspraak van 4 oktober 2007, LJN: BB6153), de werkelijkheid zo veel mogelijk benaderd te worden en ook overigens dient de schatting aannemelijk en overtuigend te zijn. Indien opgave is gedaan van aantallen door appellant geslachte dieren en betalingen van (een deel van) de door appellant verschuldigde heffing dient, ook als dat niet door appellant zelf is gedaan, verweerder daar bij de schatting rekening mee te houden.

3.3

Ter zitting van 30 januari 2013, waar het beroep van appellant tegen het besluit van 27 maart 2012 is behandeld, heeft het College [getuige 1] en [getuige 2] als getuigen gehoord. Beide getuigen hebben verklaard dat zij hun dieren uitsluitend bij appellant laten slachten en dat zij van de aantallen opgave doen bij verweerder. Zij krijgen van verweerder opgaveformulieren toegezonden om daarmee opgave te doen van de door appellant geslachte dieren. Naar aanleiding van de opgaven hebben boekenonderzoeken plaats gevonden. De gegevens zijn gecontroleerd en goedgekeurd. De heffingen die vervolgens door verweerder zijn opgelegd zijn door beide getuigen voldaan. Het hoge aantal op de factuur vermelde geiten is te verklaren doordat, conform vaste praktijk van verweerder, lammeren tot een bepaald gewicht als jonge geit mogen worden aangemerkt, zodat ook voor deze dieren het lage tarief geldt. Daarom kan het dat het aantal geiten op de factuur van [getuige 2] het door verweerder geschatte aantal geiten overtreft.

3.4

Verweerder heeft de verklaringen van de getuigen niet betwist en het verweer, dat niet aannemelijk is dat door de betreffende leveranciers betalingen zijn gedaan ten behoeve van appellant, ter zitting laten vallen. Het College is op grond daarvan van oordeel dat verweerder gehouden was

deze – bij hem bekende en met zijn instemming plaats vindende – praktijk en de daarmee aan hem ter beschikking staande gegevens te betrekken bij het opleggen van de heffing aan appellant. Verweerder heeft ten onrechte nagelaten de aantallen dieren waarvan [getuige 1] en Van Bokoven opgave hebben gedaan en waarvoor zij reeds heffingen hebben betaald in mindering te brengen op de schatting. Dat appellant niet (alsnog) zijn administratie heeft kunnen overleggen maakt niet dat verweerder deze gegevens buiten beschouwing kan laten. Bij een schatting, waartoe alleen kan worden overgegaan als sprake is van gebrek aan gegevens, dient immers zo veel mogelijk te worden aangesloten bij de werkelijkheid. Het besluit is dan ook in strijd met de benodigde zorgvuldigheid genomen, als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb. De schatting van verweerder en de daarop gebaseerde factuur van € 30.915,00 kan niet in stand blijven. Het beroep van appellant is in zoverre gegrond. Het besluit van 27 maart 2012 wordt vernietigd.

3.5

Aan de door appellant overgelegde facturen die betrekking hebben op Slachthuis [C] kan niet dezelfde betekenis toekomen als aan de facturen aan [getuige 1] en [getuige 2], nu verweerder heeft ontkend dat Slachthuis [C] bij hem bekend is, daarvan geen betalingen heeft ontvangen en de door appellant overgelegde facturen dit niet tegenspreken. Het betreft immers facturen van appellant aan het Slachthuis en niet facturen waarbij verweerder heffingen aan het Slachthuis heeft opgelegd. Van de door het College aangeboden mogelijkheid alsnog met zijn administratie aan te tonen wat het totaal aantal geslachte dieren was in de eerste drie kwartalen van 2011 en welke (soort) dieren het betreft heeft appellant geen gebruik gemaakt. De facturen ten aanzien van Slachthuis [C] geven dan ook geen aanleiding te concluderen dat de schatting van verweerder van het totaal aantal geslachte dieren niet redelijk is.

Het College ziet daarom op grond van artikel 8:72, derde lid, Awb, aanleiding zelf te voorzien in deze zaak. Uitgaande van de facturen van [getuige 1] en [getuige 2] en de daarbij door hen – door verweerder niet tegengesproken – toelichting, betekent dat het volgende. Het door verweerder geschatte aantal geslachte schapen betreft 22.500, het aantal geslachte geiten 18.000. Daarbij moet er van uit worden gegaan dat de voor de geslachte geiten verschuldigde heffing reeds is voldaan door [getuige 1] en [getuige 2]. Op het geschatte aantal geslachte schapen moet het aantal van 6.911 schapen, vermeld op de facturen van [getuige 1] en Bokhoven, in mindering worden gebracht. Tevens moet daarop in mindering worden gebracht het aantal van 7.800, nu dit het getal betreft waarmee de bij [getuige 1] en Bokhoven in rekening gebrachte geiten van in totaal 25.800 het aantal door verweerder geschatte geiten van 18.000 overtreft, en daarvoor moet worden aangenomen dat dit in werkelijkheid jonge (lichte) schapen betreft die als geit zijn aangemerkt voor de berekening van het tarief, zoals door de getuigen onweersproken is verklaard. Verweerder had derhalve nog een heffing mogen opleggen voor 7.789 schapen (22.500 minus 6.911 en 7.800), waarvoor een tarief van € 0,99 geldt op basis van beide heffingsverordeningen. Een onderscheid voor dit aantal naar jonge lichte schapen, waarvoor een lager tarief zou moeten gelden, valt op basis van de door appellant aangeleverde gegevens (de facturen aan [C]) niet te maken. Dat houdt in dat verweerder een heffing van € 7.711,11 mocht opleggen aan appellant voor de eerste drie kwartalen van 2011.

3.6

Het College veroordeelt verweerder in de door appellant gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944, - (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 472, - en een wegingsfactor 1).

De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 27 maart 2012;

- herroept het besluit van 27 oktober 2011 waarbij de heffing van €30.915,-- is opgelegd;

- bepaalt dat zijn uitspraak in zoverre in de plaats komt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door appellant gemaakte proceskosten van in totaal € 944,- (zegge: negenhonderdvierenveertig euro);

- gelast verweerder het voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,-- (zegge: honderdzesenvijftig euro) te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.S.J. Albers, mr. R.F.B. van Zutphen en mr. M. Munsterman, in aanwezigheid van mr. A.G.J. van Ouwerkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 september 2013.

w.g. H.S.J. Albers w.g. A.G.J. van Ouwerkerk