Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:146

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-09-2013
Datum publicatie
24-09-2013
Zaaknummer
AWB 12/124V en AWB 12/675V
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

verzetuitspraak; ontbreken procesbelang; verzet ongegrond

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummers: 12/124 V en 12/675 V

5101

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 september 2013 op het verzet van

[A], te [vestigingsplaats], indienster,

(gemachtigde: C. Blokland)

Procesverloop

Tegen de beslissingen op bezwaar van de Staatssecretaris van Economische Zaken (de staatssecretaris) van 4 mei 2012 en 18 juni 2012 heeft indienster beroepen ingesteld.

Bij uitspraken van 20 maart 2013 en 28 maart 2013 heeft het College de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Indienster heeft tegen deze uitspraken verzet gedaan en zij heeft verzocht om op een zitting te worden gehoord. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2013. Voor indienster is verschenen [B] en de gemachtigde.

Overwegingen

1.

In dit geval heeft het College uitspraak op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaan zonder zitting. Hij heeft de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Het College is tot de conclusie gekomen dat indienster geen procesbelang heeft bij zijn beroep, omdat de staatssecretaris voldoende oppervlakte heeft geconstateerd om de volledige uitbetaling van zijn toeslagrechten te verzekeren en zijn beroep (dus) niet kan leiden tot een hogere bedrijfstoeslag voor 2010 en 2011.

2.

Als iemand tegen zo’n buiten-zitting uitspraak verzet doet, moet het College in de eerste plaats de vraag beantwoorden of hij in de beroepzaken terecht heeft geoordeeld dat de zaak “kennelijk” was. De term “kennelijk” betekent hier “buiten redelijke twijfel”. Het gaat er in deze verzetszaken dus om of buiten redelijke twijfel is dat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt het College in deze zaken pas toe als het verzet gegrond is.

3.

Indienster heeft tegen de uitspraken aangevoerd dat in beroepen over de bedrijfstoeslag 2010 en 2011 geen procesbelang wordt aangenomen door het College, terwijl in soortgelijke beroepen over de bedrijfstoeslag van 2009 wel procesbelang is aangenomen. Dit is volgens haar in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Dienst Regelingen van verweerder heeft meermaals aangegeven dat het voor de bedrijfstoeslag 2009 weinig zinvol was om in bezwaar en beroep te gaan omdat er nog geen financiële consequenties waren. Nu blijkt echter dat juist voor dat jaar wel procesbelang wordt aangenomen en voor de daaropvolgende jaren niet. Dit leidt tot rechtsongelijkheid. Voorts heeft indienster belang bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroepen omdat zij de juridische status van de door verweerder gehanteerde GPS meting – waarmee indienster akkoord was – wil laten beoordelen. Ter zitting heeft indienster daar nog aan toegevoegd dat de vaststelling van de oppervlakte in het kader van de bedrijfstoeslag bepalend is voor de besluitvorming in het kader van de Meststoffenwet.

4.

In wat indienster heeft aangevoerd, ziet het College geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraken van 20 maart 2013 en 28 maart 2013. Het is een ongeschreven regel van procesrecht dat geen beroep kan worden ingesteld als daar geen belang bij bestaat. Het doel dat indienster met het beroep wil bereiken moet zij ook daadwerken kunnen bereiken én het resultaat moet voor haar feitelijke betekenis hebben. Als ieder processueel belang ontbreekt, is het beroep niet-ontvankelijk. In dit geval staat vast dat als de voor de bedrijfstoeslag vastgestelde oppervlakte hoger zou uitvallen, er niets verandert aan de rechtsgevolgen van het in beroep bestreden besluit: de hoogte van de bedrijfstoeslag verandert niet, haar is immers al de maximale bedrijfstoeslag toegekend.

De stelling dat er sprake is van rechtsongelijkheid nu voor de zaken over bedrijfstoeslag 2009 wel procesbelang is aangenomen, leidt niet tot de conclusie dat het niet buiten redelijke twijfel was dat er geen procesbelang bestond. Het College heeft al in eerdere uitspraken uitgelegd waarom 2009 en de daaropvolgende jaren geen gelijke gevallen zijn en een andersoortige benadering op zijn plaats was. In hetgeen indienster heeft aangevoerd, ziet het College geen aanleiding daar thans anders over te oordelen. Het College verwijst hier naar de uitspraak van 26 september 2012 (LJN: BY0527).

Dat indienster – naar eigen zeggen – het advies van DR zou hebben opgevolgd en voor het jaar 2009 geen rechtsmiddelen heeft aangewend, verandert evenmin iets aan de conclusie dat in beroep tegen de uitbetaling van de bedrijfstoeslag over 2010 geen procesbelang aanwezig is. Daargelaten de vraag in hoeverre er sprake was van een uitlating van DR met dergelijke verstrekkende gevolgen, is het overigens naar het oordeel van het College de eigen verantwoordelijkheid van de landbouwer om bezwaar en beroep in te stellen danwel daarvan af te zien.

Dat indienster uiteindelijk belang heeft bij een beoordeling van een GPS-meting is het College wel duidelijk, echter dat levert een onvoldoende actueel belang op om procesbelang in deze zaak aan te nemen.

Met betrekking tot het standpunt dat de oppervlaktevaststelling in het kader van de bedrijfstoeslag als vaststaand gegeven heeft te gelden in de besluitvorming op grond van de Meststoffenwetgeving overweegt het College het volgende.

Niet ontkend kan worden dat indiener een belang heeft bij de uitkomst van de discussie over de door verweerder niet als landbouwgrond aangemerkte perceelsoppervlakte in verband met de Meststoffenwetgeving. Dat belang is echter onvoldoende om (proces)belang aan te nemen bij het beroep dat is gericht op de vaststelling van de bedrijfstoeslag. Daarbij neemt het College in aanmerking dat de vaststelling van de perceelsoppervlakte landbouwgrond en de overschrijding van de daaraan gekoppelde gebruiksnormen in het kader van de Meststoffenwetgeving met een apart besluit kan worden aangevochten. Vanuit praktisch oogpunt zal verweerder bij de besluitvorming over die Meststoffenwetgeving wellicht terugvallen op hetgeen is vastgesteld in het kader van de bedrijfstoeslag. Dat wil evenwel niet zeggen dat de perceelsoppervlakte zoals die is vastgesteld in de besluitvorming rondom de bedrijfstoeslag in beton is gegoten en als vaststaand heeft te gelden voor zover het gaat om oppervlaktevaststelling voor de Meststoffenwetgeving. De vaststelling van landbouwgrond kan in het kader van een besluit betreffende de Meststofwetgeving – voor zover in dat besluit deze vaststelling aan de orde is – opnieuw ter discussie worden gesteld.

Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraken van uitspraken van 20 maart 2013 en 28 maart 2013 in stand blijven.

4.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, in aanwezigheid van mr. J. van Santvoort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 september 2013.

M. Munsternan J. van Santvoort