Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:12

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
14-06-2013
Datum publicatie
03-07-2013
Zaaknummer
AWB 12/1046
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

bedrijfstoeslag

GPS-meting

Subsidiabele oppervlakte

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 12/1046

5101

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juni 2013 in de zaak tussen

maatschap [A], te [woonplaats], appellante

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: bc. R. Weltevreden).

Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellante voor het jaar 2011 vastgesteld op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006.

Bij besluit van 28 september 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2013, waarbij voor appellante is verschenen [gemachtigde], en verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Met haar Gecombineerde Opgave 2011 heeft appellante uitbetaling van haar toeslagrechten aangevraagd. Zij heeft 39 gewaspercelen met een totale oppervlakte van 77.14 ha opgegeven. Bij het primaire besluit heeft verweerder de bedrijfstoeslag vastgesteld op € 28.971,62. Verweerder heeft daarbij 2.56 ha van de door appellante opgegeven percelen afgekeurd en een sanctie (extra korting) toegepast. In het bestreden besluit is de afgekeurde oppervlakte lager vastgesteld op 1.76 ha, de bedrijfstoeslag verhoogd naar € 31.402,49 en de extra korting vervallen.

2.1

Appellante stelt dat verweerder de oppervlakte van de percelen 2 tot en met 6, 9, 12 tot en met 22, 24, 26, 27, 30, 31 en 35 te klein heeft vastgesteld. Ter onderbouwing van dit standpunt beroept appellante zich op het rapport van[B]. [B] heeft de percelen 9, 12 tot en met 22, 23, 24, 26, 27, 30, 31 en 35 op 16 juni 2012 in opdracht van appellante met behulp van GPS uitgemeten.

2.2

De door [B] uitgemeten oppervlakte van perceel 23 komt overeen met de door verweerder vastgestelde oppervlakte, de overige percelen heeft [B] enigszins groter uitgemeten. In totaal komt [B] voor de uitgemeten percelen tot 1.63 ha meer oppervlakte dan verweerder. [B] heeft de percelen 2, 3 en 6 niet afzonderlijk uitgemeten. Hij heeft volstaan met het uitmeten van het deel dat niet voor subsidie in aanmerking komt. Appellante berekent de oppervlakte van die percelen vervolgens door die niet subsidiabele oppervlakte in mindering te brengen op de kadastrale oppervlakte, met inbegrip van de door haar gedempte sloten.

2.3

Appellante is het ten slotte niet eens met de afkeuring van de percelen 4 en 5. Zij bestrijdt dat in 2011 deze percelen bestaan uit niet subsidiabele elementen. In 2010 heeft appellante een nieuwe stal gebouwd en in dat jaar werd een deel van de percelen tijdelijk (ten behoeve van de bouw) gebruikt als zandopslag. In 2011 was de bouw van de nieuwe stal afgerond en gebruikte appellante de percelen niet meer als zandopslag. De percelen zijn toen weer ingezaaid en in gebruik genomen als grasland. De stal ligt volgens appellante buiten de door haar ingetekende perceelgrenzen.

3.1

Verweerder heeft de subsidiabele oppervlakte van appellantes percelen vastgesteld na een administratieve controle als bedoeld in artikel 28 van Verordening (EG) nr. 1122/2009. Deze vaststelling heeft plaatsgevonden door de door appellante opgegeven oppervlakte te vergelijken met de referentiepercelen en de luchtfoto van 2011.

3.2

De meting door [B] van de percelen 12, 26, 27, 30 en 31 heeft verweerder ingetekend op de luchtfoto 2011 en vergeleken met zijn eigen meting. Daarbij is te zien dat in de meting van [B] deels niet subsidiabele oppervlakte is meegenomen.

3.3

Verweerder heeft luchtfoto's uit 2011 overgelegd van de percelen 4 en 5. Daarop is volgens verweerder te zien dat binnen de door appellante aangegeven perceelsgrenzen een deel van de nieuwe (in aanbouw zijnde) stal is gelegen. Daarnaast bestaat perceel 5 uit erf, zandhopen en ruigte/onkruid en perceel 4 uit erf en overige niet-subsidiabele elementen.

4.1

Tussen partijen is alleen in geschil of verweerder de subsidiabele oppervlakte van de

percelen 2, 3, 6, 12 tot en met 22, 24, 26, 27, 30, 31 en 35 te klein heeft vastgesteld en daarnaast of verweerder de percelen 4 en 5 terecht heeft afgekeurd, omdat deze percelen in 2011 niet voor landbouwdoeleinden werden gebruikt.

4.2

Verweerder heeft de subsidiabele oppervlakte van de in geschil zijnde percelen vastgesteld aan de hand van de luchtfoto 2011. Daar tegenover staat de in opdracht van appellante door [B] uitgevoerde GPS-meting waarin ook niet subsidiabele delen (niet grasland) zijn ingemeten. [B] heeft verder de percelen 2, 3 en 6 niet ingemeten. Anders dan appellante meent, zijn de kadastrale maten niet maatgevend voor de bepaling van de subsidiabele oppervlakte, Daarmee heeft appellante met het rapport van [B] onvoldoende twijfel opgeroepen aan de juistheid van verweerders oppervlaktebepaling. Het College houdt daarom de oppervlaktebepaling door verweerder voor juist.

4.3

Gelet op artikel 2, aanhef en onder h, van Verordening (EG) nr. 73/2009 is landbouwgrond grond die wordt gebruikt als bouwland, blijvend grasland of voor de teelt van blijvende gewassen.

Anders dan appellante heeft betoogd, heeft verweerder naar het oordeel van het College terecht de percelen 4 en 5 niet als landbouwgrond aangemerkt, nu die percelen zoals de luchtfoto’s uit 2011 uitwijzen, deels waren bebouwd en voor het overige anderszins niet als blijvend grasland in gebruik waren. Hiervoor is verder van geen belang of appellante, zoals zij stelt en verweerder gemotiveerd ontkent, slechts voor een deel van de percelen uitbetaling van haar bedrijfstoeslag heeft gevraagd, want voor het naar haar stelling niet aangevraagde deel erkent appellante dat het geen landbouwgrond is en voor het resterende deel van de percelen stelt het College aan de hand van de luchtfoto vast dat het ten tijde van belang bestond uit zandopslag en bouwterrein.

5.

Het beroep is ongegrond.

6.

Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2013.

w.g. R.C. Stam w.g. C.M. Leliveld