Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:11

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
14-06-2013
Datum publicatie
03-07-2013
Zaaknummer
AWB 12/128
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

bedrijfstoeslag

GPS-meting

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 12/128

5101

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juni 2013 in de zaak tussen

maatschap[A], te [B], appellante

(gemachtigde: ir. S. Boonstra)

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: bc. R. Weltevreden).

Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellante voor het jaar 2010 vastgesteld op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006.

Bij besluit van 21 december 2011 heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard.

Appellante heeft tegen dat besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 27 februari 2013 heeft verweerder het bestreden besluit herzien.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2013, waarbij voor partijen hun gemachtigden zijn verschenen.

Overwegingen

1.

Met haar Gecombineerde Opgave 2010 heeft appellante uitbetaling van haar toeslagrechten aangevraagd. Zij heeft 26 gewaspercelen met een totale oppervlakte van 51.37 ha opgegeven. Bij het primaire besluit heeft verweerder de bedrijfstoeslag vastgesteld op € 18.174,06. Verweerder heeft daarbij 2.21 ha van de door appellante opgegeven percelen afgekeurd en een sanctie (extra korting) toegepast. In het besluit van 27 februari 2013 is de afgekeurde oppervlakte lager vastgesteld, de bedrijfstoeslag (verder) verhoogd naar € 20.323,31 en de extra korting vervallen.

2.1

Appellante stelt dat verweerder de oppervlakte van de percelen 1en 2 te klein heeft vastgesteld. Appellante beroept zich in dat verband op een GPS-meting.

2.2

Verweerder heeft de subsidiabele oppervlakte van appellantes percelen vastgesteld na een administratieve controle als bedoeld in artikel 28 van Verordening (EG) nr. 1122/2009. Deze vaststelling heeft plaatsgevonden door de door appellante opgegeven oppervlakte te vergelijken met de referentiepercelen en de luchtfoto van 2011. De GPS-meting van de percelen 1 en 2 heeft verweerder ingetekend op de luchtfoto 2011 en vergeleken met zijn eigen meting. Daarbij is te zien dat in de GPS-meting niet subsidiabele oppervlaktes, namelijk van een weg aan de zuidzijde van perceel 1 en een hoek en een weg op perceel 2, zijn meegenomen.

3.1

Het beroep heeft op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht mede betrekking op het besluit van 27 februari 2013. Appellante heeft geen belang (meer) bij een zelfstandige beoordeling van het besluit van 21 december 2011. Het beroep tegen dat besluit zal het College daarom niet-ontvankelijk verklaren.

3.2

Tussen partijen is alleen (nog) in geschil of verweerder de subsidiabele oppervlakte van de percelen 1 en 2 te klein heeft vastgesteld.

3.3

Verweerder heeft de subsidiabele oppervlakte van de in geschil zijnde percelen vastgesteld aan de hand van de luchtfoto 2011. Daar tegenover staat de GPS-meting waarin, zoals het College ter zitting aan de hand van de door verweerder meegebrachte foto’s heeft kunnen vaststellen, ook niet subsidiabele elementen (wegen en andere verharding) zijn ingemeten. Die GPS-meting roept zodoende onvoldoende twijfel op aan de juistheid van verweerders oppervlaktebepaling. Het College houdt daarom de oppervlaktebepaling door verweerder voor juist.

4.

Het beroep tegen het besluit van 27 februari 2013 is zodoende ongegrond.

5.

Het College veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472,- en een wegingsfactor 1). De in bezwaar gemaakte kosten heeft verweerder al vergoed.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 21 december 2011 niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 27 februari 2013 ongegrond;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 302,- aan appellante te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 944,-, te betalen aan appellante.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2013.

w.g. R.C. Stam w.g. C.M. Leliveld