Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:103

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
06-09-2013
Datum publicatie
06-09-2013
Zaaknummer
AWB 11/1086, 12/529, 12/592 t/m 12/595
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

intrekking erkenning telersvereniging buiten behandeling stellen, herstelbaar gebrek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2014/86 met annotatie van R. Ortlep
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: AWB 11/1086, 12/529, 12/592, 12/593, 12/594,

12/595

7850

Uitspraak van de meervoudige kamer van 6 september 2013in de zaak tussen

de Coöperatieve Telersvereniging Batavia U.A., te Barendrecht,

appellante

gemachtigde: mr. H.J. van der Hauw, advocaat te IJmuiden

en

het Productschap Tuinbouw, verweerder,

gemachtigde: mr. R.J.M. van den Tweel, advocaat te Den Haag

Procesverloop

Bij besluit van 12 augustus 2010 heeft verweerder de schorsing van de erkenning van appellante als producentenorganisatie voor telers opgeheven.

Bij besluit van 10 oktober 2011 heeft verweerder de erkenning van appellante (definitief) ingetrokken.

Bij besluiten van 11 oktober 2011, 12 december 2011, 16 januari 2012 en 6 maart 2012 heeft verweerder een deel van de steun voor 2011 teruggevorderd, met rente, en verschillende aanvragen van appellante om (uitbetaling en wijziging van) steun buiten behandeling gesteld.

Bij besluiten van 25 oktober 2011, 20 april 2012, 10 mei 2012, 24 mei 2012 heeft verweerder de bezwaren gericht tegen bovengenoemde besluiten ongegrond verklaard.

Tegen deze besluiten heeft appellante beroepen ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Op 30 januari 2013 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen door hun gemachtigden zijn vertegenwoordigd. Voor appellante is tevens verschenen de heer [A].

Overwegingen

1.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat het College uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Appellante is een producentenorganisatie voor telers van groenten en fruit. Zij is als producentenorganisatie door verweerder erkend bij besluit van 31 augustus 2006. Bij besluit van 9 februari 2009 is voormelde erkenning voortgezet, maar daarbij is in het besluit gesteld dat Batavia coördinatie en afstemming over de afzetstrategie en prijsvorming bij fruittelers dient te realiseren en dat in gebreke blijven consequenties kan hebben voor de erkenning in de toekomst. Bij besluit van 16 december 2009 is de erkenning van appellante als producentenorganisatie door verweerder geschorst met ingang van 3 december 2009. De grond hiervoor is dat appellante voor een deel van haar ledenproducten niet voldeed aan de eis zelf de prijzen vast te stellen waardoor er sprake is van een gebrekkige regie van de afzet. In verband met de schorsing heeft appellante verzocht om een voorlopige voorziening bij het College. Het College heeft dit verzoek afgewezen bij uitspraak van 22 juni 2010 (AWB 10/298, LJN: BN0348). Het beroep gericht tegen de ongegrondverklaring van het tegen de schorsing gerichte bezwaar is bij uitspraak van 2 maart 2011 door het College ongegrond verklaard (AWB 10/530).

1.2

Bij besluit van 12 augustus 2010 heeft verweerder, na meerdere controles, de schorsing van de erkenning per 30 juli 2010 opgeheven. In dit besluit heeft verweerder het voornemen opgenomen te controleren of appellante zich houdt aan de afgesproken maatregelen en procedures en heeft verweerder aangekondigd dat tijdens deze controles ook zal worden gecontroleerd of aan alle overige erkenningsvoorwaarden wordt voldaan.

1.3

Op 5 en 6 september 2011 heeft verweerder controles uitgevoerd. Daarbij is door verweerder geconstateerd dat appellante niet voldeed aan de erkenningsvoorwaarden, zoals die gelden voor de organisatie en structuur, het financieel beheer, de uitvoering van de hoofdtaak, te weten de concentratie van aanbod en verkoop van de producten van de leden en het uitbesteden van activiteiten. Verweerder heeft de bevindingen van deze controles bij brief van 23 september 2011 aan appellante voorgelegd. Appellante heeft daarop bij e-mail van 25 september 2011 gereageerd.

1.4

Bij besluit van 10 oktober 2011 heeft verweerder vervolgens de erkenning van appellante als producentenorganisatie met ingang van 1 januari 2010 definitief ingetrokken.

1.5

Het bezwaar van appellante gericht tegen de datum met ingang waarvan de schorsing is opgeheven, te weten 30 juli 2010, is door verweerder bij besluit van 25 oktober 2011 niet-ontvankelijk verklaard in verband met de intrekking van de erkenning met ingang van 1 januari 2010. Appellante heeft beroep ingesteld tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar (geregistreerd als AWB 11/1086).

1.6

Het bezwaar van appellante gericht tegen de intrekking van de erkenning van appellante als producentenorganisatie is, nadat appellante op haar bezwaar is gehoord, bij besluit van 20 april 2012 door verweerder ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen dit besluit ook beroep ingesteld (geregistreerd als AWB 12/529).

1.7

In verband met de intrekking van de erkenning heeft verweerder het steunbedrag over het eerste kwartaal van 2011, dat reeds was uitbetaald, teruggevorderd onder oplegging van rente. Aanvragen van appellante om uitbetaling van de steun voor 2010, om steun voor het jaar 2012, om uitbetaling van steun voor het tweede en derde kwartaal van 2011 en om wijziging van het Operationeel Programma van 2011, waarop de steun was gebaseerd, zijn buiten behandeling gesteld, evenals een tussentijds verzoek om wijziging van het Operationeel Programma 2011, en een aanvraag om uitbetaling van steun voor het jaar 2011. De tegen deze besluiten gerichte bezwaren van appellante heeft verweerder ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen de afzonderlijke besluiten beroepen ingesteld (respectievelijk geregistreerd als AWB 12/592, 12/593, 12/594, 12/595).

2.1

Verweerder heeft aan de intrekking van de erkenning met ingang van 1 januari 2010 ten grondslag gelegd dat appellante in strijd heeft gehandeld met de in artikel 23 van Verordening (EG) nr. 543/2011 gestelde eisen ten aanzien van organisatie, infrastructuur en uitrusting, met artikel 26, waarin is bepaald dat haar hoofdtaak de sturing van aanbod en afzet van de producten van haar leden is en met artikel 27, omdat niet voldaan wordt aan de voorwaarden waaronder activiteiten mogen worden uitbesteed. Tevens is sprake van strijd met artikel 125 ter, eerste lid, onder f van Verordening (EG) nr. 1234/2007, vanwege niet-correct commercieel en boekhoudkundig beheer. Verweerder heeft dit gebaseerd op de volgende constateringen. Aanvoerprognoses worden voor een groot deel niet digitaal vastgelegd, in het daarvoor bedoelde systeem, in tegenstelling tot de afspraken die daarover zijn gemaakt bij opheffing van de schorsing. Er worden bovendien geen vergelijkingen gemaakt tussen de prognoses en de daadwerkelijk aangevoerde productie. Bezoeken en controles worden niet schriftelijk vastgelegd. Appellante heeft onvoldoende kennis van de productie van haar leden. Appellante hoort er op te sturen dat de leden al hun producten via appellante verkopen. Zowel haar eigen website als die van aangesloten telers geven echter niet de indruk dat appellante de producten afzet. Op de websites van de leden staat geen vermelding dat de verkoop via appellante verloopt. De verkooptaak die bij de directeur lag is uitbesteed. Die uitbesteding van verkooptaken aan commissionairs is niet schriftelijk vastgelegd. Niet kenbaar is dat de verkoop onder verantwoordelijkheid van appellante plaats vindt. Dat zij haar afzetbeleid evalueert en bijstelt blijkt niet. Appellante kan daarom niet aantonen dat zij een van haar belangrijkste functies en haar hoofdtaak, sturing van aanbod en afzet van de producten van haar leden, uitvoert.. De voorzitter van appellante vervult een veelheid aan functies en er is onvoldoende sprake van een controletechnische functiescheiding en projectadministratie. Het budgettair beheer is daarom onder de maat. Appellante beschikt niet over een eigen sorteer- verpakkings- en distributiecentrum. Niet is schriftelijk vastgelegd hoe investeringen in technische hulpmiddelen ter beschikking worden gesteld aan andere leden. Ook heeft appellante geen koelcellen, zodat de productie wordt opgeslagen bij telers, verwachte afnemers of derden op basis van slechts mondelinge afspraken. Tot 3 oktober 2011 ontbraken een bestuursevaluatie afzet en aanbodbundeling en was er geen jaarrekening beschikbaar over 2010. Ook had nog geen bespreking plaats gevonden van de bestuursevaluatie uitbesteding van activiteiten aan andere entiteiten in de algemene ledenvergadering. Er wordt door verweerder geconcludeerd dat sprake is van een ernstig inbreuk op de erkenningsvoorwaarden, die niet als tijdelijk kan worden gekwalificeerd, waarbij sprake is van grove nalatigheid. Op grond van artikel 114 van Verordening (EG) nr. 543/2011 is de erkenning daarom ingetrokken.

2.2

Appellante heeft tegen de intrekking van de erkenning ingebracht dat de aan de intrekking ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden feitelijke grondslag missen en zowel op zichzelf als in onderling verband gezien geen ernstige inbreuken vormen die de intrekking, zijnde de zwaarst mogelijke sanctie, kunnen rechtvaardigen. Ter onderbouwing van die stelling heeft appellante onder meer aangevoerd dat zij wel degelijk zicht heeft op de aanvoerprognoses. Gebruikmaking van het digitale systeem is niet vereist. Alles wordt verkocht, dus vergelijkingen tussen prognoses en verkoop en analyserapportages hierover zijn onzinnig. Dat appellante onvoldoende controle uitoefent is onjuist. De eis dat de producenten op hun website moeten vermelden dat ze via appellante hun producten verkopen is geen officieel erkenningsvereiste. Met betrekking tot het ontbreken van stukken voert appellante aan dat het vastleggen van de taken van commissionairs niet gebruikelijk is in de branche. De afspraken blijken uit de facturen die worden verzonden door de commissionairs. De eis dat een producentenorganisatie over een eigen sorteer-verpakkings-en distributiecentrum of over koelcellen moet beschikken is onterecht. Dit is geen erkenningsvereiste. Dat er schriftelijke overeenkomsten zouden moeten zijn die het gebruik van de bij leden geplaatste technische hulpmiddelen regelen is eerst in het besluit op bezwaar naar voren gebracht. Verweerder heeft niet vastgesteld dat de technische hulpmiddelen niet ter beschikking staan van de overige leden. Ook op dit punt mist het besluit dus feitelijke grondslag.

Indien geoordeeld zou worden dat de erkenning wel op juiste gronden is ingetrokken stelt appellante subsidiair dat aan de intrekking op grond van Verordening 543/2011 geen terugwerkende kracht mag worden verleend, tot 1 januari 2010. Terugwerkende kracht van een besluit is in strijd met artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), op grond waarvan een besluit niet in werking treedt voordat het is bekend gemaakt. Voor zover de Verordening grondslag zou bieden voor terugwerkende kracht kan dat hoogstens tot 5 september 2011, zijnde de datum waarop het eerste controlebezoek heeft plaatsgevonden waarop de intrekking is gebaseerd. Bovendien heeft verweerder tijdens de controle op 30 juli 2010 uitdrukkelijk vastgesteld dat appellante aan de erkenningscriteria voldoet. Dit staat expliciet in het besluit van 12 augustus 2010.

2. 3

Het College komt tot de volgende beoordeling.

2.3.1 Verordening (EG) nr. 1234/2007 (verder: Vo. 1234/2007) bevat bepalingen ten behoeve van een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten, waaronder bepalingen ten aanzien van productenorganisaties. In artikel 122, aanhef, en onder c, van Vo. 1234/2007 is bepaald dat lidstaten producentenorganisaties erkennen die een specifiek doel nastreven, dat voor de sector groente en fruit, betrekking heeft op de doelstelling (onder meer) het aanbod en het op de markt brengen van de producten van haar leden te concentreren. In artikel 125 bis, eerste lid, aanhef, en onder c, Vo. 1234/2007 is bepaald dat op grond van de Statuten van een producentenorganisatie in de sector groenten en fruit de aangesloten producenten met name verplicht zijn hun volledige productie via de producentenorganisaties te verkopen. In artikel 125 ter, eerste lid, en onder f, Vo. 1234/2007 is bepaald dat de lidstaten als producentenorganisatie in de sector groenten en fruit erkennen alle rechtspersonen die een verzoek om erkenning indienen op voorwaarde dat zij hun activiteiten commercieel en boekhoudkundig correct beheren. Artikel 125 quinquies van Vo. 1234/2007 schrijft voor dat lidstaten mogen toestaan dat producentorganisaties werkzaamheden uitbesteden, mits ze voldoende bewijs krijgen dat dit de realisatie van de doelstelling ten goede komt.

2.3.2 De Uitvoeringsverordening (EG) nr. 543/2011 (verder: Vo. 543/2011) bevat nadere bepalingen voor de toepassing van Vo. 1234/2007. In artikel 23 van Vo. 543/2011 worden eisen gesteld aan de structuur en de activiteiten van de producentenorganisaties. Ze moeten beschikken over het personeel, de infrastructuur en de uitrusting die nodig zijn voor de naleving van onder meer de eisen van artikel 122, eerste alinea onder c, het concentreren van aanbod en op de markt brengen van de producten, en artikel 125 ter, eerste lid, onder e, van Vo. 1234/2007, het daadwerkelijk ter beschikking stellen van technische hulpmiddelen voor onder meer verzameling, opslag en verpakking, en voor de vervulling van hun belangrijkste functies. Het gaat dan met name om de functies op het gebied van:

a. kennis van de productie van hun leden;

b. ophaling, sortering, opslag en verpakking van de productie van hun leden;

c. commercieel en budgettair beheer, en

d. gecentraliseerde boekhouding en een factureringssysteem.

In artikel 26, eerste lid, Vo. 543/2011 is bepaald dat de hoofdactiviteit van een producentenorganisatie betreft de concentratie van het aanbod en de afzet van de producten van haar leden waarvoor zij is erkend. In artikel 27 van Vo. 543/2011 is bepaald dat uitbesteding van activiteiten, zoals verzameling, opslag, verpakking en afzet van de producten, betekent dat de producentenorganisatie een commerciële regeling treft met een andere entiteit voor de uitvoering van de betreffende activiteit. De producentenorganisatie blijft bij uitbesteding verantwoordelijk voor de uitvoering van die activiteiten, voor de algemene beheerscontrole en het toezicht op de voor de uitbesteding getroffen commerciële regeling.

2.3.3 In de circulaire met volgnummer GMO 014-2009 heeft verweerder de voorschriften die gelden voor erkende producentenorganisaties nader uitgewerkt. Aanbodbundeling dient te gebeuren door middel van een accuraat en deugdelijk systeem van aanvoerprognoses en areaalenquêtes. De producentenorganisatie dient een aantoonbaar actief controle- en sanctiebeleid uit te voeren ten aanzien van met name de verplichting de producten gecentraliseerd, via de producentenorganisatie, te verkopen. Bij uitbesteding dient in een bestuursstuk te zijn beschreven welke activiteiten aan welke andere entiteit of leden zijn uitbesteed, waarom de activiteiten worden uitbesteed en welke afspraken zijn gemaakt. Elk jaar, in principe voor 1 maart, dienen diverse stukken te worden overgelegd, waaronder bestuursevaluaties omtrent de afzet en de aanbodbundeling en uitbesteding van activiteiten en de jaarrekening over het afgelopen boekjaar. De circulaire met volgnummer GMO 004-2010 bevat uitleg ten aanzien van het vereiste dat producenten verplicht zijn hun volledige productie via de producentenorganisaties te verkopen. Onder meer is daarin opgenomen dat leden van een producentenorganisatie in al hun marketing- of verkoopgerelateerde uitingen, waaronder begrepen

websites en folders, moeten vermelden dat zij zijn aangesloten bij een erkende producentenorganisatie.

2.3.4 Van een producentenorganisatie die opzettelijk of uit grove nalatigheid een ernstige inbreuk op de erkenningscriteria pleegt wordt op grond van artikel 114, Vo. 543/2011 de erkenning ingetrokken. De erkenning wordt volgens het eerste lid van artikel 114 met name ingetrokken wanneer de niet-naleving van de erkenningscriteria betrekking heeft op een inbreuk op de voorschriften van artikel 21, artikel 23, artikel 26, eerste en tweede lid, of artikel 31 van Vo. 543/2011. De intrekking treedt in werking op de datum waarop de erkenningsvoorwaarden niet langer werden vervuld.

2.4.1 Het College is van oordeel dat appellante ten aanzien van de voor haar geldende verplichtingen dusdanig in gebreke is gebleven dat verweerder terecht op grond van artikel 114 van Vo. 543/2011 in verband met grove nalatigheid de erkenning van appellante als producentenorganisatie heeft ingetrokken. Uit de hiervoor weergegeven regelgeving volgt duidelijk dat de bewijslast dat aan de verplichtingen wordt voldaan bij de producentenorganisatie ligt. Met name moet aantoonbaar het aanbod van producten worden gebundeld, de afzet centraal geregeld worden en er op gestuurd en gecontroleerd worden dat producten alleen via de producentenorganisatie worden verkocht. Daarvan is onvoldoende gebleken. Appellante stuurt niet op het systematisch aanleveren van gegevens, zoals de aanvoerprognoses, op een zodanige wijze dat deze inzichtelijk en bruikbaar zijn voor controle. In dat kader is voorts van belang dat zij niet doorlopend gegevens over omzet en afgeleverde producten verzamelt. Verder kiest zij er voor controlebezoeken niet vast te leggen en keuzes voor uitbesteding van activiteiten en de in verband daarmee gemaakte afspraken niet inzichtelijk te maken en op te tekenen. Daarbij komt dat zij geen kenbare commerciële regelingen treft ten aanzien van uitbesteding van activiteiten. Verweerder heeft op basis hiervan terecht geconcludeerd dat appellante inbreuk pleegt op de erkenningscriteria. De stelling dat de aan de intrekking ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden feitelijke grondslag missen, kan niet worden gevolgd. Er is voldoende komen vast te staan dat stukken en/of een systeem waarmee inzichtelijk kan worden gemaakt hoe en dat appellante uitvoering geeft aan haar hoofdtaak ontbreken alsmede dat gegevens en afspraken niet worden vastgelegd. Dat verweerder onredelijke eisen stelt aan de aard en de inhoud van de stukken en/of een systeem, kan naar het oordeel van het College niet gezegd worden. Daarbij neemt het College in aanmerking dat appellante ook niet op andere wijze inzichtelijk heeft gemaakt dat zij de verplichtingen die voor haar als erkende producentenorganisatie gelden, naleeft. De stelling dat de door verweerder gestelde eisen steeds veranderen, niet kenbaar zijn en een aantal eisen pas in het bestreden besluit wordt tegengeworpen leidt niet tot de door appellante gewenste conclusie. De aan appellante tegengeworpen gebreken betreffen verplichtingen die duidelijk uit de toepasselijke verordeningen volgen en bovendien vaak zijn uitgewerkt in circulaires. Overigens zijn de uitwerkingen die in de circulaires zijn neergelegd naar het oordeel van het College geen nieuwe eisen, maar geven die circulaires informatie over de voorschriften die zijn neergelegd in de Verordeningen en de wijze waarop de producentenorganisaties kunnen voldoen aan die voorschriften. Een voorafgaande waarschuwing is niet nodig om tot intrekking over te gaan, als de inbreuk (mede) voorschriften van artikel 23 en artikel 26 van Vo. 543/2011 betreft, zoals hier aan de orde.

2.4.2 Dat eerder de schorsing van de erkenning is opgeheven staat niet in de weg aan intrekking van de erkenning. In het besluit van 12 augustus 2010 is vermeld dat tijdens de controle van 30 juli 2010 is vastgesteld dat appellante maatregelen had getroffen op de punten waaraan ten tijde van schorsing niet werd voldaan. De inbreuk op andere erkenningsvoorwaarden, die ook de hoofdtaak en de belangrijkste functies betreffen, zoals vermeld in artikel 23 en 26 van Vo. 543/2011, was niet aan de schorsing ten grondslag gelegd en speelde dus ook geen rol bij de opheffing van de schorsing. In het besluit van 12 augustus 2010 is uitdrukkelijk aangegeven dat tijdens controles zal worden getoetst of appellante zich nog steeds houdt aan de maatregelen die zij naar aanleiding van de schorsing heeft getroffen én of zij zich aan (alle) overige erkenningsvoorwaarden houdt. Als vervolgens geconstateerd wordt dat er sprake is van een ernstige inbreuk op de erkenningscriteria die opzettelijk of uit grove nalatigheid is gepleegd, is verweerder, ingevolge artikel 114 van Vo. 543/2011, gehouden de erkenning in te trekken.

2.4.3 De opheffing van de schorsing, welke schorsing gebaseerd was op het tijdelijk niet voldoen aan bepaalde punten, laat onverlet dat op een later moment geconstateerd kan worden dat ook op andere punten al sinds langere tijd niet aan de erkenningscriteria wordt voldaan. Volgens artikel 114 van Vo. 543/2011 treedt de intrekking in werking op de datum waarop de erkenningsvoorwaarden niet langer werden vervuld. Verweerder heeft daar de datum van 1 januari 2010 op gebaseerd. Anders dan voor schorsing, zoals in het destijds geldende artikel 11 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 en thans in artikel 114, tweede lid, van Vo. 543/2011, is bepaald, is voor intrekking niet bepalend op welke dag de controle heeft plaats gevonden. Artikel 3:40 Awb staat ook niet in de weg aan de toekenning van terugwerkende kracht aan de intrekking van de erkenning. De terugwerkende kracht vloeit immers voort uit de Verordening en heeft daarom voorrang op nationaal recht, zoals eerder ook al is geoordeeld in eerdergenoemde uitspraak van het College van 2 maart 2011. Uit het voorgaande volgt dat het beroep tegen de intrekking van de erkenning ongegrond is.

3.

Gelet op de intrekking van de erkenning met ingang van 1 januari 2010 heeft verweerder terecht het bezwaar gericht tegen de datum van opheffing van de schorsing niet-ontvankelijk kunnen verklaren. Appellante heeft niet weersproken dat een eerdere datum van opheffing gelet op de intrekking, die verder teruggaat, geen (financieel) effect zal hebben. Het beroep gericht tegen het besluit van 25 oktober 2011 is daarom ongegrond.

4.1

Verweerder heeft aan de besluiten waarbij financiële consequenties aan de intrekking zijn verbonden ten grondslag gelegd dat aan niet erkende producentenorganisaties geen rechten kunnen worden toegekend op grond van Vo. 1234/2007 en Vo. 543/2011. Daarom is al uitgekeerde steun teruggevorderd, met rente, en zijn de aanvragen om uitbetaling van reeds toegekende steun, wijziging van het Operationele Programma van 2011 en een aanvraag om steun voor het jaar 2012, buiten behandeling gesteld.

4.2

Tegen deze besluiten heeft appellante aangevoerd dat ze in strijd met het zorgvuldigheids- en het evenredigheidsbeginsel en de verplichting van een zorgvuldige belangenafweging zijn genomen, nu de lopende procedures inzake de opheffing van de schorsing en de intrekking van erkenning niet zijn afgewacht. Omdat de besluiten nog niet onherroepelijk waren, zijn de aanvragen ten onrechte buiten behandeling gesteld. Voor de inhoudelijke redenen op grond waarvan appellante van mening is dat de besluiten geen stand kunnen houden verwijst zij naar de gronden gericht tegen de schorsing en de intrekking van de erkenning. Nu deze besluiten niet gerechtvaardigd waren volgt daaruit dat ook de daaraan verbonden financiële besluiten onrechtmatig zijn.

4.3

Het College oordeelt als volgt.

4.3.1

De mogelijkheden voor toekenning van steun in de sector groenten en fruit zijn neergelegd in Titel 1, hoofdstuk IV, sectie IV bis van Vo. 1234/2007. Steun kan worden verleend aan producentengroeperingen, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de groeperingen die bezig zijn met het verkrijgen van een erkenning en om die reden voorlopig erkend zijn, en de reeds erkende producentenorganisaties. Uit de toepasselijke bepalingen volgt dat een voorwaarde voor steun is: de erkenning of de uiteindelijk verkregen erkenning, zonder welke de steun geheel moet worden terugbetaald, op grond van artikel 116 van Vo. 543/2011, met een uitzondering voor het geval er geen sprake is van opzet of grove nalatigheid. Een dergelijke uitzondering is niet opgenomen voor het geval de erkenning wordt ingetrokken, wat niet onlogisch is, nu intrekking van de erkenning alleen aan de orde is als sprake is van opzet of grove nalatigheid. Gelet op artikel 114, eerste lid, van Vo. 543/2011, op grond waarvan de intrekking terugwerkt tot het moment waarop niet (meer) aan de erkenningscriteria werd voldaan, is dat het moment waarop geen recht (meer) bestond op steun. In artikel 123 van Vo. 543/2011 is bepaald dat onverschuldigde steun moet worden terugbetaald met rente.

4.3.2

Het College is gelet op bovenstaande bepalingen van oordeel dat de reeds ontvangen steun voor het eerste kwartaal van 2011, een periode waarin achteraf niet wordt voldaan aan het vereiste dat sprake is van een erkende producentenorganisatie, door verweerder terecht is teruggevorderd en dat daarbij rente kon worden opgelegd.

4.3.3

Aanvragen van appellante om steun die nog niet waren beoordeeld of aanvragen om wijziging van het Operationeel Programma, waarop de steun was gebaseerd, of aanvragen om uitbetaling van steun heeft verweerder, na de intrekking van de erkenning, buiten behandeling gelaten. De vraag is of dat juiste besluiten zijn. Vo. 1234/2007 noch Vo. 543/2011 geeft een grondslag voor het buiten behandeling laten van aanvragen, zodat de rechtmatigheid van de besluiten om de aanvragen niet te behandelen moet worden beoordeeld op grond van artikel 4:5 van de Awb, waarin de bevoegdheid om een aanvraag niet te behandelen is neergelegd. In het eerste lid van artikel 4:5 van de Awb is bepaald dat die bevoegdheid bestaat indien a. de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, b. de aanvraag geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15 Awb of c. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking. Daarbij is bepaald dat de aanvraag alleen buiten behandeling kan worden gelaten als de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan te stellen termijn aan te vullen. Op grond van het vierde lid van artikel 4:5 van de Awb moet een besluit om een aanvraag niet te behandelen aan de aanvrager bekend worden gemaakt binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Het College concludeert dat zelfs als de (latere) intrekking van de erkenning zou betekenen dat niet werd voldaan aan een voor het in behandeling nemen van de aanvragen wettelijk vereiste, er sprake is van een situatie waarin het verzuim niet kan worden hersteld; het betreft immers het ontbreken van de erkenning. Onder die omstandigheden kan de aanvraag niet op grond van artikel 4:5 Awb buiten behandeling worden gesteld.

De beroepen van appellante zijn in zoverre gegrond en de bestreden besluiten worden vernietigd.

Zoals verweerder ter zitting ook heeft erkend had het, gelet op het ontbreken van de erkenning – vanwege de intrekking daarvan –, de hier aan de orde zijnde aanvragen moeten afwijzen. Anders dan appellante betoogt heeft het instellen van bezwaar en beroep tegen de intrekking van de erkenning, gelet op artikel 6:16 van de Awb en bij gebreke van een andersluidende bepaling in de toepasselijke verordeningen, geen schorsende werking. Nu het College heeft geoordeeld dat intrekking van de erkenning bovendien terecht is gebeurd, ziet het College aanleiding om de betreffende primaire besluiten te herroepen en de aanvragen alsnog af te wijzen

5.

Nu de beroepen gericht tegen de buiten behandeling stelling van de aanvragen om uitbetaling van steun voor 2010 en 2011, wijziging van het Operationele Programma van 2011, dan wel toekenning van steun voor 2012 gegrond zijn, ziet het College aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten. Deze kosten worden, met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor verleende rechtsbijstand in beroep begroot op € 1416,-- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, vermenigvuldigd met de factor 1,5 nu het vier samenhangende zaken betreft, van gemiddeld gewicht).

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep met nummer 11/1086 (betreffende de opheffing van de schorsing) ongegrond;

- verklaart het beroep met nummer 12/529 (betreffende de intrekking van de erkenning) ongegrond;

- verklaart het beroep met nummer 12/592:

deels ongegrond, voor zover het ziet op de terugvordering van het steunbedrag voor het eerste kwartaal van 2011, met oplegging van rente;

deels gegrond, voor zover het ziet op de buiten behandeling stelling van de steun voor 2012 en

de uitbetaling van de steun voor 2010;

vernietigt het besluit van 10 mei 2012 in zoverre;

herroept het primaire besluit van 11 oktober 2011 in zoverre;

wijst de aanvragen om steun voor 2012 en de uitbetaling van de steun voor 2010 af.

- verklaart het beroep met nummer 12/593 (betreffende de steun voor het 2e en 3e kwartaal van 2011 en de wijziging van het Operationeel Programma voor 2011) gegrond;

vernietigt het besluit van 10 mei 2012;

herroept het primaire besluit van 12 december 2011;

wijst de aanvragen om de steun voor het 2e en 3e kwartaal van 2011 en de wijziging van het Operationeel Programma voor 2011 af.

- verklaart het beroep met nummer 12/594 (betreffende het tussentijds verzoek om wijziging van het Operationeel Programma 2011) gegrond;

vernietigt het besluit van 24 mei 2012;

herroept het besluit van 16 januari 2012;

wijst de aanvraag om tussentijdse wijziging af.

- verklaart het beroep met nummer 12/595 (betreffende de aanvraag om uitbetaling van steun voor het jaar 2011) gegrond;

vernietigt het besluit van 24 mei 2012;

herroept het primaire besluit van 6 maart 2012;

wijst het verzoek om uitbetaling van de steun voor 2011 af.

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 310,-- (zegge: driehonderdtien) aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1416,-- (zegge: veertienhonderdzestien), te vergoeden aan appellante.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, mr. R.F.B. van Zutphen en mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. A.G.J. van Ouwerkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 september 2013.

M. Munsterman A.G.J. van Ouwerkerk