Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BZ1946

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28-12-2012
Datum publicatie
21-02-2013
Zaaknummer
AWB 10/1192
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Subsidieregeling innoveren; motiveringsgebrek; rechtsgevolgen stand gelaten; wijze waarop de rol van de penvoerder is ingevuld voldoet niet aan de Regeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 10/1192 28 december 2012

27304 Kaderwet EZ-subsidies - Subsidieregeling innovatieprestatiecontracten (IPC)

Uitspraak in de zaak van:

Stichting Partners in Innovatie (hierna: SPIN), te Apeldoorn,

gemachtigde: drs. G. Knippenborg, directeur van Knippenborg subsidieadvies te Lochem,

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. G. Baarsma, werkzaam bij Agentschap NL (voorheen SenterNovem).

1. De procedure

Bij besluit van 3 mei 2010 heeft verweerder SPIN’s aanvraag om subsidie op grond van hoofstuk 4 van de Regeling van de Minister van Economische Zaken van 3 december 2008, nr. WJZ/8187683, houdende vaststelling van subsidie-instrumenten op het terrein van innoveren (hierna: de Regeling) afgewezen.

Bij besluit van 22 september 2010 heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft SPIN bij brief van 1 november 2010, bij het College ingekomen op 3 november 2010, beroep ingesteld.

Op 4 november 2010 en 2 december 2010 heeft het College van SPIN aanvullende stukken ontvangen.

Bij brief van 7 februari 2011 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 25 september 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Daarbij zijn de gemachtigden van partijen verschenen. Voorts zijn voor SPIN verschenen: ir. A.J. Smelt, werkzaam bij Knippenborg subsidieadvies en G. Schepers, voorzitter van het bestuur van SPIN. Voor verweerder zijn tevens dr. H.P. Lengkeek en ir. B. Yanik verschenen.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 De Regeling luidde ten tijde en voor zover van belang als volgt:

" Hoofdstuk 4. Innovatieprestatiecontracten

§ 1 Algemeen

Artikel 4.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

(…)

IPC-penvoerder: de rechtspersoon die:

a. namens de IPC-deelnemers optreedt als projectleider van een IPC-verband op basis van een met de IPC-deelnemers gesloten samenwerkingsovereenkomst, dan wel

b. de mogelijkheden onderzoekt om tot een IPC-verband te komen, als bedoeld in paragraaf 2 van dit hoofdstuk;

(…)

overkoepelend plan: een beschrijving van de activiteiten, die krachtens een tussen de IPC-penvoerder en de IPC-deelnemers gesloten samenwerkingsovereenkomst gedurende de looptijd van een innovatieproject door de IPC-penvoerder ten behoeve van de IPC-deelnemers zullen worden uitgevoerd alsmede een omschrijving van de planning van de geraamde kosten.

Artikel 4.2

1. Op de IPC-penvoerder en het IPC-verband zijn de artikelen 20, 29, 39, tweede lid en 51, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies van overeenkomstige toepassing.

2. Een IPC-penvoerder is een rechtspersoon zonder winstoogmerk met volledige rechtsbevoegdheid, niet zijnde een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, die MKB-ondernemer is en volgens haar statuten tot doel heeft de behartiging van belangen van ondernemingen.

(…)

§ 3. Subsidie ten behoeve van een innovatieprestatiecontract

Artikel 4.16

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

(…)

d. de subsidiabele kosten voor collectieve activiteiten, zoals beschreven in de gezamenlijke innovatieplannen, niet ten minste € 10.000 vermenigvuldigd met het aantal deelnemers, bedragen;

e. het overkoepelende plan niet het vertrouwen geeft dat de IPC-penvoerder de begeleiding van de IPC-deelnemers bij het uitvoeren van hun innovatieplannen en de totstandkoming en begeleiding van de in het plan opgenomen samenwerkingsprojecten naar behoren kan uitvoeren;

f. uit het innovatieplan onvoldoende blijkt dat de IPC-deelnemer activiteiten verricht die gericht zijn op innovatie van zijn producten of productieproces."

De Toelichting bij de Regeling bevat de volgende van belang zijnde passages:

" Artikel 4.2

(…)

De rol van de penvoerder is die van begeleider. De penvoerder participeert niet direct in de plannen en projecten. De wijze waarop de penvoerder zijn begeleidende rol invult staat beschreven in het overkoepelende plan waar deze projecten onderdeel van zijn. (…)

De IPC-penvoerder heeft een specifieke rol in het kader van het realiseren van het overkoepelende plan en is alleen subsidie-ontvanger voor een zogenaamd pre-IPC. Wel is het praktisch om een aantal bepalingen uit het Kaderbesluit EZ-subsidies van overeenkomstige toepassing te verklaren. Dit is gebeurd in het eerste lid. (…) De bepalingen omtrent uitbetaling van de subsidie aan de penvoerder zijn niet van overeenkomstige toepassing verklaard. Dit zou, gezien de hiervoor beschreven bijzondere positie van de IPC-penvoerder en het grote aantal IPC-deelnemers, niet juist zijn.

(…)

Een IPC-penvoerder (tweede lid) kan heel goed een brancheorganisatie zijn, maar dat is niet noodzakelijk. (…) Gedacht kan worden aan regionale samenwerkingsverbanden. Gekozen is voor privaatrechtelijke rechtspersonen zonder winstoogmerk om te voorkomen dat commerciële partijen zonder draagvlak bij bedrijven de penvoerdersrol aanwenden voor eigen gewin. (…)

Artikel 4.10

Indien er een IPC verband totstandkomt, is er voor elke IPC-deelnemer subsidie beschikbaar voor de uitvoering van zijn innovatieplan. De subsidie wordt verstrekt aan de IPC-deelnemer op (gebundelde) aanvraag van de IPC-penvoerder. (…)"

De Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt als volgt:

" Artikel 7:12

1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. (…)"

2.2 Het College stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit onder het kopje “toelichting op de relevante regelgeving” de afwijzingsgronden uit artikel 4.16, onder e en f van de Regeling heeft geciteerd. Vervolgens heeft verweerder onder het kopje “bevindingen en overwegingen” een veelheid van argumenten genoemd op grond waarvan de aanvraag volgens hem niet voor inwilliging in aanmerking komt. Het College stelt voorts vast dat verweerder daarbij heeft nagelaten te concluderen of de (geciteerde) afwijzingsgronden uit artikel 4.16 van de Regeling zich voordoen en zo ja, op grond waarvan. Pas tijdens de zitting bij het College heeft verweerder verduidelijkt dat de afwijzingsgronden onder d en e uit artikel 4.16 van de Regeling in het onderhavige geval van toepassing zijn en daarvoor een deugdelijke motivering gegeven. Het College is van oordeel dat verweerder daardoor in strijd met het bepaalde van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb heeft gehandeld. Nu het besluit niet berust op een deugdelijke motivering komt het besluit reeds om die reden voor vernietiging in aanmerking.

2.4. Het College ziet even wel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten en overweegt daartoe als volgt.

Het College acht het ter zitting ingenomen en toegelichte standpunt van verweerder dat niet het vertrouwen bestaat dat SPIN als IPC-penvoerder de begeleiding van de IPC-deelnemers bij het uitvoeren van hun innovatieplannen en de totstandkoming en begeleiding van de in het plan opgenomen samenwerkingsprojecten naar behoren kan uitvoeren, gerechtvaardigd. Immers, niet kan worden uitgesloten dat de penvoerdersrol wordt aangewend voor eigen gewin, nu alle (drie) bestuurders van SPIN tevens overwegende zeggenschap hebben in een rechtspersoon die tevens deelnemer is in het IPC. Deze constructie is in strijd met de strekking van de Regeling, aangezien zowel uit de definitiebepaling van artikel 4.1 van de Regeling als de toelichting op de Regeling volgt dat de penvoerder niet moet participeren in de plannen en projecten. Daar komt bij dat - in strijd met de Regeling (en de toelichting daarop) - in de samenwerkingsovereenkomsten die SPIN met individuele IPC-deelnemers heeft gesloten een bepaling is opgenomen dat de uitgekeerde subsidie moet worden uitbetaald aan de penvoerder, die vervolgens de deelnemers hun deel uitbetaalt. Uit de toelichting bij artikel 4.2 van de Regeling blijkt dat het vanwege de bijzondere positie van de IPC-penvoerder uitdrukkelijk niet de bedoeling is dat de subsidie aan de penvoerder wordt uitbetaald. Hieraan kan de stelling van SPIN dat de subsidie gezien het statutaire doel van SPIN niet kan worden aangewend voor eigen gewin kan, niet afdoen.

Op grond van het hiervoor overwogene, komt het College tot de conclusie dat de afwijzingsgrond van artikel 4.16, onder e, van de Regeling zich voordoet en dat de aanvraag om subsidie reeds om die reden niet voor inwilliging in aanmerking komt.

2.5 De stelling van SPIN dat verweerder haar in staat had moeten stellen de gebreken te herstellen door bijvoorbeeld alle bestuursleden te vervangen, volgt het College niet.

Nu het penvoerderschap op meerdere onderdelen wordt ingevuld op een wijze die niet voldoet aan, respectievelijk in strijd is met de Regeling, is naar het oordeel van het College is geen sprake van voor herstel vatbare gebreken.

2.6 De omstandigheid dat verweerder voorafgaande aan de definitieve subsidieaanvraag van SPIN niet heeft gewezen op eventuele tekortkomingen in de door SPIN destijds overgelegde conceptplannen kan er niet toe leiden dat de aanvraag om subsidie had moeten worden toegewezen. Het enkele stilzwijgen van verweerder in de aan de aanvraag voorafgaande fase brengt immers niet met zich mee dat SPIN er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat haar (concept)plannen voldeden aan de voorwaarden voor subsidie in het kader van een IPC.

2.7 Het College overweegt voorts dat uit de gedingstukken is gebleken dat ook niet is voldaan aan de voorwaarde dat de subsidiabele kosten voor collectieve activiteiten, zoals beschreven in de gezamenlijke innovatieplannen, ten minste € 10.000 vermenigvuldigd met het aantal deelnemers bedragen. Derhalve doet ook de afwijzingsgrond uit artikel 4.16, onder d, van de Regeling zich voor.

2.8 Ten aanzien van de in het beroepschrift opgenomen ingebrekestelling wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar oordeelt het College dat het beroep ook op dit punt ongegrond moet worden verklaard. Ten tijde van de indiening van het beroepschrift was immers al een beslissing op bezwaar genomen en het beroep van SPIN is daartegen gericht.

2.9 Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is geen sprake.

3. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen in stand blijven;

- bepaalt dat verweerder aan SPIN het door haar betaalde griffierecht ad € 298,-

(zegge: tweehonderdachtennegentig euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, mr. J.A.M. van den Berk en mr. R.J.G.M. Widdershoven, in tegenwoordigheid van mr. N.W.A. Verrijt als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 december 2012.

w.g. M.A. van der Ham w.g. N.W.A. Verrijt