Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BZ1723

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-12-2012
Datum publicatie
20-02-2013
Zaaknummer
AWB 10/160
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Mishandeling paard onvoldoende aannemelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 10/160 21 december 2012

11201 Gezondheids- en welzijnsdienst voor dieren

Bestuursdwang

Uitspraak in de zaak van:

A en B, te C, appellanten,

gemachtigde: mr. C.A. van Kooten-de Jong, advocaat te Montfoort,

tegen

de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,

gemachtigde: mr. J.A. Diephuis, werkzaam bij verweerders ministerie,

1. Het procesverloop

Verweerder heeft op 28 mei 2009 besloten tot toepassing van bestuursdwang. Daarbij is het paard van appellanten in bewaring genomen. Bij besluit van 6 juli 2009 heeft verweerder deze beslissing op schrift gesteld.

Bij besluit van 19 januari 2010 heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 19 februari 2010, bij het College binnengekomen op 23 februari 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn bij brief van 24 maart 2010 aangevuld.

Bij brief van 21 mei 2010 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 7 en 8 mei 2012 heeft verweerder nadere gedingstukken ingediend. Bij brieven van 11, 12 en 14 mei 2012 hebben appellanten gedingstukken ingediend.

Op 25 mei 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellanten in persoon zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Voor verweerder is zijn gemachtigde verschenen:, alsmede E.H. Nieboer, hoofdagent Regiopolitie Groningen.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 De Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwwd) bepaalde, ten tijde en voor zover hier van belang, het volgende:

“ Artikel 36

1. Het is verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van een dier te benadelen.

(…)

3. Een ieder is verplicht hulpbehoevende dieren de nodige zorg te verlenen.

Artikel 37:

Het is de houder van een dier verboden aan een dier de nodig zorg te onthouden.

Artikel 106

Onze Minister is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen.”

De Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalde, ten tijde en voor zover hier van belang, het volgende:

“ Artikel 5:21

Onder bestuursdwang wordt verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Artikel 5:24

1. Een beslissing tot toepassing van bestuursdwang wordt op schrift gesteld. De schriftelijke beslissing is een beschikking.

(…)

4. In de beschikking wordt een termijn gesteld waarbinnen de belanghebbenden de tenuitvoerlegging kunnen voorkomen door zelf maatregelen te treffen. Het bestuursorgaan omschrijft de te nemen maatregelen.

5. Geen termijn behoeft te worden gegund, indien de vereiste spoed zich daartegen verzet.

6. Indien de situatie dermate spoedeisend is dat het bestuursorgaan de beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet tevoren op schrift kan stellen, zorgt het alsnog zo spoedig mogelijk voor de opschrifstelling en voor de bekendmaking.

Artikel 5:29

1. Tot de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang behoort het meevoeren en opslaan van daarvoor vatbare zaken voor zover de toepassing van bestuursdwang dit vereist”.

2.2 Bij de beoordeling van het beroep gaat het College uit van de volgende feiten en omstandigheden:

- Op 28 mei 2009 hebben de districtsinspecteur van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID) en een hoofdagent van de regiopolitie Groningen (hierna: verbalisanten) naar aanleiding van diverse telefonische meldingen drie getuigen gehoord over de vermeende mishandeling van het paard van appellanten. Van deze verhoren is proces-verbaal opgemaakt.

- Op dezelfde dag hebben verbalisanten een bezoek gebracht aan het erf van appellanten. B is daarbij verhoord als verdachte van mishandeling van het paard. Voorts hebben verbalisanten het paard en zijn verblijfplaats bekeken en hebben zij daarvan foto’s gemaakt.

- Naar aanleiding van dit bezoek is op dezelfde dag, na overleg met het Openbaar Ministerie en de Dienst Regelingen, het paard in bewaring genomen en naar een opslaghouder gebracht.

- Op 29 mei 2009 heeft een dierenarts het paard bij de opslaghouder bezocht. Blijkens diens verklaring van 5 september 2009 heeft de dierenarts onder meer geconstateerd dat het paard longproblemen (dampigheid) had, te mager was en typisch gedrag vertoonde (bang maar toch nieuwsgierig, boos en verdedigend). De oorzaak van de magerheid was blijkens de verklaring van de dierenarts dat het paard slecht gevoerd was of dat sprake was een slechte voergift-werkverhouding. Voorts heeft de dierenarts geconcludeerd niet te kunnen vaststellen of de eigenaar/verzorger te verwijten valt dat het dier in deze situatie is geraakt. Daarbij heeft hij opgemerkt dat de toestand bij een dampig paard kan verslechteren wanneer het te verrichten werk niet wordt aangepast. Over het gedrag van het dier heeft de dierenarts opgemerkt dat hij de indruk kreeg dat er niet zo lief mee werd omgegaan.

- Op 2 juni 2009 is een vierde getuige gehoord.

- Op 2 juli 2009 is door verbalisanten een rapport van bevindingen opgemaakt.

- Bij besluit van 6 juli 2009 heeft verweerder zijn beslissing tot toepassing van bestuursdwang op 28 mei 2009 op schrift gesteld. Daarbij is appellanten – samengevat weergegeven – verweten dat zij:

a. hebben nagelaten het paard van een, voor de soort en leeftijd, voldoende hoeveelheid voer te voorzien;

b. hebben nagelaten het paard (medische) zorg te geven;

c. het paard opzettelijk hebben geslagen;

d. het paard opzettelijk hebben geblinddoekt;

e. het paard opzettelijk hebben uitgeput.

Omdat het dier acuut en structureel moest worden voorzien van (medische) zorg en gevrijwaard van fysieke en mentale mishandeling en gezien de opstelling van appellanten, waaruit weinig inzicht bleek in het eigen handelen, bestond volgens verweerder de noodzaak tot onmiddellijk ingrijpen.

- In de beslissing op bezwaar heeft verweerder deze beslissing gehandhaafd.

- Het Gerechtshof Leeuwarden (hierna: het Hof) heeft bij arrest van 18 november 2011 geoordeeld dat niet bewezen is dat A, die terzake van bovengenoemde feiten vervolgd werd, het ten laste gelegde heeft begaan en hem daarvan vrijgesproken. De tenlastelegging luidde als volgt:

“ dat hij, op een of meer tijdstippen in de maand mei 2009, te D, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een paard pijn of letsel heeft veroorzaakt, danwel de gezondheid van het paard heeft benadeeld door dit paard arbeid te doen verrichten, welke zijn fysieke grens te boven ging en/of het paard telkens nodeloos met een zweep te slaan en/of het paard te blinddoeken en/of het paard op een plaaats te laten staan zonder de mogelijkheid te rusten en er geen zorg voor te dragen dat de box waarin het paard verbleef was voorzien van een bodembedekking.”

2.3 Appellanten hebben in beroep gemotiveerd de vijf verwijten (a t/m e) uit het primaire besluit van 6 juli 2009 betwist. Daarbij is onder meer aangevoerd dat aan de verklaringen van de verbalisanten geen (doorslaggevend) belang kan worden gehecht, omdat zij ten aanzien van de fysieke gesteldheid van het paard niet veel hebben gezien. Voorts kunnen de verbalisanten niet deskundig worden geacht. Verbalisant Nieboer heeft volgens appellanten ten opzichte van de rechter-commissaris in het kader van de strafrechtelijke procedure erkend dat alleen een dierenarts deskundig genoeg is om de lichamelijke toestand van het paard te beoordelen. De foto’s die tijdens het bezoek op 28 mei 2009 zijn gemaakt mogen niet als bewijs dienen, omdat er volgens appellanten bewijs bestaat voor bewerking van die foto’s. Voorts zijn de foto’s een momentopname en geven deze geen volledig beeld van de situatie van het paard.

Uit de verklaring van de dierenarts blijkt geen dierenverwaarlozing of mishandeling door appellanten. Hij is immers niet bekend is met de voorgeschiedenis van het paard. De dierenarts heeft dat ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard.

Ter onderbouwing van de betwisting van de door verweerder gestelde mishandeling van het paard, hebben appellanten verwezen naar het arrest van het Hof van 18 november 2011, waarbij is geoordeeld dat het ten laste gelegde niet bewezen is verklaard en waarbij

A is vrijgesproken.

De door verweerder overgelegde getuigenverklaringen hebben appellanten ter zitting bij het College een voor een gemotiveerd betwist. De beweerde video-opname door één van de getuigen d.d. 22 mei 2009 kan volgens appellanten niet als bewijs worden gebezigd, omdat deze video geen deel uitmaakt van het dossier. Ter zitting bij het College hebben appellanten twee (korte) op 24 en 27 mei 2009 door hen zelf gemaakte video’s van het paard laten zien, waaruit volgens hen blijkt dat het paard er goed uit zag en dat zijn behuizing in orde was.

Appellanten zijn dan ook van mening dat geen sprake was van overtreding van artikel 36 en 37 van de Gwwd en dat derhalve geen aanleiding bestond voor het toepassen van bestuursdwang.

Voor zover het College oordeelt dat wel sprake was van voornoemde overtreding bestond, zo hebben appellanten aangevoerd, geen noodzaak tot toepassing van spoedbestuursdwang. Appellanten hadden in de gelegenheid moeten worden gesteld om zelf maatregelen te treffen om de geconstateerde overtreding te herstellen.

Tot slot achten appellanten het bestreden besluit in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, omdat het onderzoek door de opsporingsambtenaren onzorgvuldig is geweest en ze bevooroordeeld waren. Daarnaast is zonder bevoegdheid daartoe de woning betreden en is geen mogelijkheid geboden voor het verrichten van tegenonderzoek.

2.4 Voor verweerder staat vast dat appellanten de geconstateerde overtredingen hebben begaan. Het welzijn van het paard is daarbij ernstig benadeeld. De getuigenverklaringen zijn overduidelijk en schetsen onafhankelijk van elkaar hetzelfde beeld. Ter zitting heeft verweerder gewezen op een verklaring van de vorige eigenaar van het paard, E. Deze niet eerder overgelegde verklaring is volgens verweerder interessant vanwege een verklaring die B ten opzichte van E heeft gedaan. Daaruit blijkt dat het mishandelen en het te weinig voeren, deel uitmaakten van de gekozen strategie om het paard op te voeden.

Verweerder heeft betwist dat met de foto’s is geknoeid.

Gezien het feit dat het paard met spoed moest worden voorzien van voedsel en zorg en gevrijwaard moest worden van verdere mishandeling, bestond geen andere optie dan het toepassen van spoedbestuursdwang. Daarbij acht verweerder van belang dat het appellanten ontbreekt aan inzicht in de gevolgen van hun handelen.

2.5 Het College constateert dat de vragen omtrent het bewijs van de door verweerder gestelde overtredingen niet wezenlijk verschillen van de vragen die in de strafrechtelijke procedure tegen appellanten moesten worden beantwoord. Hoewel het College niet is gebonden aan het oordeel van de strafrechter, acht het in dit geval, in navolging van het Hof niet bewezen dat A het paard heeft mishandeld. De waarnemingen door de getuigen (omwonenden) zijn van een te grote afstand gedaan zodat niet op basis van deze waarnemingen kan worden bewezen dat het paard daadwerkelijk met de zweep werd geraakt.Voorts hebben noch de verbalisanten noch de dierenarts verwondingen op het lichaam van het dier waargenomen. Dit geldt evenzeer met betrekking tot het tegen het hoofd slaan van het paard en het blinddoeken van het paard.

Van de door de verbalisanten en de dierenarts geconstateerde slechte conditie van het paard (te mager, dampigheid, typisch gedrag) heeft het Hof eveneens niet bewezen geacht dat deze het rechtstreeks gevolg was van de handelingen die aan A worden verweten.

Het College ziet ook op dit punt geen aanleiding om tot een ander oordeel dan het Hof te komen.

Nu dezelfde feiten op grond van dezelfde bewijsmiddelen door verweerder aan B worden verweten, kan het College ook ten aanzien van haar geen aanleiding vinden om anders te oordelen.

De verklaring van E heeft verweerder pas ter zitting bij het College naar voren gebracht. Omdat het laten meewegen van deze nog niet eerder ingebrachte verklaring in strijd met een goede procesorde moet worden geacht, laat het College deze verklaring buiten beschouwing.

2.6 Het College komt, gezien het vorenstaande, tot de conclusie dat geen grond bestond voor toepassing van spoedbestuursdwang. Het bestreden besluit kan dan ook niet in stand blijven en dient te worden vernietigd. Voorts zal het College het besluit van 6 juli 2009 herroepen en bepalen dat deze uitspraak in plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.7 Verweerder dient met toepassing van artikel 8:75 Awb te worden veroordeeld in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting van het College, met wegingsfactor 1 en € 437,- per punt).

3. De beslissing

Het College

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het besluit van 6 juli 2009;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 874,- (zegge: achthonderdvierenzeventig

euro);

- bepaalt dat verweerder aan appellanten het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,- (zegge: honderdvijftig

euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. E.R. Eggeraat, mr. W.E. Doolaard, en mr. G.P. Kleijn in tegenwoordigheid van mr. N.W.A. Verrijt als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 december 2012

w.g. E.R. Eggeraat w.g. N.W.A. Verrijt