Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BZ1698

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-12-2012
Datum publicatie
20-02-2013
Zaaknummer
AWB 12/228
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Weigering Nederlandse Zorgautoriteit terug te komen van tariefbeschikkingen die in rechte onaantastbaar zijn geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RZA 2013/7

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Vijfde enkelvoudige kamer

AWB 12/228 21 december 2012

13950 Wet marktordening gezondheidszorg

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap Psychiatrie Amphia Ziekenhuis en Stichting Amphia, te Breda, appellanten,

gemachtigde: mr. B.A. van Schelven, advocaat te Amsterdam,

tegen

de Nederlandse Zorgautoriteit, verweerster,

gemachtigde: mr. H.M. den Herder, advocaat te Den Haag.

1. Het procesverloop

Bij besluit van 2 januari 2012 heeft verweerster het bezwaar van appellanten tegen de beslissing van 4 mei 2011 waarbij het verzoek van appellanten van 8 oktober 2010 is afgewezen, niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief, bij het College binnengekomen op 13 februari 2012, beroep ingesteld.

Appellanten hebben de gronden van hun beroep bij brief van 28 maart 2012 aangevuld.

Verweerster heeft bij brief van 6 juli 2012 een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 7 november 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben toegelicht.

Verder zijn A en B, maten van de Maatschap Psychiatrie Amphia Ziekenhuis, C, D en E, werkzaam bij verweerster, ter zitting verschenen.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Bij het bestreden besluit heeft verweerster het bezwaar van appellanten niet-ontvankelijk verklaard, aangezien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellanten niet in verzuim zijn geweest met het maken van bezwaar tegen de tariefbeschikkingen van 19 november 2003, 19 april 2005, 15 februari 2006 en 4 juli 2006 waarbij de aanvaardbare kosten voor de jaren 2002 tot en met 2005 definitief zijn vastgesteld. Ten overvloede heeft verweerster opgemerkt dat achteraf gezien het verzoek van appellanten om de loonkostenaftrek niet van toepassing te verklaren voor deeltijdbehandelingen voor de jaren 2006 en 2007 ten onrechte is toegewezen.

2.2 Appellanten stellen zich op het standpunt dat verweerster hun bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard vanwege een overschrijding van de bezwaartermijn. Zij voeren aan dat hun bezwaar zich niet richt tegen de tariefbeschikkingen voor de jaren 2002 tot en met 2005, maar tegen verweersters afwijzing van het verzoek om voor deze jaren nieuwe tariefbeschikkingen vast te stellen. Voor zover verweerster zich in het bestreden besluit ten overvloede op het standpunt heeft gesteld dat de Beleidsregel loon- en materiële kosten geestelijke gezondheidszorg zich tegen inwilliging van het verzoek verzet, voeren appellanten aan dat deze beleidsregel onrechtmatig is. Toepassing van de beleidsregel – in combinatie met het ontbreken van een tarief voor deeltijdbehandelingen – heeft volgens appellanten namelijk tot gevolg dat psychiaters voor deeltijdbehandelingen geen beloning hebben ontvangen. Indien voormelde beleidsregel niet onrechtmatig zou zijn, had verweerster van deze beleidsregel vanwege de onevenredige gevolgen voor appellanten moeten afwijken.

2.3 Vast staat dat appellanten tegen de tariefbeschikkingen van 19 november 2003, 19 april 2005, 15 februari 2006 en 4 juli 2006 geen rechtsmiddelen hebben aangewend. Dit betekent dat deze tariefbeschikkingen waarbij de aanvaardbare kosten voor de jaren 2002 tot en met 2005 definitief zijn vastgesteld in rechte onaantastbaar zijn geworden.

Appellanten hebben verweerster bij brief van 8 oktober 2010 verzocht voor de jaren 2002 tot en met 2005 alsnog de loonkostenaftrek niet van toepassing te verklaren voor de deeltijdzorg . Dit verzoek van appellanten behelst naar het oordeel van het College een verzoek aan verweerster om terug te komen van voormelde tariefbeschikkingen. Het is namelijk niet mogelijk het verzoek van appellanten in te willigen zonder de aanvaardbare kosten voor de jaren 2002 tot en met 2005 te wijzigen.

Bij besluit van 4 mei 2011 heeft verweerster geweigerd om terug te komen van voormelde tariefbeschikkingen die in rechte onaantastbaar zijn geworden. Het bezwaar van appellanten richt zich niet, zoals in het bestreden besluit is vermeld, tegen voormelde tariefbeschikkingen, maar tegen het besluit van verweerster van 4 mei 2011. Aangezien het bezwaar van appellanten binnen de bezwaartermijn van zes weken is ingediend, heeft verweerster dit ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

2.4 Gezien het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard en dient het bestreden besluit te worden vernietigd. Het College ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien en het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 4 mei 2011 ongegrond te verklaren. Uit de navolgende beoordeling blijkt namelijk dat dit bezwaar geen doel treft.

2.5 Zoals het College eerder – zie onder andere de uitspraken van 14 maart 2012, AWB 10/1360, LJN: BV9534 en 8 januari 2009, AWB 08/742, LJN: BH0992 – heeft overwogen, staat naar Nederlands bestuursrecht geen rechtsregel eraan in de weg dat een bestuursorgaan terugkomt van een door hem genomen besluit, dat naar nationaal recht definitief is geworden, zelfs niet indien geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (nova). Indien het bestuursorgaan weigert van een definitief geworden besluit terug te komen, dient naar nationaal recht de bestuursrechter het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nova en zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden van het oorspronkelijke besluit terug te komen. Daarbij ligt het op de weg van de indiener van het verzoek om nova naar voren te brengen.

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting hebben appellanten eind 2006 ontdekt dat vrijgevestigde psychiaters verbonden aan de psychiatrische afdeling van het Amphia Ziekenhuis geen vergoeding hebben ontvangen voor deeltijdbehandelingen. In bezwaar en beroep hebben appellanten een aantal argumenten genoemd waarom volgens hen de loonkostenaftrek in de aanvaardbare kosten ongedaan moet worden gemaakt waardoor de vrijgevestigde psychiaters alsnog voor deze behandelingen kunnen worden betaald. Het College is van oordeel dat hierin geen nova dan wel bijzondere omstandigheden zijn gelegen die een uitzondering rechtvaardigen op voormeld kader bij de rechterlijke toetsing. Appellanten hadden hun visie met betrekking tot de loonkostenaftrek eerder kunnen ontwikkelen en tijdig een rechtsmiddel tegen de tariefbeschikkingen van 19 november 2003, 19 april 2005, 15 februari 2006 en 4 juli 2006 kunnen indienen. Het College neemt daarbij in aanmerking dat het bedrag van de loonkostenaftrek is vermeld in de rekenstaten die behoren bij deze tariefbeschikkingen. Het College dient verweersters weigering om terug te komen van voormelde tariefbeschikkingen dan ook te respecteren.

2.6 Het College ziet aanleiding verweerster met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de kosten in verband met de behandeling van het beroep. Deze kosten worden vastgesteld op € 874,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift , 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, ad € 437,- per punt).

3. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 4 mei 2011 ongegrond;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- veroordeelt verweerster in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 874,- (zegge:

achthonderdvierenzeventig euro);

- bepaalt dat verweerster aan appellanten het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 310,- (zegge:

driehonderdentien euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. E. Dijt, in tegenwoordigheid van mr. B.S. Jansen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 december 2012.

w.g. E. Dijt w.g. B.S. Jansen