Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BZ1178

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
20-12-2012
Datum publicatie
18-02-2013
Zaaknummer
AWB 11/855
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2011:BT1704, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Boete wegens het op de markt brengen van Advanced Oxidation Technology (AOT) zonder toelating van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Het AOT-systeem produceert op de plaats van toepassing een biocide. De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden is van toepassing. De biocidenrichtlijn is niet van toepassing. Deze richtlijn bevat een uitputtende regeling voor het op de markt brengen van biociden, maar heeft geen betrekking op het op de markt brengen van apparatuur waarmee een biocide kan worden geproduceerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2013/121

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 11/855 20 december 2012

32200 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Minister van Infrastructuur en Milieu in overeenstemming met

de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (hierna: de Minister), appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Rotterdam (hierna: rechtbank) van 15 september 2011, AWB 10/3618 (LJN: BT1704), in het geding tussen Blygold Nederland B.V., te Houten (hierna: Blygold) en de Minister.

Gemachtigde van de Minister: mr. M. Ziel.

Gemachtigde van Blygold: mr. R.L.J. van der Meer, advocaat te Utrecht.

1. Het procesverloop in hoger beroep

De Minister heeft bij brief, bij het College binnengekomen op 17 oktober 2011, hoger beroep ingesteld tegen voormelde de uitspraak van de rechtbank.

De Minister heeft bij brief van 22 november 2011 de gronden van zijn hoger beroep aangevuld.

Blygold heeft bij brief van 25 januari 2012 een reactie op het hoger beroepschrift ingediend.

De Minister heeft bij brief van 30 augustus 2012 een nader stuk ingediend.

Op 18 september 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt nader hebben toegelicht. Verder zijn A, alsmede B, C, D en E, werkzaam voor de Minister, ter zitting verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (hierna: Wgb) bepaalde, ten tijde van belang:

? Artikel 1. Definities

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

biocide: werkzame stof of preparaat dat één of meer werkzame stoffen bevat, bestemd of aangewend om een schadelijk organisme te vernietigen, af te schrikken, onschadelijk te maken, de effecten daarvan te voorkomen of het op andere wijze langs chemische of biologische weg te bestrijden, niet zijnde een gewasbeschermingsmiddel en opgenomen in bijlage V bij richtlijn 98/8/EG;

(…)

werkzame stof: stof of micro-organisme, met inbegrip van een virus of fungus met een algemene of specifieke werking op of tegen schadelijke organismen.

(…)

3.Onder een biocide wordt mede verstaan een werkzame stof die door de gebruiker op de plaats van toepassing is gegenereerd door middel van apparatuur die niet bij ministeriële regeling is uitgezonderd van de werking van deze wet.

(…)

Artikel 20. Verbod op de markt brengen gewasbeschermingsmiddelen en biociden

Het is verboden een gewasbeschermingsmiddel of een biocide op de markt te brengen, voorhanden of in voorraad te hebben, binnen Nederland te brengen of te gebruiken, dat niet ingevolge deze wet is toegelaten of, voor zover het een biocide met een gering risico betreft, is geregistreerd.

(…)

Artikel 90. Bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete

1. Onze Minister kan, mede namens Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, een bestuurlijke boete opleggen ter zake van een overtreding van het bepaalde bij of krachtens artikel 18, 19, 20, 22, eerste, tweede of vierde lid, 40, derde lid, 64, achtste lid, 67, tweede lid, 71, eerste lid, 72, eerste, tweede of derde lid, 73, eerste lid, 74, tweede lid, 75, 76, eerste lid, 77 tot en met 81, 115 of 118.

2. Onze Minister stelt regels ter uitvoering van het eerste lid.?

De Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden (hierna: Regeling) bepaalde, ten tijde van belang:

? Artikel 9.6. Hoogte van de bestuurlijke boete

1. De hoogte van de bestuurlijke boete die overeenkomstig artikel 90, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden kan worden opgelegd, wordt vastgesteld overeenkomstig het bedrag dat in bijlage XIII voor de desbetreffende overtreding is vermeld

2.Indien de omstandigheden van het geval of de ernst van de overtreding daartoe aanleiding geven, kan in voorkomend geval een ander boetebedrag worden opgelegd dan vermeld in bijlage XIII.

(…)

Bijlage XIII. beleidsregels bestuurlijke boete gewasbeschermingsmiddelen en biociden

In de twee linker kolommen worden de artikelen aangeduid waar de desbetreffende overtreding is genoemd. De kolom wet verwijst naar de artikelen van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. De kolom besluit verwijst naar de artikelen van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden.

Wet Besluit Overtreding Standaard bestuurlijke

boete in €

(…)

20 Een niet in Nederland toegelaten 2000

gewasbescher-mingsmiddel of niet

toegelaten of niet geregi-streerd biocide

op de markt brengen of in Nederland brengen,

voorhanden of in voorraad hebben, of gebruiken.

(…)?

2.2 Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

Blijkens het boeterapport van 17 maart 2009 heeft op 15 januari 2009 een controle plaatsgevonden bij een gebouw van Stichting Novadic-Kentron aan de Rompertseweg 12 te ’s-Hertogenbosch. Hierbij is vastgesteld dat in de drinkwaterinstallatie ten behoeve van legionellapreventie een desinfectiemethode operationeel was, waarbij gebruik werd gemaakt van een zogenoemde Advanced Oxidation Technology (hierna: AOT). Het geïnstalleerde AOT-systeem was niet door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (hierna: Ctgb) toegelaten en had evenmin een vrijstelling voor proefdoeleinden. Het AOT-systeem was door Blygold geleverd en, nadat het door een ander bedrijf in de drinkwaterinstallatie van eerdergenoemd gebouw geïnstalleerd was, in bedrijf gesteld. Op 30 januari 2009 heeft een controle bij Blygold plaatsgevonden.

Bij besluit van 28 januari 2010 heeft de Minister Blygold een boete van € 2.000,- opgelegd wegens overtreding van artikel 20 Wgb.

Tegen dit besluit heeft Blygold bezwaar gemaakt.

De Minister heeft bij besluit van 29 juli 2010 het bezwaar van Blygold ongegrond verklaard.

3. De uitspraak van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep van Blygold gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft het primaire besluit waarbij de boete is opgelegd herroepen en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van dat besluit. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen:

? 2.4.1 Blijkens de considerans van de biocidenrichtlijn [Richtlijn 98/8/EG betreffende het op de markt brengen van biociden - toevoeging College] is het doel van de biocidenrichtlijn te komen tot harmonisatie van de interne markt voor biociden en de daarvan afgeleide producten met een hoge mate van bescherming voor mens, dier en milieu. Zo wordt in punt 9 van de considerans overwogen dat het nodig is te zorgen voor gemeenschappelijke beginselen voor de beoordeling en toelating van biociden om een geharmoniseerde benadering door de lidstaten te verzekeren.

Naar aanleiding van de uitwerking van de biocidenrichtlijn heeft overleg plaatsgevonden tussen de Commissie van de Europese Gemeenschappen (hierna: de Commissie) en de lidstaten over onder andere de vraag welke richtlijnen voorgaan op de biocidenrichtlijn, en ook over de vraag of zogenaamde ‘in situ generatie’ onder de biocidenrichtlijn valt. Dit overleg heeft geresulteerd in een handboek: “The manual of decisions for implementation of directive 98/8/EC concerning the placing on the market of biocidal products” (hierna: het handboek). Dit handboek is op de website van de Commissie bekendgemaakt. Dit handboek geeft het overeengekomen gemeenschappelijke standpunt weer van de lidstaten en de Commissie, maar is niet juridisch bindend.

2.4.2 Bij een AOT-systeem worden door middel van UV-straling en een titaniumdioxide-katalysator hydroxylradicalen in water in situ gegenereerd. Blijkens paragraaf 2.2.1.3 van het handboek, versie 10 juli 2008, zijn de lidstaten en de Commissie in april 2006 overeengekomen dat de AOT waarbij vrije radicalen worden gegenereerd niet onder de reikwijdte van de biocidenrichtlijn valt, indien geen chemicaliën of voorlopers worden toegevoegd, omdat in dat geval geen biocide wordt vrijgelaten in de omgeving. Er is in dat geval geen sprake van een biocide die op de markt wordt geplaatst, aldus het handboek. Hoewel verweerder terecht heeft gesteld dat biociden die ‘in situ’ worden gegenereerd blijkens voornoemd handboek derhalve onder de werking van de biocidenrichtlijn kunnen vallen, blijkt uit het voorgaande dat bepalend is of chemicaliën dan wel voorlopers worden toegevoegd. Tussen partijen is niet in geschil dat in de door eiseres geleverde AOT geen chemicaliën of voorlopers worden toegevoegd.

2.4.3 Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in het onderhavige geval de AOT toch onder de biocidenrichtlijn valt. Dat het handboek niet juridisch bindend is, doet aan dit motiveringsvereiste niet af. De lezing van verweerder van de woorden “should not” in het handboek, in die zin dat het enkel moet worden opgevat als een ‘voorstel’ om AOT niet onder de richtlijn te laten vallen, volgt de rechtbank, gelet op hetgeen is overwogen onder 2.4.1, niet.

2.4.4 Voor zover verweerder betoogt dat de biocidenrichtlijn ruimte laat voor het stellen van strengere eisen door de Lidstaten, en verweerder van die ruimte gebruik heeft gemaakt door in de Wgb tevens de ‘in situ gegenereerde biociden’ aan te merken als biocide, overweegt de rechtbank dat voor zover de biocidenrichtlijn al ruimte laat voor een ruimere definitie van biocide, verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat in dit geval sprake is van een werkzame stof als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Wgb. De stelling van verweerder dat de hydroxylradicalen die door de AOT in situ worden gegenereerd, worden aangemerkt als ‘werkzame stof’ volgt de rechtbank niet, nu niet is gebleken dat door de productie van voornoemde hydroxylradicalen de eigenschappen van het water worden veranderd, dan wel daar iets aan wordt toegevoegd.?

4. De standpunten van partijen in hoger beroep

4.1 De Minister stelt zich op het standpunt dat het AOT-systeem een biocide is als bedoeld in artikel 1, derde lid, Wgb en dat de nationale wetgeving niet in strijd komt met de biocidenrichtlijn of met enig ander Europeesrechtelijk voorschrift. Hij betoogt dat de biocidenrichtlijn is gericht op de bevordering van de interne markt en enkel ziet op verhandelbare middelen. De nationale wetgever heeft tevens de toelatingseis willen stellen aan biociden die niet aan de gebruiker geleverd (kunnen) worden, zoals vluchtige instabiele werkzame stoffen als chloorverbindingen en hydroxylradicalen, indien zij als bestemming de bestrijding van schadelijke organismen hebben. Van meet af aan is door de Minister aangegeven dat de nationale wetgeving in artikel 1, eerste en derde lid, van de Wgb, waarschijnlijk een ruimere definitie van het begrip biocide hanteert dan de biocidenrichtlijn, zulks mede met het oog op in situ gegeneerde biociden bedoeld voor de desinfectie van drinkwater. Het oordeel van de rechtbank dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de AOT toch onder de biocidenrichtlijn valt, is daarom onjuist.

Voorts wijzen de ontwikkelingen op Europees niveau meer in de richting van een uitbreiding van het biocidenbegrip dan van een beperking, zoals de rechtbank aanneemt. In situ gegenereerde biociden zullen volgens de Minister onder de werkingssfeer van de toekomstige biocidenverordening vallen. Tevens is een ruimhartige uitleg van het biocidenbegrip gerechtvaardigd gelet op het arrest van het Hof van de Europese Unie van 1 maart 2012 in zaak C-420/10.

De rechtbank is ten onrechte voorbijgegaan aan de belangen die in dit geval met handhaving van de Wgb zijn gediend. Het Ctgb dient de werking van middelen ter bestrijding van legionella op werkzaamheid en de gevolgen voor mens en milieu voorafgaand aan de verhandeling en toepassing te kunnen toetsen. Handhaving is volgens de Minister tevens van belang vanuit een oogpunt van oneerlijke concurrentie.

4.2 Blygold concludeert tot afwijzing van het hoger beroep van de Minister en bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. Blygold vindt het niet verdedigbaar dat de Minister afwijkt van de biocidenrichtlijn. Zij wijst op het harmoniserende doel van deze richtlijn zoals deze onder meer blijkt uit het handboek. Er is naar de mening van Blygold geen ruimte om werkzame stoffen en preparaten die op grond van de biocidenrichtlijn niet als biociden kunnen worden aangemerkt op grond van de Wgb toch als biociden aan te merken. De definitie van het begrip biociden in de biocidenrichtlijn waarbij het gaat om werkzame stoffen en preparaten ‘in de vorm waarin zij aan de gebruiker wordt geleverd’, is namelijk uitputtend.

Blygold bestrijdt dat bij het AOT-systeem sprake is van een werkzame stof. De verhandeling van de Minister in zijn hoger beroepschrift over dit systeem is niet juist. Er wordt geen werkzame stof toegevoegd aan het water en er worden geen stoffen geproduceerd of achtergelaten. Het water dat het AOT-systeem verlaat heeft exact dezelfde samenstelling als het water dat dit systeem inging met dat verschil dat de legionellabacterie is vernietigd. Blygold wijst er op dat ook het Ctgb moeite had het AOT-systeem te kwalificeren. In het besluit van 26 februari 2010 tot toelating van het systeem tot de Nederlandse markt zijn onder meer de aard van het preparaat en het procentuele gehalte werkzame stoffen niet vermeld.

Dat er een biocidenverordening zal worden ingevoerd is volgens Blygold niet relevant. In dit geval is de vraag aan de orde of de Wgb strijdig is met de biocidenrichtlijn en het handboek. Ook de verwijzing naar het arrest van het Hof in zaak C420/10 mag de Minister niet baten. Het gaat erom dat geen middelen in het milieu terecht mogen komen. Bij AOT-systemen met een in situ werking komen er evenwel geen middelen terecht in het milieu.

5. De beoordeling van het geschil in hoger beroep

5.1 Tussen partijen is niet in geschil dat Blygold een AOT-systeem op de markt heeft gebracht dat niet door het Ctgb was toegelaten of geregistreerd. Ter beoordeling staat de vraag of dit feit een overtreding van artikel 20 Wgb oplevert.

Het College stelt voorop dat de wetgever met artikel 1, derde lid, Wgb heeft beoogd apparatuur die op de plaats van toepassing – in situ – een werkzame stof genereert onder de werking van de Wgb te brengen. Dit volgt zowel uit de tekst van dit artikel als de toelichting daarop (Kamerstukken II, 2005-2006, 30474, nr. 9, p. 2 alsmede 2007-2008, 31 295, nr. 7, p. 21).

Uit de stukken komt naar voren dat door middel van een AOT-systeem in situ hydroxylradicalen worden gegenereerd. Deze in situ gegeneerde hydroxylradicalen moeten naar het oordeel van het College in dit geval als werkzame stof als bedoeld in artikel 1 van de Wgb worden aangemerkt. Zij betreffen namelijk een stof met een algemene of specifieke werking op of tegen de legionellabacterie die in (drink)water aanwezig kan zijn. Dat de in situ gegenereerde hydroxylradicalen de eigenschappen van het (drink)water niet veranderen dan wel daar iets aan toevoegen, is in dit verband niet bepalend. De definitie van het begrip werkzame stof in artikel 1 Wgb is zodanig geformuleerd dat ook stoffen die de eigenschappen van (drink)water niet veranderen en/of daarin van nature aanwezig kunnen zijn, zich kwalificeren als werkzame stof, indien deze worden gekenmerkt door een algemene of specifieke werking op of tegen schadelijke organismen.

Gezien het voorgaande moet worden geconcludeerd dat Blygold met het AOT-systeem een biocide op de markt heeft gebracht die niet door het Ctgb was toegelaten of geregistreerd. De overtreding van artikel 20 Wgb is daarmee gegeven.

5.1.1 De biocidenrichtlijn staat aan het voorgaande niet in de weg.

Uit artikel 1 van de biocidenrichtlijn volgt dat de werkingssfeer van de richtlijn is de toelating en het op de markt brengen met oog op gebruik van biociden in de lidstaten. Op grond van artikel 3, eerste lid, bepalen de lidstaten dat een biocide op hun grondgebied slechts op de markt gebracht en gebruikt mag worden, indien het overeenkomstig deze richtlijn is toegelaten. Toelating is in artikel 2, onder i, gedefinieerd als een bestuursrechtelijk besluit waarmee de bevoegde autoriteit van een lidstaat, ingevolge een door een aanvrager ingediende aanvraag, toelaat dat een biocide op haar grondgebied of een gedeelte daarvan op de markt wordt gebracht. In artikel 2, onder h, is op de markt brengen gedefinieerd als iedere levering, al dan niet tegen betaling, of daaropvolgende opslag, met uitzondering van leveringen voor opslag en daaropvolgende verzending buiten het douanegebied van de Gemeenschap of voor verwijdering.

Gezien voormelde bepalingen en het daarin neergelegde expliciete verband tussen toelating en het op de markt van biociden, stelt het College vast dat de biocidenrichtlijn een uitputtende regeling bevat voor biociden die op de markt worden gebracht. Aangezien Blygold in het onderhavige geval geen biocide, maar apparatuur waarmee (in situ) een biocide kan worden geproduceerd op de markt heeft gebracht, is de biocidenrichtlijn daarop niet van toepassing.

5.1.3 Het vooroverwogene leidt het College tot de slotsom dat de rechtbank ten onrechte tot vernietiging van het bestreden besluit en herroeping van het primaire boetebesluit is overgegaan. Het hoger beroep van de Minister is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

5.2 Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het College hieronder het betoog van Blygold in beroep beoordelen dat de Minister niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om een boete op te leggen wegens overtreding van artikel 20 Wgb.

5.2.1 Blygold heeft in beroep – samengevat weergegeven – aangevoerd dat de Minister de belangen onvoldoende heeft afgewogen. Ten tijde van de oplegging van de boete was volgens Blygold geen sprake van een gevaar voor de volksgezondheid. Zij heeft erop gewezen dat de apparatuur door KIWA was getoetst en akkoord bevonden voor een productintroductie begin 2006. Er hebben zich sindsdien volgens Blygold geen voorvallen voorgedaan en de Minister had kunnen weten dat de AOT-apparatuur in diverse andere landen was toegelaten voor gebruik in drinkwaterinstallaties. Daarnaast was bij Blygold het vertrouwen gewekt dat de AOT-apparatuur zonder enig probleem in Nederland kon worden verhandeld. UV-licht werd in 2006 en 2007 voor de bestrijding van de legionellabacterie gepropageerd. Pas in oktober 2007 werden nieuwe eisen gesteld, zonder overgangsregeling of rekening te houden met de gevestigde belangen van marktpartijen. Volgens Blygold heeft de Minister het op 23 februari 2009 bekend gemaakte gedifferentieerd handhavingsbeleid (Kamerstukken II, 2008-2009, 27 858, nr. 75) ten onrechte op 20 maart 2009 (Stcrt. 2009, nr. 55) gewijzigd in die zin dat dit gedoogbeleid niet langer op AOT-apparatuur in drinkwaterinstallaties betrekking heeft.

5.2.2 De Minister heeft zich op het standpunt gesteld dat hij aan Blygold in redelijkheid een boete heeft kunnen opleggen ter hoogte van het standaard boetebedrag dat is opgenomen in de Regeling. Volgens de Minister is altijd consequent opgetreden tegen AOT-apparatuur. Volgens hem diende voor een AOT-systeem ook onder de Bestrijdingsmiddelenwet een toelating te worden verkregen, alvorens dit op de markt kon worden gebracht. Er heeft geen onverhoedse verandering van regelgeving plaatsgevonden. Dat niet eerder handhavend is optreden, komt doordat de VROM-inspectie niet op de hoogte was van het feit dat Blygold het AOT-systeem vanaf 2006 in Nederland verhandelde. Het is volgens de Minister niet aan Blygold, maar aan het Ctgb om de risico’s van het AOT-systeem voor de volksgezondheid of milieu te wegen. Het is niet toegestaan om stoffen toe te voegen aan het drinkwater waarvan de effecten op de volksgezondheid niet bekend zijn.

5.2.3 Naar het oordeel van het College heeft de Minister bij zijn beslissing een boete op te leggen in redelijkheid doorslaggevend gewicht kunnen toekennen aan de omstandigheid dat het AOT-systeem effecten op de volksgezondheid zou kunnen hebben. Aan het Ctgb is voorbehouden om te beoordelen of het AOT-systeem geen onaanvaardbare effecten heeft op de gezondheid van mens of dier dan wel op het milieu, vanaf het moment dat een toelatingsprocedure wordt gestart. Nu ten tijde van de overtreding geen toelating van het Ctgb voor het AOT-systeem was verkregen en geen toelatingsprocedure was gestart, was onduidelijk of het AOT-systeem dergelijke onaanvaardbare effecten zou kunnen hebben. Dat Blygold al vanaf 2006 AOT-apparatuur in Nederland verhandelde en dat deze in andere landen was toegelaten, maakt deze situatie niet anders. Dit geldt evenzeer voor de omstandigheid dat de Minister niet eerder handhavend heeft opgetreden. In dat verband neemt het College mede in aanmerking dat Blygold niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Minister al voor de controle in januari 2009 op de hoogte was van haar handelsactiviteiten.

Het College kan Blygold niet volgen in haar betoog dat de Minister het vertrouwen zou hebben gewekt dat het AOT-systeem zonder toelating van het Ctgb op de markt zou kunnen worden gebracht. De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer heeft de Voorzitter van de Tweede Kamer bij brief van 1 februari 2008 (Kamerstukken II, 2007-2008, 26 442, nr. 36) het volgende bericht:

? Sinds kort is mij bekend dat er ontwikkelingen zijn om een andere techniek op de markt te brengen waarmee – net als bij anodische oxidatie – in het drinkwater radicalen worden gevormd teneinde legionellabacteriën te bestrijden. Het betreft het gebruik van UV-licht in combinatie met titanium, een combinatie die ik hier kortheidshalve aanduid als AOT. Deze techniek is een biocide in de zin van de Wgb. Vooralsnog ben ik van mening dat er over toepassing van deze techniek in de Nederlandse situatie nog te weinig bekend is om voor AOT een zelfde regeling te treffen als voor koper-zilverionisatie en anodische oxidatie. In het kader van de Wgb heeft de leverancier de mogelijkheid om voor locaties bij het Ctgb een ontheffing voor proefdoeleinden aan te vragen. Met een dergelijke ontheffing kunnen door middel van monitoring de effectiviteit en mogelijke neveneffecten worden onderzocht. Op basis van de aldus verzamelde gegevens zal ik te zijner tijd – indien daarom verzocht wordt – overwegen of het noodzakelijk is om voor AOT eenzelfde beleid te ontwikkelen als voor koper-zilverionisatie en anodische oxidatie.

Met de regeling voor koper-zilverionisatie en anodische oxidatie, mogelijk aangevuld met AOT, ga ik ervan uit dat er nu voldoende maatregelen voorhanden zijn om een effectieve bestrijding van legionellabacteriën mogelijk te maken. Ik zie dan ook geen aanleiding om voor nieuwe technieken nog een regeling voor gedifferentieerd handhaven te treffen."

Gelet op deze brief – gedateerd geruime tijd voordat de overtreding van artikel 20 Wgb werd geconstateerd – kan er naar het oordeel van het College geen misverstand over bestaan dat voor AOT-apparatuur niet eenzelfde specifiek handhavingsbeleid gold als voor koper-zilverionisatie en anodische oxidatie. Het door Blygold genoemde algemene gedifferentieerd handhavingsbeleid (Kamerstukken II, 2008-2009, 27 858, nr. 75 en Stcrt. 2009, nr. 55) is evenmin van toepassing, zoals expliciet is vermeld in de publicatie in de Staatscourant van 20 maart 2009 naar aanleiding van de brief Minister aan de Tweede Kamer van 23 februari 2009 waarin het handhavingsbeleid is beschreven. Het College volgt de stelling van Blygold dat deze publicatie een wijziging is van dat beleid, niet. Gezien het karakter van de publicatie – praktische informatie over de aanmeldingsprocedure en beleidstoepassing – acht het College het aannemelijk dat de publicatie is gedaan in het kader van de in de brief van de Minister aangekondigde voorlichtingscampagne. Voor de conclusie dat daarmee een beleidswijziging is beoogd, ziet het College geen aanknopingspunt.

5.2.4 Gezien het voorgaande heeft de Minister in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid een boete op te leggen. Het College zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van Blygold dan ook ongegrond verklaren.

6. De beslissing

Het College:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep van Blygold tegen het bestreden besluit ongegrond.

Aldus gewezen door mrs. M. van Duuren, E.R. Eggeraat en G.P. Kleijn in tegenwoordigheid van mr. B.S. Jansen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 december 2012.

w.g. M. van Duuren w.g. B.S. Jansen