Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BZ1170

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
20-12-2012
Datum publicatie
18-02-2013
Zaaknummer
AWB 11/564
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 11/564 20 december 2012

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellante,

tegen

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder.

gemachtigden: drs. M. Star en mr. C.E.B. Haazen, beiden werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. Het procesverloop

Appellante heeft bij brief van 18 juli 2011, bij het College binnengekomen op 20 juli 2011, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 8 juni 2011.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 december 2010, waarbij verweerder appellantes bedrijfstoeslag voor 2010 heeft vastgesteld op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (hierna: de Regeling).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Het College heeft verweerder in de procedure met AWB-nummer 10/1108 verzocht om een nadere reactie ten aanzien van de vraag hoe hellende oppervlakten dienen te worden gemeten in het kader van de bedrijfstoeslagregeling. Nu appellante dit ook aan de orde heeft gesteld in de onderhavige procedure en de zaken gelijktijdig ter zitting werden behandeld heeft het College de reactie van verweerder op dit verzoek eveneens aan appellante doen toekomen.

Appellante heeft het College nadien een nadere reactie doen toekomen.

Op 25 januari 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij appellante in persoon is verschenen en verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden, bijgestaan door D. Vogt.

Ter zitting heeft het College het onderzoek geschorst om verweerder de gelegenheid te geven nadere informatie te verstrekken. Verweerder heeft bij brief van 29 februari 2012 aan dit verzoek voldaan.

Partijen hebben desgevraagd toestemming gegeven voor het achterwege laten van een nader onderzoek ter zitting, waarna het College het onderzoek heeft gesloten.

2. Overwegingen

2.1 Met het formulier “Gecombineerde opgave 2010” heeft appellante om uitbetaling van haar toeslagrechten verzocht, en hiervoor 3 percelen met een totale oppervlakte van 6.10 ha opgegeven. Bij het primaire besluit van 22 december 2010 heeft verweerder de bedrijfstoeslag voor 2010 vastgesteld. Het toegekende bedrag is € 788,98. Bij die vaststelling is verweerder uitgegaan van 4,04 beschikbare toeslagrechten en een definitieve (geconstateerde) oppervlakte van 4.04 ha. Bij het nu bestreden besluit heeft verweerder dat besluit gehandhaafd.

2.2 Appellante voert in beroep, samengevat, aan dat verweerder de oppervlakte van perceel nummer 2 onjuist heeft vastgesteld. De juiste oppervlakte van dit perceel bedraagt 4.22 ha. Appellante voert hiertoe een aantal argumenten aan, onder meer dat het hier een dijkperceel betreft dat door verweerder ten onrechte niet langs de helling, dus driedimensionaal, maar in het platte vlak is gemeten.

2.3 Als vereiste voor de ontvankelijkheid van het beroep geldt dat met het beroep enigerlei wijziging van het rechtsgevolg van het bestreden besluit nagestreefd moet worden. Bij gebreke daarvan moet het beroep wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk worden verklaard. Het College overweegt dienaangaande, mede onder verwijzing naar de uitspraak van 26 september 2012, nr. AWB 11/595, LJN: BY0527, als volgt.

2.4 In alle geschillen over de gemeten oppervlakten die betrekking hadden op besluiten betreffende de bedrijfstoeslag over het jaar 2009 heeft het College procesbelang aangenomen. Daarbij is van belang geacht dat verweerder eerst een voorschotbeslissing heeft genomen op basis van de bij hem bekende gegevens, en pas daarna een voorgenomen nader onderzoek heeft verricht naar de juiste oppervlakte van de opgegeven percelen. Als bij dat onderzoek een kleinere oppervlakte werd vastgesteld dan bij de voorschotbeslissing was aangenomen, werd wel berekend wat de consequenties waren voor het recht op uitbetaling van toeslagrechten, maar werd, conform de tevoren uitgestippelde lijn, van terugvordering van een eventueel teveel uitbetaald bedrag afgezien. Verweerder heeft deze werkwijze gevolgd om landbouwers de gelegenheid te geven om de nieuwe meetresultaten (onder meer in bezwaarprocedures) ter discussie te stellen, en om te voorkomen dat landbouwers bij de besluitvorming inzake de toeslagrechten over het jaar 2010 plotseling geconfronteerd zouden worden met gewijzigde opvattingen over de (juiste wijze van vaststelling van de) oppervlakte van hun percelen, met mogelijk direct sancties vanwege een onjuiste opgave. Ook met het oog op de mestwetgeving had deze werkwijze het voordeel dat landbouwers de tijd kregen om onder ogen te zien wat de gevolgen waren van verweerders nieuwe benadering, en dat eventuele onjuistheden anders dan in bezwaar- of beroepsprocedures tegen reeds opgelegde sancties ter discussie gesteld kon worden.

Kort gezegd kwam het er op neer, dat een besluit waarbij de uitbetaling van toeslagrechten werd toegekend, als voorschotbesluit werd aangemerkt, ten einde bij een tweede besluit, dat dan als definitieve toekenningsbeslissing werd aangeduid, een wijziging in de motivering aan te kunnen brengen, die pas in de daarop volgende jaren soms belangrijke gevolgen voor de uitbetaling van toeslagrechten zou hebben, maar in die jaren slechts met het risico dat financieel ingrijpende sancties worden opgelegd en in stand gelaten, in rechte zou kunnen worden aangevochten. In die situatie heeft het College procesbelang aangenomen, omdat niet ontkend kon worden dat het in een volgend jaar uitlokken van een voor beroep vatbaar besluit door het indienen van een aanvraag of het uitrijden van mest op basis van een eigen opvatting over de oppervlakte van percelen, om op die wijze verweerders benadering van het meten van oppervlakten te kunnen aanvechten, een onevenredig belastende weg zou zijn.

In het jaar 2010 is niet een vergelijkbare onverwachte wijziging in de meetmethoden aangebracht. Landbouwers zijn geïnformeerd over de gewijzigde meetmethoden en hebben zich inmiddels op de resultaten van verweerders nieuwe benadering kunnen instellen. Voorts hebben zij de gelegenheid gekregen om eventuele aanpassingen in de Gecombineerde opgave aan te brengen. Dit betekent dat het normale vereiste voor ontvankelijkheid, namelijk dat met het beroep enigerlei wijziging van het rechtsgevolg van het bestreden besluit nagestreefd moet worden, onverkort van toepassing is.

2.5 In deze procedure geldt als uitgangspunt dat appellante 4,04 toeslagrechten heeft met een totale waarde van € 830,50. Met toepassing van de hier verder niet ter discussie staande modulatiekorting heeft verweerder bij het bestreden besluit het totale beschikbare gedrag aan bedrijfstoeslag uitgekeerd omdat 4.04 ha geconstateerd was. Een vergroting van de door verweerder gemeten oppervlakte van perceel 2 zou daaraan niets kunnen toevoegen. Gelet hierop is bij appellante geen sprake van enig te honoreren procesbelang. Daarmee is niet gezegd dat de discussie over de door verweerder kleinere geconstateerde oppervlakte van het betreffende perceel voor appellante ook in 2010 niet een groot belang kan hebben, maar dat is geen belang, waarover het College in een beroepsprocedure tegen een besluit inzake de vaststelling van de over het jaar 2010 uit te betalen bedrijfstoeslag uitspraak kan doen.

2.6 Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Het College overweegt, dat verweerder appellante bij het bestreden besluit op de hoogte heeft gesteld van het bestaan van de mogelijkheid om daartegen bij het College beroep in te stellen en dat nu, naar verweerder ook zelf bepleit, tot niet-ontvankelijkheid van het ingestelde beroep besloten moet worden. Daarom acht het College het passend verweerder te veroordelen tot vergoeding van het door appellante betaalde griffierecht.

3. Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat verweerder appellante het door haar betaalde griffierecht ad € 152, - (zegge: honderdtweeënvijftig euro)

vergoedt.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, mr. H.S.J. Albers en mr. M. de Mol, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Leliveld als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 december 2012.

w.g. W.E. Doolaard w.g. C.M. Leliveld