Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BY9313

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
14-12-2012
Datum publicatie
28-02-2013
Zaaknummer
AWB 11/1124
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Verordening erkenningsvoorwaarden voor stamboeken,

Prestatieonderzoek en fokwaardeschatting (PVV) 2010

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 11/1124 14 december 2012

7801 Verordening erkenningsvoorwaarden voor stamboeken,

Prestatieonderzoek en fokwaardeschatting (PVV) 2010

Uitspraak in de zaak van:

A., te B, appellante,

tegen

het Productschap Vee en Vlees, verweerder,

gemachtigde: mr. R.H. Algera, werkzaam bij verweerder.

1. Het procesverloop

Appellante heeft bij brief van 9 december 2011, bij het College ingekomen op 15 december 2011, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 7 november 2011.

Bij dat besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante, gericht tegen de afwijzing van haar aanvraag om erkenning als vereniging die stamboeken voor paardachtigen bijhoudt of aanlegt, ongegrond verklaard.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en de gedingstukken ingezonden.

Op 17 oktober 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij namens appellante zijn verschenen C. en D. Verweerder was vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In Richtlijn 90/427/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van

26 juni 1990 tot vaststelling van zoötechnische en genealogische voorschriften voor het

intracommunautaire handelsverkeer in paardachtigen (hierna: Richtlijn) is onder meer bepaald:

" Artikel 4

1. Bij de aanneming van de in lid 2 genoemde besluiten wordt rekening gehouden met de volgende beginselen:

a) organisaties en verenigingen die een stamboek bijhouden of een stamboek aanleggen worden erkend op voorwaarde dat zij de beginselen naleven die zijn opgesteld door de organisatie of vereniging die het oorspronkelijke stamboek van het ras bijhoudt;

(…)

2. Volgens de procedure van artikel 10 stelt de Commissie, overeenkomstig de in lid 1 omschreven beginselen, het volgende vast:

a) de criteria voor de erkenning van organisaties en verenigingen die stamboeken bijhouden of aanleggen;

b) de criteria voor de inschrijving en registratie in de stamboeken;

(…) "

De Beschikking van de Commissie van 11 juni 1992 tot vaststelling van de criteria voor de erkenning van organisaties en verenigingen die stamboeken voor geregistreerde paardachtigen bijhouden of aanleggen (92/353/EEG) (hierna: Beschikking) luidt voor zover hier van belang:

" Artikel 2

1. De autoriteiten van de betrokken Lid-Staat erkennen officieel elke organisatie of vereniging die stamboeken bijhoudt of aanlegt, voor zover zij aan de in de bijlage vastgestelde voorwaarden voldoet.

2. Wanneer evenwel in een Lid-Staat voor een ras reeds één of meer officieel erkende organisaties of verenigingen bestaan, kunnen de autoriteiten van de betrokken Lid-Staat besluiten een nieuwe organisatie of vereniging niet te erkennen,

(…)

b) indien de paardachtigen van dat ras kunnen worden ingeschreven of geregistreerd in een bijzondere sectie van een stamboek dat wordt bijgehouden door een organisatie of vereniging die met name voor deze sectie de beginselen in acht neemt die, conform punt 3, onder b), van de bijlage, zijn vastgesteld door de organisatie of vereniging die het oorspronkelijk stamboek voor dat ras bijhoudt.

(…).

BIJLAGE

Om officieel te kunnen worden erkend moeten de organisaties en verenigingen die voor geregistreerde paardachtigen stamboeken bijhouden, secties van stamboeken aanleggen en stamboeken aanleggen, aan de volgende voorwaarden voldoen:

(…)

2. Bij controle door de bevoegde autoriteiten moeten zij aantonen dat zij:

(…)

b) de beginselen die, conform punt 3, onder b), zijn vastgesteld door de organisatie of vereniging die het oorspronkelijke stamboek voor het ras bijhoudt, in acht nemen, wanneer het gaat om een organisatie of vereniging die niet zelf het oorspronkelijke stamboek van het ras bijhoudt,

(…) "

Artikel 76 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren luidt, voor zover hier van belang:

" Onverminderd het bepaalde bij artikel 55 worden ter bevordering van de raszuiverheid of ter verbetering van de raskenmerken bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regelen gesteld omtrent het fokken met dieren van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen veesoorten.

1. De in het eerste lid bedoelde regelen kunnen betrekking hebben op:

a. de voorwaarden voor de erkenning door Onze Minister van instellingen, die stamboeken bijhouden;

(…) "

In het Besluit van 8 augustus 1994, houdende regelen betreffende het fokken van vee en overige diersoorten, Stb. 1994, 696 (hierna: Fokkerijbesluit) is onder meer bepaald:

"Artikel 3

1. Een organisatie kan na een daartoe strekkend verzoek worden erkend als een instelling, die één of meer stamboeken of registers voor runderen, buffels, varkens, schapen, geiten en paardachtigen bijhoudt, indien voldaan wordt aan de voorwaarden die daaromtrent krachtens de artikelen 7, eerste lid, en 11, tweede lid, zijn gesteld en

(…)

d. voor paardachtigen: bij regelgeving van de Europese Gemeenschap op grond van artikel 4 van richtlijn 90/427/EEG zijn gesteld.

(…)

Artikel 11

1. Ter uitvoering van de artikelen 2, 3 en 5 en van het bepaalde krachtens artikel 7, tweede lid, van dit besluit wordt medewerking gevorderd van het bestuur van het Productschap Vee en Vlees.

2. De gevorderde medewerking bestaat uit het verrichten van werkzaamheden en het bij verordening stellen van nadere regelen, die noodzakelijk zijn voor:

a. het verlenen van de erkenning als een instelling die één of meer stamboeken of registers voor runderen, buffels, varkens, schapen, geiten of paardachtigen bijhoudt, op grond van artikel 3;

(…)

3. Onverminderd het tweede lid bestaat de gevorderde medewerking uit:

a. het verlenen van de erkenningen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b (…) "

In de Verordening erkenningsvoorwaarden voor stamboeken, prestatieonderzoek en fokwaardeschatting van 8 december 2010 van het bestuur van het Productschap Vee en Vlees (hierna: PVV-verordening) is - voor zover hier van belang - bepaald:

" Artikel 3

1. Aan een organisatie wordt op aanvraag erkenning verleend voor:

a. het bijhouden of instellen van één of meer stamboeken of registers voor runderen en buffels, varkens, schapen en geiten of paardachtigen, indien wordt voldaan aan de in Bijlage I opgenomen erkenningsvoorwaarden;

(…)

2. Een erkenning, als bedoeld in het eerste lid, onder a., wordt niet verleend indien:

(…)

b. voor het ras reeds één of meer erkende organisaties bestaan, en:

(…)

- de paardachtigen van het ras kunnen worden ingeschreven of geregistreerd in een bijzondere sectie van een stamboek dat wordt bijgehouden door een organisatie of vereniging die met name voor deze sectie de beginselen in acht neemt die conform Bijlage I zijn vastgesteld door de erkende organisatie die het oorspronkelijke stamboek voor dat ras bijhoudt. "

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn de volgende feiten voor het College vast komen te staan.

- Bij brief van 26 augustus 2010 heeft appellante verzocht te worden erkend als instelling die voor geregistreerde paardachtigen een stamboek bijhoudt of aanlegt. Het betreft een aanvraag om erkenning voor het bijhouden van een stamboek voor Shetland pony’s.

- Bij besluit van 15 maart 2011 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.

- Het bezwaar is voorgelegd aan de interne bezwaarschriftencommissie die de voorzitter van verweerder geadviseerd heeft over de aanvraag van appellante.

- Vervolgens is het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Verweerder heeft het bezwaar van appellante tegen de afwijzing van de aanvraag om erkenning als instelling die voor Shetland pony’s een stamboek bijhoudt of aanlegt onder overneming van het advies van de bezwaarschriftencommissie ongegrond verklaard. Verweerder heeft samengevat het volgende overwogen. In de Verordening erkenningsvoorwaarden voor stamboeken, prestatieonderzoek en fokwaardeschatting van 8 december 2010, die in de loop van de procedure in werking is getreden en die van toepassing is op de onderhavige aanvraag om erkenning, is bepaald dat een aanvraag wordt afgewezen indien er voor het ras reeds een erkende organisatie bestaat. Dat is hier het geval, er is namelijk een dochterorganisatie van de organisatie die het oorspronkelijke stamboek bijhoudt. Dat appellante stelt dat de betreffende organisatie de beginselen, die zijn vastgesteld door de erkende organisatie die het oorspronkelijke stamboek voor dat ras bijhoudt, niet in acht neemt is geen reden anders te beslissen. De vraag of er een reden is om de erkenning van die organisatie in te trekken valt buiten het kader van deze procedure. Aan een verdere beoordeling of appellante aan de erkenningsvoorwaarden voldoet, wordt niet toegekomen.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft - samengevat weergegeven - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd. Verweerder heeft in de beslissing op bezwaar de aanvraag op een nieuwe grondslag afgewezen. In tegenstelling tot de indruk die is gewekt tijdens de bezwaarfase is er geen inhoudelijke beoordeling geweest van de erkenningsvoorwaarden. In strijd met de Europese regelgeving is erkenning geweigerd op de enkele grond dat er al een andere erkende organisatie bestaat. De weigering is verder niet gemotiveerd en op de voordelen van een tweede stamboek, zoals door appellante uiteengezet, is niet ingegaan. Bovendien is geen sprake van een organisatie die erkend zou mogen zijn, nu deze in strijd handelt met de reglementen van de organisatie die het oorspronkelijke stamboek bijhoudt. In strijd met het discriminatiebeginsel weigert deze organisatie paarden in te schrijven. Appellante heeft daar steeds op gewezen, evenals het moederstamboek, maar verweerder ziet er niet op toe dat het dochterstamboek de voorschriften en beginselen van het moederstamboek in acht neemt. In het kader van de aanvraag van appellante zal verweerder, gelet op artikel 3, tweede lid onder b, derde liggende streepje van de Verordening moeten beoordelen of de reeds erkende organisatie de beginselen van het moederstamboek in acht neemt. Dat is nu niet gebeurd.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Verweerder heeft de erkenningsaanvraag van appellante afgewezen op grond van artikel 3, tweede lid, van de PVV-Verordening, welke Verordening in werking is getreden op

8 mei 2011. Het College zal eerst ingaan op de vraag of de aanvraag om erkenning van appellante als stamboekorganisatie getoetst mocht worden aan dat artikel nu deze Verordening eerst in de loop van de bezwaarprocedure in werking is getreden.

5.2 Artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op grondslag van het bezwaar een volledige heroverweging van het primaire besluit plaatsvindt. Als uitgangspunt heeft daarbij te gelden dat bij het nemen van een besluit op bezwaar het recht moet worden toegepast zoals dat op dat moment geldt. De PVV-Verordening bevat geen bepalingen waarin een uitzondering wordt gemaakt op dit uitgangspunt. Zo is er geen overgangsrecht opgenomen waarin ten aanzien van lopende aanvragen is bepaald dat de PVV-Verordening daarop niet van toepassing is. Ook verder zijn er zijn naar het oordeel van het College geen omstandigheden in deze zaak die nopen tot afwijking van het beginsel dat het ten tijde van de beslissing op het bezwaar geldende recht wordt toegepast. Meer in het bijzonder heeft appellante aan de vragen van verweerder die betrekking hadden op de inhoudelijke erkenningsvoorwaarden geen vertrouwen kunnen ontlenen dat in haar geval het oude recht zou worden toegepast, nog afgezien van de vraag of dit tot erkenning had geleid.

5.3 Vaststaat dat er voor Shetland Pony’s al een erkende organisatie is. Uit artikel 3, tweede lid, van de PVV-Verordening volgt naar het oordeel van het College dat in die situatie de aanvraag om erkenning van een andere vereniging moet worden afgewezen indien voldaan is aan de voorwaarde zoals die is opgenomen in het – in dit geval van belang zijnde – tweede liggende streepje in artikel 3, tweede lid, onder b van de Verordening. Kort gezegd, als de erkende organisatie de beginselen van het moederstamboek in acht neemt.

Het betoog van appellante dat deze bepaling zich niet verdraagt met artikel 2 van Beschikking (EG) 92/353 slaagt naar het oordeel van het College niet. De Beschikking moet geacht worden integraal onderdeel uit te maken van Richtlijn (EG) 90/427 en laat ruimte aan de Lid-Staten om in het geval zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 2 van de Beschikking hieraan de (dwingende) consequentie te verbinden dat een nieuwe organisatie niet kan worden erkend. Hierbij is mede in aanmerking genomen de doelstelling van de Richtlijn om met name ten aanzien van de inschrijving in de stamboeken zo veel mogelijk harmonisatie te bevorderen en verschillen daarin tussen stamboeken te minimaliseren.

5.4 Het betoog van appellante komt er op neer dat volgens haar in het kader van haar aanvraag om erkenning door verweerder moet worden beoordeeld of de reeds erkende organisatie de beginselen van het moederstamboek in acht neemt en dat voor die beoordeling niet enkel van belang mag zijn dat er reeds een erkende organisatie bestaat. Het College overweegt hieromtrent het volgende. Verweerder zal in het kader van de aanvraag van appellante moeten beoordelen of voldaan is aan de voorwaarde dat de reeds erkende organisatie de beginselen van het moederstamboek in acht neemt. Het College acht het aanvaardbaar dat verweerder bij die beoordeling er in beginsel vanuit gaat dat een organisatie die is erkend die beginselen in acht neemt; Bij de erkenningsaanvraag van die organisatie is dat immers getoetst. Dat neemt niet weg dat als gemotiveerd en met stukken onderbouwd wordt aangetoond dat die beginselen niet worden nageleefd door de erkende organisatie, verweerder dit – in het kader van de aanvraag om erkenning van een andere organisatie – zal moeten onderzoeken. In het onderhavige geval heeft verweerder dit – zo is ter zitting gebleken – ook gedaan. De erkende organisatie is in het kader van het toezicht verplicht een jaarlijkse rapportage in te dienen welke gegevens op juistheid worden geverifieerd, zoals in artikel 13 van de PVV-Verordening is bepaald. In dit geval is bovendien contact opgenomen met de bevoegde autoriteit in het Verenigd Koninkrijk naar aanleiding van onder meer de signalen van het moederstamboek dat de in Nederland erkende stamboekorganisatie niet zou handelen in overeenstemming met de voorschriften van het moederstamboek. Van de zijde van de bevoegde autoriteit is hierop geen reactie gekomen. Dit gaf derhalve geen aanleiding te veronderstellen dat niet langer sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder b, tweede liggende streepje van de PVV-Verordening.

Mede op grond van deze toelichting is het College van oordeel dat de afwijzing van de aanvraag om erkenning van appellante met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de PVV-Verordening in rechte stand kan houden.

5.5 Dat verweerder nog niet heeft beslist op de verlengingsaanvraag van de erkende stamboekorganisatie, die net als andere organisaties in het kader van de inwerkingtreding van de PVV-Verordening 2010, verplicht was om een dergelijke aanvraag in te dienen, leidt niet tot een ander oordeel. Totdat beslist is op die aanvraag om verlenging is nog sprake van erkenning, zo volgt uit artikel 7 van de PVV-Verordening. Als positief beslist wordt op die aanvraag staat het appellante vrij daartegen bezwaar te maken als zij het met die beslissing niet eens is. Wordt de erkenning niet verlengd, dan staat het appellante vrij om opnieuw een aanvraag in te dienen om erkend te worden als stamboekorganisatie.

5.6 Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellante ongegrond is.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M. Munsterman, mr. C.M. Wolters en mr. C.J. Waterbolk in tegenwoordigheid van mr. A.G.J. van Ouwerkerk als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 december 2012.

w.g. M. Munsterman w.g. A.G.J. van Ouwerkerk