Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BY6922

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
20-12-2012
Zaaknummer
AWB 08/706
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet marktordening gezondheidszorg

Wetsverwijzingen
Wet marktordening gezondheidszorg
Wet marktordening gezondheidszorg 9
Wet marktordening gezondheidszorg 35
Wet marktordening gezondheidszorg 52
Wet marktordening gezondheidszorg 54
Wet marktordening gezondheidszorg 57
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:84
Grondwet
Grondwet 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2013/34
RZA 2013/5

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 08/706 18 december 2012

13950 Wet marktordening gezondheidszorg

Uitspraak in de zaak van:

de Associatie Nederlandse Tandartsen (ANT), te Heemstede, appellante,

gemachtigde: mr. J.G. Sijmons, advocaat te Zwolle,

tegen

de Nederlandse Zorgautoriteit, verweerster,

gemachtigde: mr. E.C. Pietermaat, advocaat te ‘s-Gravenhage.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 16 september 2008, bij het College binnengekomen op 17 september 2008, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerster 6 augustus 2008.

Bij dit besluit heeft verweerster de bezwaren van appellante tegen twee tariefbeschikkingen van onderscheidenlijk 20 december 2006 (nr. 5300-1900-07-02) en 19 juli 2007 (nr. 5300-1900-07-05) ongegrond verklaard.

Bij brief van 22 juni 2009 heeft appellante de gronden van het beroep aangevuld.

Bij brief van 30 december 2009 heeft verweerster een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Op 27 april 2012 heeft appellante een nader stuk in het geding gebracht.

Op 8 mei 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteen hebben gezet. Voor appellante was tevens aanwezig haar directeur, A. Voor verweerster was tevens aanwezig drs. V.A.J. Op den Drink, senior beleidsmedewerker bij verweerster.

2. De grondslag van het geschil

De Wet marktordening gezondheidszorg (hierna: Wmg) bepaalde ten tijde hier van belang – onder meer – het volgende:

“Artikel 35

1. Het is een zorgaanbieder verboden een tarief in rekening te brengen:

(…)

c. dat niet overeenkomt met het tarief dat voor de betrokken prestatie op grond van artikel 50 of 52 is vastgesteld;

d. dat niet ligt binnen de tariefruimte die op grond van artikel 54 voor de betrokken prestatie is vastgesteld;

(…)

§ 4.4. Vaststelling van tarieven en prestatiebeschrijvingen

Artikel 52

(…)

5. In gevallen waarin een beleidsregel als bedoeld in artikel 57 dat vordert, stelt de zorgautoriteit ambtshalve een tarief vast.

(…)

Artikel 54

(…)

3. Een aanvraag of een ambtshalve vaststelling als bedoeld in het tweede, derde en vijfde lid van artikel 52 (…) kan ook de vaststelling betreffen van het bedrag dat ten minste of ten hoogste als tarief voor een prestatie in rekening wordt gebracht.

(…)

§ 4.6. Beleidsregels

Artikel 57

1. De zorgautoriteit stelt beleidsregels vast met betrekking tot:

(….)

b. het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven vast te stellen op grond van de artikelen 50 en 52;

5. De beleidsregels kunnen inhouden dat de zorgautoriteit ambtshalve een tarief danwel een bedrag dat ten minste of ten hoogste als tarief in rekening wordt gebracht of een prestatiebeschrijving vaststelt.

(….)”

2.2 Bij de beoordeling van het voorliggende geschil gaat het College uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- Zowel voor tandartsen als orthodontisten worden door verweerster tarieven vastgesteld voor orthodontische prestaties. De prestatieomschrijvingen zijn identiek, de daaraan verbonden tarieven verschillen.

- De aan de prestaties van de orthodontisten verbonden tarieven worden de O-tarieven genoemd en die voor de orthodontische prestaties van de tandartsen, de D-tarieven.

- De D-tarieven waren tot 1 januari 2005 lager dan de O-tarieven. Vanaf die datum werden de O-tarieven stapsgewijs verlaagd, zodat de meeste daarvan beneden de D-tarieven kwamen te liggen.

- Eind 2005 heeft verweerster besloten de D- (en ook de O-)tarieven per 1 januari 2006 te bevriezen op het niveau van 2005.

- Verweerster heeft de belangenorganisaties bij brief van 12 december 2006 op de hoogte gesteld van haar voornemen om dit beleid, in afwachting van de onderbouwing van de orthodontietarieven, ook voor 2007 voort te zetten. Zij signaleert in deze brief het verschil in hoogte tussen de O- en de D-tarieven, terwijl de prestaties gelijk zijn.

- Appellante heeft bij brief van 15 december 2006 op dit voornemen gereageerd en daarbij gewezen op het verschil in praktijksituatie tussen tandartsen en orthodontisten.

- Verweerster heeft op 18 december 2006 de Beleidsregel ‘Geen trendmatige aanpassing maximumtarieven tandheelkunde hoofdstuk XIII Orthodontie (D) 2007 (CV-5300-5.0.-1)’ vastgesteld, die gold tot 1 juli 2007. Ingevolge die beleidsregel worden de D-tarieven bevroren op het niveau van 1 januari 2006 met uitzondering van zeven meer algemene tandheelkundige prestaties, die wel trendmatig zijn aangepast. Voor de O-tarieven heeft verweerster een gelijkluidende beleidsregel vastgesteld.

- Bij tariefbeschikking van 21 december 2006, met het kenmerk nr. 5300-1900-07-2, heeft verweerster besloten de D-tarieven per 1 januari 2007 bevroren te houden op het niveau van 1 januari 2006. Verweerster heeft daarbij in haar begeleidende brief de volgende toelichting gegeven:

“Ter informatie: Met de inwerkingtreding van de Wmg zijn de beleidsregels en tariefbeschikkingen functioneel omschreven. Er bestaat in deze overgangsperiode echter nog steeds onderscheid tussen tarieven die voor tandartsen (zorgaanbieders die mondzorg leveren zoals tandartsen die bieden) dan wel orthodontisten (zorgaanbieders die mondzorg leveren zoals tandartsspecialisten in de dentomaxillaire orthopaedie die bieden) gelden. Het is de bedoeling dat zorgaanbieders die zich als tandarts presenteren de tandartstarieven in rekening brengen (ook voor orthodontische verrichtingen) en zorgaanbieders die orthodontist zijn de orthodontistentarieven in rekening brengen”.

- Tegen deze tariefbeschikking heeft appellante een bezwaarschrift ingediend.

- Op 10 april 2007 is appellante naar aanleiding van dit bezwaarschrift door verweerster gehoord.

- In haar tariefbeschikking van 18 mei 2007 heeft verweerster een trendmatige aanpassing van de D-tarieven per 1 juli 2007 opgenomen.

- Naar aanleiding van tegen deze tariefbeschikking door Zorgverzekeraars Nederland (ZN), de Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie (NPCF) en de Consumentenbond ingediende bezwaren, heeft verweerster op 16 juli 2007 alsnog besloten de trendmatige aanpassing van de D-tarieven geen doorgang te laten vinden en deze tarieven bevroren te houden op het niveau van 1 januari 2006, met uitzondering van zeven algemene tandheelkundige prestaties. Deze bevriezing is neergelegd in de Beleidsregel ‘Geen trendmatige aanpassing maximumtarieven tandheelkunde hoofdstuk XIII Orthodontie (D) 2007’ (CV-5300-5.0.-2). Aan deze beleidsregel is uitvoering gegeven met tariefbeschikking van 19 juli 2007 met nr. 5300-1900-07-5. Op grond van deze tariefbeschikking zijn de D-tarieven met ingang van 1 augustus 2007 bevroren op het niveau van 1 januari 2006. Verweerster heeft dit besluit in een brief aan de Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde (NMT) van 20 juli 2007 als volgt toegelicht:

“In december 2006 heeft de NZa het voornemen kenbaar gemaakt om de D-tarieven gelijk te schakelen met de overeenkomstige maximumtarieven voor orthodontisten. De D-tarieven zijn in het algemeen hoger dan de tarieven voor orthodontisten. Uitgangspunt voor NZa was dat voor dezelfde prestaties dezelfde tarieven moeten gelden. Aanvankelijk heeft de Raad van Bestuur ervoor gekozen de D-tarieven per 1 juli 2007 trendmatig aan te passen. Het gevolg daarvan is dat de tarieven van orthodontisten en tandartsen verder zijn gaan divergeren. Onder andere de NCPF en Consumentenbond hebben op dit nadelige effect voor de consument de aandacht gevestigd. Bij nadere overweging kiest de Raad van Bestuur ervoor de trendmatige verhoging voor de D-tarieven alsnog op te schorten. De Raad van Bestuur verwacht per 1 januari 2008 tot nadere besluitvorming over te gaan ten aanzien van de D-tarieven in relatie tot de maximumtarieven voor orthodontisten.”

- Ook tegen de tariefbeschikking van 19 juli 2007 heeft appellante een bezwaarschrift ingediend.

- Op 11 januari 2008 is appellante naar aanleiding van dit bezwaarschrift door verweerster gehoord.

- Op 18 februari 2008 heeft verweerster besloten de D-tarieven per 1 april 2008 te verlagen met 6%. Deze verlaging is neergelegd in de Beleidsregel ‘Verlaging maximumtarieven tandheelkundehoofdstuk XIII Orthodontie (D)’ (CV-5300-6.0.-1). Aan deze beleidsregel is uitvoering gegeven met de tariefbeschikking van 20 februari 2008 met nr. 5300-1900-08-3.

- Vervolgens heeft verweerster het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerster op beide bezwaarschriften beslist. Zij heeft daarbij – onder meer – het volgende overwogen.

De bezwaarschriften betreffen het niet trendmatig aanpassen van een deel van de maximumtarieven voor orthodontische behandelingen door tandartsen algemeen practici (D-tarieven) per 1 januari en 1 augustus 2007. De bestreden tariefbeschikkingen houden een voortzetting in van het beleid dat eind 2005 in gang is gezet en voor het eerst is verwerkt in de D-tarieven met ingang van 1 januari 2006. Daartoe is besloten om het verschil tussen de D- en O-tarieven niet groter te laten worden.

Voor het jaar 2006 is geen bezwaar gemaakt tegen de bevriezing.

In de beleidsregels waarop de tariefbeschikkingen gebaseerd zijn, is bepaald dat geen toepassing wordt gegeven aan de beleidsregels op grond waarvan de tarieven voor de vrije beroepsbeoefenaren jaarlijks trendmatig worden verhoogd. Het betreft niet een uitzondering op grond van artikel 4:84 Awb. De nieuwe beleidsregels zijn in de plaats gekomen van de bestaande beleidsregels.

De beleidsregels zijn door verweerster vastgesteld en de minister heeft geen gebruik gemaakt van zijn vernietigingsbevoegdheid uit hoofde van artikel 9 Wmg.

De prestatieomschrijvingen van de orthodontische verrichtingen door tandartsen zijn per 1 januari 2006 gelijk aan die van de orthodontisten. In de bijbehorende tariefbeschikkingen is echter, in het kader van het gelijktrekken van D- en O-tarieven voor dezelfde behandelingen geen gelijk tarief vastgesteld. Het verschil is ontstaan onder de voormalige Wet tarieven gezondheidszorg (Wtg), die als uitgangspunt had dat de tarieven werden vastgesteld voor bepaalde categorieën ‘organen van gezondheidszorg’. Door de stapsgewijze verlaging van de tarieven orthodontie die verweerster vanaf 1 januari 2005 in gang heeft gezet, zijn de meeste D-tarieven inmiddels hoger dan de O-tarieven voor dezelfde verrichtingen.

De Wmg gaat, anders dan voorheen de Wtg, uit van een functionele omschrijving van de zorg. Verweerster streeft op termijn naar een gelijkstelling van D- en O-tarieven. Verweerster werkt aan het project ‘herziening mondzorg’. In afwachting van de uitkomsten van het onderzoek naar de bekostiging is ervoor gekozen om de verschillen tussen de tarieven niet groter te laten worden. Om dit te bewerkstelligen heeft verweerster de D-tarieven in 2007 bevroren op het niveau van 2006. De D- tarieven worden vervolgens vanaf 2008 geleidelijk afgebouwd. Verweerster acht de bevriezing als eerste stap voor de gelijkstelling redelijk, temeer omdat de bevriezing voor een vaststaande periode geldt, namelijk totdat het onderzoek naar de bekostigingsstructuur is afgerond. In dit verband merkt verweerster nog op dat zij eind 2007 twee consultatiedocumenten heeft uitgebracht, waarin wordt geconcludeerd dat toegewerkt moet worden naar functionele bekostiging in de mondzorg. Het College voor zorgverzekeringen (CVZ) heeft eind 2007 een rapport uitgebracht over vergelijkbaarheid en kwaliteit van de prestaties orthodontische zorg. Dit rapport en de reacties daarop zullen worden meegewogen in de bezwaarzaken met betrekking tot de D-tarieven in 2008. Verweerster verwacht begin 2009 haar visie ter zake aan de Minister te kunnen uitbrengen.

In de maand juli 2007 zijn de D-tarieven tijdelijk trendmatig verhoogd geweest. Naar aanleiding van verschillende signalen van consumentenorganisaties over de nadelige effecten van de verhoging voor de consument, heeft verweerster besloten deze trendmatige verhoging alsnog op te schorten. Verweerster wijst op het consumentenbelang dat in de Wmg is verankerd en op grond waarvan het niet gewenst is de tarieven in afwachting van de gelijkstelling verder uiteenlopen. De bevriezing van de D-tarieven leidt ertoe dat tariefschommelingen worden voorkomen. De consument heeft belang bij een transparante tarifering, waarbij geen verschillen bestaan tussen soorten zorgaanbieders voor dezelfde zorg. Het is niet gerechtvaardigd consumenten hogere kosten te laten betalen dan redelijkerwijs nodig is.

Het gaat bij de jaarlijkse trendmatige aanpassing om een relatief kleine aanpassing die een fractie van het tarief betreft. De D-tarieven betreffen slechts een klein deel van de omzet van de tandarts. In dit verband heeft appellante tijdens de hoorzitting in januari 2008 aangevoerd dat het aantal orthodontische behandelingen dat door tandartsen algemeen practici wordt uitgevoerd zeer gering is. Het zou gemiddeld gaan om 5 patiënten per jaar. Verweerster heeft aldus het belang van de consument bij transparante en stabiele tarieven terecht zwaarder laten wegen dan het financiële belang van de tandartsen bij een trendmatige aanpassing.

Daarnaast is verweerster in de loop van 2007 geconfronteerd met een nieuw, onvoorzien feit, met ongewenste effecten voor de consument: na de verlaging van de O-tarieven hebben veel orthodontisten zich laten uitschrijven uit het specialistenregister van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). Zij zijn nu geregistreerd als tandarts en kunnen als gevolg daarvan de hogere D-tarieven declareren. Verweerster concludeert hieruit dat de zorgprestaties van de orthodontist en de tandarts kwalitatief en inhoudelijk gelijk zijn. Het tarief wordt immers vastgesteld voor een bepaalde prestatie. Hieruit volgt dat in beginsel dezelfde maximumtarieven voor deze prestaties zouden moeten gelden. Ook dit is een reden om de tarieven niet verder uiteen te laten lopen.

Bij de vaststelling van het tarief gaat verweerster ervan uit dat het tarief voldoende moet zijn om redelijkerwijs de zorg te kunnen leveren. In beginsel geldt dat voor dezelfde prestaties dezelfde prijs, gebaseerd op het meest efficiënte niveau van zorgverlening moet gelden. Voor de orthodontische zorg is dit het tariefniveau van de orthodontist, gelet op onder meer de ontwikkelingen in de praktijkvoering van orthodontisten, zoals technologische vernieuwing, schaalvergroting en de inzet van hulppersoneel. Bij dit uitgangspunt past een verhoging van de D-tarieven niet, terwijl de maximumtarieven van de orthodontisten dalen.

Verweerster kan dan ook de stelling van appellante niet volgen dat het redelijk is dat een consument die kiest voor een orthodontische behandeling bij een tandarts een hoger tarief moet betalen dan bij een orthodontist.

Het staat verweerster vrij haar beleid te wijzigen en toepasselijke beleidsregels aan te passen, mits dit gebeurt met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Uit het voorgaande blijkt dat de bevriezing van de D-tarieven op het niveau 2006 op basis van een redelijke belangenafweging heeft plaatsgevonden. Er is naar verweersters oordeel ook geen sprake van détournement de pouvoir in de vorm van met de Wmg strijdige inkomenspolitiek. De bevriezing betreft geen wijziging van het inkomensbestanddeel in de tarieven. Het norminkomen dat als uitgangspunt wordt gehanteerd, blijft ongewijzigd.

Het is de taak van verweerster om een adequaat tarief vast te stellen ter dekking van inkomen en praktijkkosten van zorgaanbieders. Het tarief moet daarnaast de betaalbaarheid en de toegankelijkheid van orthodontische zorg voor de consument ten goede komen. Dat is in het onderhavige geval gebeurd.

De gestelde strijdigheid met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) wijst verweerster van de hand. Er is niet duidelijk gemaakt welk eigendom wordt aangetast. Voorts is verweerster van oordeel dat de tariefregulering, gelet op het publieke belang van een evenwichtig stelsel van tarieven in de gezondheidszorg, noodzakelijk en proportioneel kan worden geacht. Er is geen sprake van inkomenspolitiek, maar van de vaststelling van een evenwichtig tarief voor orthodontische zorg. Verweerster heeft daarbij zowel de belangen van de consument als die van de tandartsen meegewogen. Zij ziet niet in waarom door de bevriezing van een deel van de D-tarieven het gebruik van (praktijk)eigendom van tandartsen disproportioneel zou zijn ontnomen dan wel beperkt of anderszins onevenredig gereguleerd.

De tariefvaststelling vormt geen belemmering van het recht van vrije vestiging en er is geen strijd met andere bepalingen uit het EG-verdrag met betrekking tot het vrije verkeer tussen de lidstaten.

Het beleid van verweerster en de daarop gebaseerde tariefverlaging zijn in overeenstemming met de Wmg en de doelstelling daarvan tot stand gekomen. Een van de doelstellingen van de Wmg is kostenbeheersing in de gezondheidszorg. Met het oog hierop heeft verweerster tot taak een evenwichtig stelsel van tarieven te creëren. Hierbij wordt het algemeen consumentenbelang vooropgesteld. De betaalbaarheid en toegankelijkheid van orthodontische zorg voor de consument worden mede bepaald door de hoogte van de gereguleerde maximumtarieven.

De gereguleerde D-tarieven die een tandarts in Nederland maximaal in rekening kan brengen, gelden zonder onderscheid voor alle in Nederland gevestigde tandartsen. Tandartsen die onderdaan zijn van een andere lidstaat kunnen zich vrij vestigen in Nederland voor zover aan de wettelijke kwaliteitseisen wordt voldaan. Deze kwaliteitseisen worden overigens mede door de beroepsgroep gesteld. Hiertegen verzetten de Europese bepalingen zich niet.

Ten slotte is verweerster niet gebleken van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 Awb op grond waarvan zou moeten worden afgeweken van de, overeenkomstig de rechtmatige beleidsregels vastgestelde tariefbeschikkingen.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft aangevoerd dat de divergentie tussen de tarieven voor tandartsen en orthodontisten niet is ontstaan door de trendmatige verhoging van de D-tarieven, maar door de onrechtmatige verlaging van de orthodontietarieven per 1 juli 2007.

Het beroep richt zich tegen de bevriezing van de D-tarieven vanuit de doelstelling deze op termijn gelijk te stellen met de O-tarieven. Vanwege de ingezette daling van de O-tarieven per 1 juli 2007 zijn de D-tarieven bevroren. Bij de uitspraak van het College van 18 december 2008, AWB 08/236, 08/299 en 08/302 (LJN: BG7876), is het beroep tegen de daling van de O-tarieven per 1 juli 2007 gegrond verklaard en zijn besluiten op bezwaar tegen deze tariefverlagende beschikkingen vernietigd. Naar aanleiding van die uitspraak heeft verweerster bij besluit van 29 mei 2009 besloten de tariefverlaging te beperken tot 50%. Ook hiertegen heeft appellante beroep bij het College ingesteld.

Er is onvoldoende onderzoek verricht naar het veronderstelde effect dat consumenten nadelige gevolgen zouden ervaren van het verschil in tarieven: dit verschil is al jaren oud en nadelen zijn niet empirisch gebleken. Het door KPMG verrichte onderzoek naar de omzetten, kosten en inkomens van orthodontisten over 2001 kan geen basis bieden voor de gevolgtrekking dat de tarieven voor de tandartsen algemeen practici (in het algemeen) te hoog zouden zijn en gelijk zouden moeten zijn aan de maximumtarieven voor orthodontisten. Verweerster handelt aldus in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel als bedoeld in artikel 1 van de Grondwet.

Verweerster voert met het streven naar gelijkstelling met de orthodontisten in de tarieven inkomenspolitiek, wat geen doelstelling is van de Wmg. Verweerster handelt daarmee in strijd met het verbod van détournement de pouvoir.

De trendmatige verhoging geldt voor alle tarieven van beroepsbeoefenaren, voor alle overige tarieven van tandartsen en zelfs voor de orthodontietarieven. Afwijken van dit algemene, in andere beleidsregels neergelegde beleid verzwaart de motiveringsplicht van verweerster. Verweerster heeft van deze algemene trendmatige verhoging niet kunnen afwijken op grond van artikel 4:84 Awb, nu een onevenredige benadeling van consumenten niet aan de orde is. Een rechtvaardiging voor de bevriezing zou kunnen worden gevonden in een overweging die betrekking heeft op de algemene prijsontwikkeling, maar verweerster heeft een ander beleidsdoel, namelijk de afstemming van twee soorten tarieven die op verschillende wijze zijn opgebouwd. Daarbij komt dat de divergentie is ontstaan door de verlaging van de orthodontietarieven per 1 juli 2007, vanwege de verhoogde rekennorm. Een en ander speelt niet bij de tandartsen, algemeen practici. Pas bij het besluit waarbij de D-tarieven met ingang van 1 april 2008 met 6% zijn verlaagd, is de eigenlijke reden voor de divergentie, de onderliggende tariefstructuur, aan de orde.

De basis voor de divergentie is het verschil in de wijze van praktijkvoering met een afwijkende kostenstructuur. Voor zover sprake is van dezelfde prestatie voor beide soorten zorgaanbieders – appellante vindt van niet – is er sprake van een gerechtvaardigd tariefonderscheid, waartoe de Wmg de ruimte biedt. De tandarts zal in het algemeen niet zo kostenefficiënt kunnen werken als een orthodontist. Verschillende categorieën van beroepsbeoefenaren kunnen verschillen vertonen op grond van hun beroep/specialisatie waarmee redelijkerwijs rekening dient te worden gehouden.

Verweerster stelt dat de omvang van de problematiek voor de tandartsen gering is, nu zij gemiddeld genomen 5 patiënten per jaar voor orthodontie behandelen. Dit moge zo zijn, het belang van de consumenten is dan evenmin erg groot, zodat bij de belangenafweging vooral rekening dient te worden gehouden met consistentie in de opzet van de tarieven

Over het uitschrijven van orthodontisten uit het BIG-register en het vervolgens voeren van een orthodontische praktijk als tandarts ontbreken gegevens, althans deze worden door verweerster niet genoemd. Met vermeend strategische gedrag kan daarom geen rekening worden gehouden.

Het achterwege laten van de trendmatige verhoging van de D-tarieven is niet anders dan een verlaging van de maximumtarieven in strijd met de bepalingen van Europees recht, meer in het bijzonder met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, hetgeen de tariefverlaging nietig doet zijn wegens strijd met een rechtstreeks werkende, ook verweerster als overheidsorgaan bindende verdragsbepaling. Er is sprake van regulering van eigendom. Een ‘fair balance’ tussen het algemeen belang en de belangen van de orthodontisten en de tandartsen ontbreekt.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het geschil tussen partijen betreft de vraag of verweerster in redelijkheid heeft kunnen komen tot de in de bestreden tariefbeschikkingen opgenomen D-tarieven voor 2007. Dienaangaande overweegt het College het volgende.

5.2 Verweerster heeft bij de tariefbeschikkingen, in overeenstemming met de daaraan ten grondslag liggende beleidsregels, de D-tarieven 2007 vastgesteld op het niveau van de D-tarieven 2006. Verweerster heeft uiteengezet dat de bevriezing past in het kader van het eind 2006 door haar uitgesproken voornemen de O- en D-tarieven voor dezelfde verrichtingen op gelijk niveau te stellen vanwege het functioneel zorgbegrip dat met de inwerkingtreding van de Wmg per 1 oktober 2006 zijn intrede heeft gedaan.

5.3 Appellante kan worden gevolgd in haar stelling dat de omstandigheid dat de Wmg in beginsel uitgaat van een functioneel zorgbegrip, niet zonder meer meebrengt dat deze wet geen ruimte laat voor het maken van onderscheid tussen tarieven voor prestaties die door dezelfde beroepsbeoefenaren in verschillende omstandigheden worden geleverd. Appellante heeft evenwel niet aannemelijk gemaakt dat de door haar gestelde onderliggende verschillen in de praktijksituatie van de tandartsen algemeen practici en de orthodontisten van dien aard zijn, dat het streven van verweerster naar gelijke bekostiging van de betreffende prestaties – die sinds 2006 voor beide beroepsgroepen identiek zijn omschreven – onredelijk of anderszins onaanvaardbaar moet worden geacht.

5.4 Naar het oordeel van het College heeft verweerster zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van incidentele afwijking van het beleid waarop artikel 4:84 Awb van toepassing is, maar van een wijziging van het beleid van trendmatige verhoging. Voor zover appellante heeft bedoeld aan te voeren dat op verweerster voor deze beleidswijziging een verzwaarde motiveringsplicht drukt, omdat periodiek vastgestelde tariefbeschikkingen gewoonlijk in een trendverhoging voorzien, overweegt het College dat de door verweerster gegeven motivering van de beleidswijziging voldoende draagkrachtig is. Verweerster heeft in dit verband terecht gewezen op haar brieven van 12 en 22 december 2006 en naar haar brief aan NMT van 20 juli 2007 (alle hiervoor vermeld in rubriek 2.2), waarin zij inzicht heeft gegeven in de aanleiding en de belangenafweging die aan deze beleidswijziging ten grondslag liggen.

5.5 Ten aanzien van de stelling van appellante dat de bevriezing van de D-tarieven om de gelijkschakeling van de D- en O-tarieven te bewerkstelligen een oneigenlijk gebruik (‘détournement de pouvoir’) van de bevoegdheid van verweerster tot tariefregulering is, overweegt het College als volgt. De wettelijke tariefregulering is - onder meer - gericht op kostenbeheersing in de gezondheidszorg. Naar het oordeel van het College dient het streven om, in afwachting van een gelijkstelling van de O- en D- tarieven, te voorkomen dat de tarieven verder uit elkaar groeien, een evenwichtige tariefopbouw. Dat daarbij het O-tarief als referentietarief is gehanteerd, acht het College niet onredelijk, aangezien, zoals door verweerster is gesteld en door appellante niet is bestreden, de orthodontische behandeling door de tandarts eerder uitzondering dan regel is. Gelet hierop kan, ongeacht de oorzaak van de divergentie van de tarieven, worden aangenomen dat het O-tarief het meer efficiënte tariefniveau representeert. De inzet van het instrument van bevriezing vloeit daaruit voort, nu de D-tarieven ten tijde van de beleidswijziging hoger waren dan de O-tarieven en een verdere daling van de O-tarieven werd voorzien. Van een oneigenlijk gebruik van de bevoegdheid tot tariefregulering is derhalve naar het oordeel van het College geen sprake.

5.6 Het College oordeelt, gelet op het vorenstaande, dat het gewijzigde beleid van verweerster niet onredelijk of anderszins onaanvaardbaar is. Dat geldt eveneens voor de ter uitvoering van dit beleid vastgestelde tariefbeschikkingen. De hiervoor onder 5.1 gestelde vraag wordt dan ook bevestigend beantwoord.

5.7 Verweerster heeft zich ten slotte terecht op het standpunt gesteld dat het achterwege laten

van de trendmatige verhoging van de D-tarieven een vorm van tariefregulering is, die geen inbreuk vormt op het recht van eigendom van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Het College verwijst daartoe naar hetgeen is overwogen onder 5.2.5 van de eerdergenoemde uitspraak van het College van 18 december 2008, in welke zaak appellante eveneens partij was.

5.8 De slotsom is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

5.9 Voor een proceskostenveroordeling acht het College geen termen aanwezig.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.L.W. Aerts, mr. M. van Duuren en mr. E. Dijt, in tegenwoordigheid van mr. A. Bruining als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 december 2012.

w.g. J.L.W. Aerts de griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen