Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BX8344

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
05-09-2012
Datum publicatie
26-09-2012
Zaaknummer
AWB 12/833
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Winkeltijdenwet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 12/833 5 september 2012

12500 Winkeltijdenwet

Uitspraak in de zaak van:

Janssens Supermarkt Vianen B.V., te Vianen, appellante,

gemachtigde: mr. A.L.A. Tortike, werkzaam bij Juridisch Adviesbureau Tortike te Doorn,

tegen

burgemeester en wethouders van Vianen, verweerders,

gemachtigden: J.-M. Lodeweges, werkzaam bij verweerders en mr. K. Dankers, advocaat te Utrecht.

1. Het procesverloop

Bij besluit van 8 augustus 2012 hebben verweerders beslist op het bezwaar van appellante tegen de weigering haar ontheffing te verlenen op grond van de Winkeltijdenwet ten behoeve van de openstelling van haar supermarkt op zondagen van 16.00 uur tot 19.00 uur.

Tegen dit besluit heeft appellante bij ongedateerde brief, bij het College binnengekomen op 16 augustus 2012, beroep ingesteld.

Het College heeft besloten tot versnelde behandeling van de zaak.

Op 29 augustus 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben toegelicht.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder a, van de Winkeltijdenwet is het verboden op zondagen een winkel geopend te hebben voor het publiek. Artikel 3, vierde lid, van de Winkeltijdenwet biedt de gemeenteraad de mogelijkheid bij verordening aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid te verlenen op een daartoe strekkende aanvraag ontheffing te verlenen van dit verbod. In artikel 6, eerste en tweede lid, van de Verordening Winkeltijdenwet Vianen 1996 was bepaald dat verweerders voor ten hoogste één winkel ontheffing konden verlenen. Op 1 mei 2012 is de Verordening Winkeltijden Vianen 2012 in werking getreden. Hierin is de mogelijkheid tot het verlenen van een ontheffing voor een zondagavondwinkel vervallen.

2.2 Verweerders hebben bij besluit van 24 augustus 2011 aan appellante voor de duur van één jaar een ontheffing verleend om op zondag geopend te zijn. Hierbij hebben verweerders uitdrukkelijk overwogen dat zij bij de besluitvorming op de aanvraag rekening houden met het voornemen tot het schrappen van de zondag(avond)openstelling in de verordening. Op 12 september 2011 heeft appellante een ontheffing aangevraagd voor de periode na 4 september 2012. Bij brief van 28 september 2011 hebben verweerders appellante bericht dat zij deze aanvraag aanhouden in verband met het voornemen om de Winkeltijdenverordening te wijzigen. Bij brief van 13 april 2012 heeft appellante verweerders in gebreke gesteld in verband met het uitblijven van een besluit. Bij besluit van 1 mei 2012 hebben verweerders de aanvraag van appellante afgewezen. Bij het bestreden besluit hebben verweerders het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

2.3 Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerders haar verlengingsaanvraag hadden dienen te beoordelen op grond van de oude Winkeltijdenverordening. Gelet op de voorgeschiedenis en haar situatie had de gemeenteraad in de nieuwe verordening een overgangsregeling dienen te treffen die dit mogelijk maakte. Verweerders hebben in het bestreden besluit gewezen op een eerdere uitspraak van het College van 10 december 2010 (LJN: BO7209), maar de situatie van appellante verschilt van dat geval. In die zaak was sprake van een winkelier die, anders dan appellante, nog geen ontheffing had. Verder heeft het in het geval van appellante veel langer geduurd voor verweerders op de aanvraag hebben beslist. Gelet op de tijd die het normaal gesproken duurt om een verordening te wijzigen, wijst dit er op dat ten tijde van de aanvraag van appellante het wijzigen van de verordening nog een heel onzekere toekomstige gebeurtenis was. Bovendien heeft het bericht tot aanhouding van de aanvraag appellante nooit bereikt. Voorts is appellante, anders dan in de zaak waar het College zich over heeft uitgesproken, nog de enige gegadigde voor een ontheffing. Weliswaar zijn er andere gegadigden geweest, maar zij zijn niet opgekomen tegen de afwijzing van hun aanvraag, zodat die afwijzingen in rechte vast staan.

2.4 Het College begrijpt het betoog van appellante zo dat artikel 8 van de Verordening Winkeltijden Vianen 2012, waarin het overgangsrecht is neergelegd, onverbindend is, omdat een overgangsregeling ontbreekt op grond waarvan de verlengingsaanvraag van appellante op basis van de oude verordening had moeten worden beoordeeld. Het is vaste rechtspraak van het College dat hij aan de wet slechts verbindende kracht kan ontzeggen, indien de wet strijdig is met een wet van hogere rang, of, met respect voor de beoordelingsvrijheid van de wetgever en dus terughoudend toetsend, de wet in strijd is met algemene rechtsbeginselen. Hiervan is in deze zaak geen sprake. De gemeenteraad heeft een overgangsbepaling opgenomen met respecterende werking voor de enige - aan appellante - verleende ontheffing. Het College ziet geen grond voor het oordeel dat het rechtszekerheidsbeginsel hier een verdergaande bescherming eist, reeds omdat in het besluit van 24 augustus 2011 het voornemen om de zondagavondopenstelling te schrappen al is aangekondigd. Appellante kon dus voor het indienen van de verlengingsaanvraag van dit voornemen op de hoogte zijn. Dat de totstandkoming van de verordening vervolgens enige tijd in beslag heeft genomen, doet hier niet aan af.

2.5 Dit alles betekent dat verweerders gehouden waren om op de verlengingsaanvraag de Verordening Winkeltijden Vianen 2012 toe te passen. Omdat die niet voorziet in de mogelijkheid de verlangde ontheffing te verlenen, hebben verweerders deze terecht geweigerd, ongeacht of verweerders te laat op de aanvraag van appellante beslisten en ongeacht of appellante het bericht van aanhouding heeft ontvangen. Dat appellante, naar zij stelt, nog de enige gegadigde is voor een ontheffing is in dit verband niet van belang.

2.5 De slotsom is dat het beroep niet kan slagen. Voor een vergoeding van proceskosten ziet het College geen aanleiding.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. R.C. Stam, in tegenwoordigheid van mr. I.C. Hof als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 september 2012.

w.g. R.C. Stam w.g. I.C. Hof