Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BX8331

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-09-2012
Datum publicatie
26-09-2012
Zaaknummer
AWB 10/366
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Opdrachtbevestiging niet ondertekend geretourneerd. Door handelwijze en doordat uitvoering is gegeven aan de overeenkomst wel sprake van een gegeven opdracht. Het niet expliciet opnemen van een uurtarief staat de opdracht niet in de weg, met de verwijzing door de betrokken accountant naar de algemene voorwaarden over de grondslag van de declaratie heeft betrokkene voldaan aan de informatieplicht.

www.tuchtrecht.nl, LJN: YH0095.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 10/366 18 september 2012

20150 Wet tuchtrechtspraak accountants

Uitspraak op het hoger beroep van:

A, te B, appellant van een uitspraak van de accountantskamer van 5 maart 2010, met nummer 09/1434 WTRA AK.

1. Het procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft bij brief van 14 april 2010, bij het College binnengekomen op 15 april 2010, hoger beroep ingesteld tegen bovenvermelde uitspraak van de accountantskamer, gegeven op de klacht, op 26 augustus 2009 door appellant ingediend tegen C AA (hierna: betrokkene).

De accountantskamer heeft bij brief van 27 mei 2010 de stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 24 juni 2010 heeft betrokkene een reactie op het beroepschrift ingediend.

Op 5 juni 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad.

Appellant laat zich vertegenwoordigen door D. Deze gemachtigde van appellant heeft ter zitting verklaard te persisteren bij het beroepschrift en verder geen inhoudelijke vragen te zullen beantwoorden.

Betrokkene is in persoon verschenen.

2. De uitspraak van de accountantskamer

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht ongegrond verklaard.

Ter zake van de formulering van de klacht door de accountantskamer, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer (www.tuchtrecht.nl, LJN: YH0095), die als hier ingelast wordt beschouwd.

3. De beoordeling van het hoger beroep

3.1 Het College stelt vast dat tegen de weergave door de accountantskamer van de klacht en de feiten geen grieven zijn gericht, zodat ook het College van die weergave zal uit gaan.

3.2 De eerste grief van appellant richt zich tegen overweging 4.3. van de uitspraak van de accountantskamer. Appellant betoogt – kort samengevat – dat de accountantskamer ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat appellant aan betrokkene opdracht heeft verstrekt om de jaarrekeningen 2004 tot en met 2006 van zijn advocatenkantoor samen te stellen. Appellant stelt de daartoe strekkende opdrachtbevestiging niet ondertekend retour te hebben gezonden. De wel ondertekende en verzonden volmacht kan naar de mening van appellant niet als opdrachtbevestiging worden aangemerkt. Het College overweegt als volgt.

Hetgeen appellant heeft aangevoerd brengt het College niet tot een ander oordeel dan dat van de accountantskamer. Het College volgt geheel de overwegingen van de accountantskamer, maakt deze tot de zijne en voegt daaraan het volgende toe.

Appellant heeft op 23 mei 2007 betrokkene benaderd met het verzoek om de boekhouding van de nog openstaande jaren af te handelen, omdat appellant problemen had met de belastingdienst over diverse belastingaanslagen. Op 16 juli 2007 en 14 september 2007 heeft betrokkene samen met appellant besprekingen met de belastingdienst gevoerd. Op

17 juli 2007 heeft betrokkene een opdrachtbevestiging en de benodigde volmacht ter ondertekening aan appellant toegezonden, alsook E schriftelijk op de hoogte gesteld van de aan hem verstrekte opdracht. Betrokkene heeft voor de door hem verrichte werkzaamheden op 24 juli 2007, 2 augustus 2007 en 25 september 2007 declaraties aan appellant gezonden. Appellant heeft deze declaraties aanvankelijk zonder protest behouden en naar aanleiding van geen van deze drie declaratie aan betrokkene bericht dat hij betrokkene geen opdracht voor werkzaamheden zou hebben gegeven. Het door betrokkene ingenomen standpunt, dat tussen partijen een civielrechtelijke overeenkomst van opdracht met een inhoud zoals door hem gesteld is tot stand gekomen, acht het College niet onmiskenbaar onjuist en deze standpuntbepaling kan daarom naar het oordeel van het College in de hiervoor geschetste omstandigheden niet als tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen worden aangemerkt. Het enkele feit dat appellant de opdrachtbevestiging niet ondertekend heeft geretourneerd maakt dat niet anders. Voor zover appellant in dit verband stelt dat hij geen opdracht aan betrokkene kón verstrekken omdat de daartoe benodigde stukken in het bezit waren van E, ziet appellant er aan voorbij dat betrokkene op 5 oktober 2007 in een bespreking ten kantore van E met F onder meer heeft afgestemd dat alle benodigde boekhoudstukken 2003, 2004 en 2005 aan hem worden verstrekt, hetgeen ook is geschied. Nu appellant niet betwist dat betrokkene het samenstellen van de jaarrekening niet heeft kunnen afronden omdat appellant niet alle informatie aan hem ter beschikking heeft gesteld en vragen onbeantwoord heeft gelaten, wordt appellants stelling dat niet is gebleken dat betrokkene werkzaamheden ten behoeve de jaarrekeningen 2004 tot en met 2006 heeft verricht, verworpen. De grief faalt.

3.3 De tweede grief van appellant is gericht tegen het oordeel van de accountantskamer zoals neergelegd in overweging 4.4, dat betrokkene heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting appellant te informeren over de voorwaarden van de opdracht. Appellant betoogt – naar het College de grief begrijpt – dat nu betrokkene geen uurtarief heeft opgenomen in de opdrachtbevestiging of algemene voorwaarden en met appellant geen uurtarief is overeengekomen er geen sprake is van een wilsovereenstemming.

Het College oordeelt ten aanzien van deze grief dat betrokkene weliswaar geen uurtarief heeft opgenomen, maar dat betrokkene ten aanzien van de grondslag van de berekening van het tarief heeft verwezen naar de algemene voorwaarden. Ook naar het oordeel van het College heeft betrokkene hiermee voldaan aan de op hem rustende verplichting tot het verstrekken van informatie ten aanzien van de voorwaarden van de opdracht.

Deze grief faalt.

3.4 In de derde grief stelt appellant dat de accountantskamer ten onrechte heeft geoordeeld dat op geen enkele wijze aannemelijk is geworden dat betrokkene zijn werkzaamheden heeft voortgezet nadat appellant te kennen had gegeven dat hij de opdracht wilde beëindigen. Vaststaat dat nadat betrokkene appellant op 11 januari 2008 heeft geconfronteerd met een bericht van diezelfde datum van de belastingdienst dat E de aangifte inkomensbelasting heeft ingediend, appellant bij brief van 8 februari 2008 aan betrokkene heeft medegedeeld: “ De opdracht en volmacht zijn inderdaad beëindigd en herroepen.” Voor zover appellant stelt dat betrokkene hiermee al in september 2007 bekend was heeft hij deze stelling ook in beroep in het geheel niet met concrete feiten onderbouwd, zodat daaraan wordt voorbij gegaan.

De grief faalt.

3.5 De vierde grief is gericht tegen het oordeel van de accountantskamer dat geenszins aannemelijk is geworden dat betrokkene ten onrechte tijd in rekening heeft gebracht bij appellant.

Het College oordeelt als volgt.

Uit de toelichting bij deze grief begrijpt het College dat appellant zich met deze grief op het standpunt stelt dat werkzaamheden heeft gedeclareerd waartoe appellant geen opdracht heeft gegeven. Nu het College in 3.2 reeds heeft geoordeeld dat betrokkene zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door hem gestelde overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen vervalt daarmee de grondslag aan deze grief.

3.6 Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is.

3.7 Na te melden beslissing op het hoger beroep berust op artikel 43, eerste lid, Wet tuchtrechtspraak accountants, en artikel 39 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.

4. De beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.R. Eggeraat, mr. J.A.M. van den Berk, mr. P.M. van der Zanden in tegenwoordigheid van mr. L.C. Bannink, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 september 2012.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. L.C. Bannink