Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BX6793

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-08-2012
Datum publicatie
07-09-2012
Zaaknummer
AWB 12/835
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Proceskostenveroordeling
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Intrekking chauffeurspas omdat geen VOG is overgelegd. Besluit berust niet op een deugdelijke motivering. Uit het besluit blijkt namelijk niet dat aandacht is besteed aan de beantwoording van de vraag of er, ondanks het niet tijdig overgelegd zijn van een verklaring omtrent het gedrag niettmin, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, redenen zijn om niet tot intrekking over te gaan. Voorziening getroffen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Voorzieningenrechter

AWB 12/835 24 augustus 2012

14910 Wet personenvervoer 2000

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:

A, te B, verzoeker,

gemachtigde: mr. S.F.J. Bergmans, advocaat te Sittard,

tegen

de Minister van Infrastructuur en Milieu, verweerder,

gemachtigde: mr. M.B. Gschwind, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Bij besluit van 9 augustus 2012 heeft verweerder een aan verzoeker verleende chauffeurspas voor het verrichten van taxivervoer met ingang van 27 augustus 2012 ingetrokken.

Verzoeker heeft bij brief van 17 augustus 2012 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij brief van gelijke datum, met producties, heeft verzoeker de voorzieningenrechter van het College verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij faxbericht van 21 augustus 2012 heeft verzoeker een aanvullend stuk ingediend.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 23 augustus 2012, waarbij verzoeker, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder zijn verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Het Besluit personen vervoer 2000 (hierna: Bp 2000) luidt sedert 1 oktober 2011, voorzover hier van belang, als volgt:

“Artikel 1

In dit besluit (…) wordt verstaan onder: (…)

d. wet: Wet personenvervoer 2000, (…).

Artikel 2

De wet is niet van toepassing op: (…)

f. vervoer met auto’s of bussen voor de uitvoering van trouwerijen of uitvaarten met inbegrip van het afhalen en terugbrengen van de deelnemers, (…)

Artikel 81

(…)

3. Met het besturen van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht, wordt slechts diegene belast, die in het bezit is van een geldige (…) chauffeurskaart.

4. Voor bij ministeriële regeling aan te wijzen soorten taxidiensten waarbij gedurende een bepaalde periode meermalen taxivervoer wordt verricht volgens een schriftelijke overeenkomst waarin tarieven zijn vastgelegd, kan in de plaats van de in het derde lid bedoelde chauffeurskaart volstaan worden met een chauffeurskaart onder beperkingen. (…)

Artikel 82

1. Bij de aanvraag voor de chauffeurskaart worden de volgende documenten overgelegd: (…)

c. een met het oog op het uitoefenen van het beroep van taxichauffuer verleende verklaring omtrent het gedrag overeenkomstig de bepalingen van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, die niet ouder is dan vier maanden; (…)

6. Indien Onze Minister vermoedt dat de bestuurder van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht, niet meer voldoet aan de eisen voor het afgeven van (…) een verklaring omtrent het gedrag, als bedoeld in het eerste lid, onderdeel (…) c, kan Onze Minister verlangen dat die bestuurder (…) opnieuw verzoekt om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag. De bestuurder overlegt binnen een door Onze Minister vast te stellen termijn (…) de nieuwe verklaring omtrent het gedrag.”

In de met ingang van 1 oktober 2011 in werking getreden Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputerkaarten is, voor zover hier van belang, bepaald:

"Artikel 10

(…)

3. De chauffeurskaart en de chaufeurskaart onder beperkingen kunnen worden ingetrokken: (…)

c. indien de bestuurder niet of niet tijdig (…) een nieuwe verklaring omtrent het gedrag overlegt als bedoeld in artikel 82, zesde lid, van het Besluit; (…)

2.2 Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- Verzoeker is sedert 7 januari 2011 werkzaam bij C te D.

- Op 5 april 2011 is hem een chauffeurspas verstrekt met een geldigheidsduur tot 5 april 2016.

- Bij brief van 20 februari 2012 heeft verweerder verzoeker verzocht om een nieuwe verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) te overleggen, omdat uit informatie van de Inspectie Leefomgeving en Transport is gebleken dat verzoeker mogelijk niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een VOG.

- Bij brief van 5 april 2012 heeft verweerder verzoeker in kennis gesteld van het voornemen om zijn chauffeurspas in te trekken.

- Verzoeker heeft bij brief van 17 april 2012 zijn zienswijze kenbaar gemaakt.

- Verweerder heeft vervolgens enkele malen uitstel verleend voor het overleggen van een VOG.

- Bij besluit van 25 april 2012 heeft het Centraal Orgaan Verklaring Omtrent het Gedrag (COVOG) namens de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie afwijzend beslist op verzoekers aanvraag om een VOG. Bij besluit van 12 juli 2012 heeft de Staatssecretaris het daartegen door verzoeker gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen dat besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Maastricht.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het standpunt van verzoeker

Verzoeker heeft aangevoerd dat de intrekking van de chauffeurspas per 27 augustus 2012 zal leiden tot de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst. Verzoeker heeft verzocht om een zodanige voorziening te treffen, dat hij gedurende de bezwaarprocedure over een chauffeurspas zal kunnen blijven beschikken en zijn werk zal kunnen blijven doen.

Verzoeker heeft onder verwijzing naar het bij verweerder ingediende bezwaarschrift aangevoerd dat verweerder in het bestreden besluit geen aandacht heeft besteed aan de vraag of er, ondanks het niet tijdig overlegd zijn van een VOG niettemin, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, redenen zijn om niet tot intrekking over te gaan. De bijzondere omstandigheden van het geval zijn aan verweerder kenbaar gemaakt in de zienswijze van 17 april 2012, maar verweerder heeft verzuimd daarop in het bestreden besluit in te gaan.

Verzoeker heeft in dit verband onder meer aangevoerd dat hij eenmalig is de fout is gegaan door als thuiskweker hennep te telen ten behoeve van een coffeeshop, waarbij hij tevens illegaal stroom heeft afgenomen. Hij heeft echter niet in verdovende middelen gedeald. Verzoeker is inmiddels op de goede weg. Hij kan door zijn handicap moeilijk aan werk komen, maar heeft toch, na een periode van werkloosheid, in januari 2011 werk kunnen vinden als chauffeur. Naast werkzaamheden in het kader van de verzorging van uitvaarten, verricht verzoeker uitsluitend groepsvervoer op contractbasis. Het betreft het vervoer van gehandicapten in de ochtend (7.30 tot 10.00 uur) en de middag (15.00 tot 17.30 uur). Uit de verklaring van de werkgever van 22 maart 2012 blijkt dat deze zeer tevreden over hem is. Uit de verklaring van 21 augustus 2012 blijkt bovendien dat de werkgever bereid is richting KIWA, dan wel een andere instantie, een signaleringsfunctie te vervullen.

Volgens artikel 3.2.4 van de Beleidsregels VOG-NP-RP en IVB 2011 bepaalt de relatie tussen het justitiële gegeven en de functie/taak/bezigheid die de aanvrager gaat vervullen of een justitieel gegeven, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormt voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid. Het COVOG heeft die toets niet op zorgvuldige wijze uitgevoerd. Het COVOG heeft uitsluitend waarde gehecht aan de kwalificatie “drugsdelict” en “vermogensdelict”, maar heeft de bijzondere aard van het door verzoeker gepleegde feit en de bijzondere omstandigheden van het geval onvoldoende laten meewegen in de besluitvorming.

Het bestreden besluit is voorts gebaseerd op oude (tot 1 oktober 2011 geldende) regelgeving. Ten slotte heeft het verzoeker verbaasd dat het door hem gepleegde feit destijds kennelijk geen beletsel vormde om hem een VOG te verstrekken, maar nu wel redengevend is om de opnieuw aangevraagde VOG niet te verlenen en de chauffeurspas in te trekken.

4. Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft aangevoerd dat het besluit tot intrekking van de chauffeurspas rechtmatig is. Het daarin genoemde wettelijke kader is inderdaad onjuist, maar dat zal in bezwaar worden hersteld. Verzoeker heeft geen VOG overgelegd en voldoet derhalve niet langer aan de eisen op grond waarvan de chauffeurspas werd verstrekt. Verweerder is derhalve bevoegd om tot intrekking van de chauffeurspas over te gaan. Dat verzoeker door het intrekken van de pas zijn werkzaamheden niet meer kan uitoefenen is niet als een bijzondere omstandigheid aan te merken, omdat dit immers voor elke chauffeur geldt wiens pas wordt ingetrokken. Verweerder is verzoeker tegemoet gekomen door enkele keren uitstel te verlenen voor het indienen van de VOG.

Aangezien het COVOG speciaal in het leven is geroepen om aan de hand van screeningsprofielen te beoordelen of strafbare feiten een belemmering kunnen vormen voor de afgifte van een VOG en het COVOG over specifieke deskundigheid terzake beschikt, hecht verweerder meer waarde aan het oordeel van COVOG dan aan een verklaring van een werkgever. Het COVOG heeft terecht overwogen dat een taxichauffeur bij de uitoefening van zijn werkzaamheden vaak in aanraking komt met mensen in het uitgaanscircuit en dat overtredingen van de Opiumwet daarom onverenigbaar zijn. Diefstal wordt in het screeningsprofiel voor de taxibranche eveneens als een risicofactor genoemd. Het COVOG heeft voorts terecht overwogen dat verzoeker met de chauffeurspas ook werkzaamheden als taxichauffeur bij andere ondernemingen kan verrichten. Verweerder is derhalve van oordeel dat het beschikken door verzoeker van een reguliere chauffeurspas op dit moment een te groot risico vormt voor de samenleving.

5 De beoordeling van het geschil

5.1 Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie juncto artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van het College, hangende beroep bij het College of hangende de beslissing op bezwaar indien van die beslissing beroep bij het College openstaat, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voorzover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.

5.2 Duidelijk is dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. De intrekking van de chauffeurspas zal immers tot gevolg hebben dat verzoeker een belangrijk deel van zijn huidige werkzaamheden, te weten het vervoer van gehandicapten, niet meer zal mogen verrichten en zijn werkgever heeft reeds aangegeven dat hij bij handhaving van het bestreden besluit tot (gedeeltelijke) beëindiging van de arbeidsovereenkomst zal overgaan.

5.3 Ter beoordeling van de voorzieningenrechter staat of het besluit van 9 augustus 2012, waarbij verweerder de aan verzoeker verstrekte chauffeurspas heeft ingetrokken, naar voorlopig oordeel in rechte stand kan houden. Hieromtrent overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

5.4 Met betrekking tot de bevoegdheid van verweerder om tot intrekking van de chauffeurspas over te gaan, volstaat naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter de vaststelling dat verweerder van verzoeker heeft verlangd opnieuw om afgifte van een VOG te verzoeken en dat verzoeker die VOG niet heeft overgelegd, zodat verweerder, op grond van artikel 10, derde lid, onder c van de Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputer (hierna: de Regeling) bevoegd is om de chauffeurspas in te trekken.

5.5 Evenals voorheen in het tot 1 oktober 2010 geldende artikel 77, tweede lid, aanhef en onder c Bp 2000 was bepaald, bepaalt artikel 10, derde lid, onder c van de Regeling thans dat de chauffeurskaart – waaronder in dit verband ook de chauffeurspas dient te worden verstaan, aangezien verweerder doende is alle chauffeurspassen te vervangen door chauffeurskaarten – kan worden ingetrokken. Zoals de voorzieningenrechter van het College onder de oude regeling reeds meerdere malen heeft overwogen – laatstelijk in de uitspraak van 9 december 2010, www.rechtspraak.nl, LJN BO7145 – dwingt de redactie van deze bepaling, ook indien de bestuurder niet (tijdig) een opnieuw aangevraagde VOG overlegt, verweerder niet zonder meer tot intrekking van een chauffeurspas.

Voorts heeft de voorzieningenrechter in de hiervoor bedoelde jurisprudentie reeds meerdere malen overwogen dat verweerder in het kader van de voorbereiding van het nemen van een dergelijk besluit aandacht dient te besteden aan de beantwoording van de vraag of er, ondanks het niet tijdig overgelegd zijn van een verklaring omtrent het gedrag niettemin, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, redenen zijn om niet tot intrekking over te gaan. Van een en ander blijkt echter niet uit het bestreden besluit: verweerder is tot intrekking van de chauffeurspas overgegaan om de enkele reden dat geen VOG van verzoeker is ontvangen.

5.6 Ter zitting is met verweerder besproken waaruit het risico voor de samenleving in het onderhavige geval bestaat. Verweerder heeft in dit verband, onder verwijzing naar het besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 12 juli 2012, aangegeven dat het risico voornamelijk is gelegen in het feit dat verzoeker met zijn chauffeurspas niet alleen bij werkgever C, maar ook bij alle andere taxiondernemingen chauffeurs-werkzaamheden kan verrichten. Ten aanzien van de functie van taxichauffeur is blijkens het screeningsprofiel voor de taxibranche een risico aanwezig voor het welzijn en de veiligheid van passagiers. Er bestaat een verhoogde kan dat passagiers in aanraking komen met drugs(handel) en daarmee samenhangende criminele activiteiten. Opiumdelicten zijn dan ook, volgens verweerder, naar hun aard niet te verenigen met de functie van taxichauffeur. Voorts bestaat vanwege het vermogensdelict een risico voor de veiligheid en eigendommen van passagiers.

Naar voorlopig oordeel is in het onderhavige geval onvoldoende aandacht besteed aan het feit dat verzoeker niet als straattaxichauffeur werkzaam is, maar uitsluitend belast is met contractvervoer (gehandicapten). Voorts is in het kader van de voorbereiding van het bestreden besluit geen aandacht besteed aan de vraag of de hiervoor bedoelde risico’s mogelijk zouden kunnen worden ondervangen door het verstrekken aan verzoeker, in plaats van de huidige chauffeurspas, van een zogenoemde “chauffeurskaart onder beperkingen”, waarmee uitsluitend contactvervoer mag worden verricht.

Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat een en ander in de bezwaarprocedure alsnog zal worden onderzocht. Verzoeker heeft voorts te kennen gegeven dat hij zo spoedig mogelijk een chauffeurskaart onder beperkingen zal aanvragen, als dit wellicht de oplossing kan vormen waarmee hij zijn werk kan blijven doen.

5.7 Naar voorlopig oordeel berust het bestreden besluit, gelet op hetgeen in 5.5 en 5.6 is overwogen, niet op een deugdelijke motivering, zoals vereist volgens artikel 3:46 Awb.

Gelet op hetgeen hiervoor in 5.6 is overwogen, kan niet bij voorbaat worden uitgesloten dat verweerder in het kader van de bezwaarprocedure zal terugkomen op het besluit van 9 augustus 2012 tot intrekking van de chauffeurspas dan wel aan verzoeker, op diens aanvraag, een chauffeurskaart onder beperkingen zal verstrekken. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat het verzoek in na te melden zin dient te worden toegewezen.

5.8 De voorzieningenrechter ziet aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze worden op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,-- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437,-- en gewichtsfactor 1).

6. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

- schorst het bestreden besluit van 9 augustus 2012 tot zes weken nadat door verweerder op het daartegen door verzoeker

gemaakte bezwaar is beslist;

- bepaalt dat verzoeker, tot zes weken nadat op zijn bezwaar tegen het bestreden besluit is beslist, zijn chauffeurspas

uitsluitend zal gebruiken voor contractvervoer (gehandicapten-vervoer) bij zijn werkgever C;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 874,-- (zegge: achthonderdvierenzeventig

euro);

- bepaalt dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht ten bedrag van € 156,-- (zegge:

eenhonderdzesenvijftig euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. E.R. Eggeraat, in tegenwoordigheid van mr. J.M.M. Bancken als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2012.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. J.M.M. Bancken