Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BX6792

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-08-2012
Datum publicatie
07-09-2012
Zaaknummer
AWB 11/710
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Registratie Bedrijfschap Afbouw

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2012/2056

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 11/710 24 augustus 2012

3110 Registratie

ambtshalve

Uitspraak in de zaak van:

Web Productions B.V., te Amsterdam, appellante,

gemachtigde: mr. G.G. Kranendonk, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand,

tegen

het Bedrijfschap Afbouw, verweerder,

gemachtigde: mr. B.C. Westenbroek, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Naar aanleiding van een advertentie van appellante op www.marktplaats.nl heeft verweerder appellante verzocht nadere gegevens te verstrekken over haar werkzaamheden.

Op 8 mei 2011 heeft appellante een ingevulde vragenlijst aan verweerder gestuurd. Op deze vragenlijst heeft appellante geen van de genoemde afbouwcategorieën aangekruist. Zij heeft bij de vraag ?andere activiteiten? ingevuld ?verfindustrie/verkoop verf?.

Aan appellante is een aanvullende vragenlijst verzonden met de vraag ?Worden er door u onderneming, krachtens aanneming van werk, werkzaamheden verricht die betrekking hebben op het (doen) aanbrengen en/of bewerken van vloeren?? Op 18 mei 2011 heeft appellante daarop ontkennend geantwoord.

Op 29 juni 2011 heeft verweerder appellante geregistreerd wegens het (doen) aanbrengen van vloeren.

Bij brief van 5 juli 2011 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen deze registratie.

Bij besluit van 30 augustus 2011 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Appellante heeft bij brief van 5 september 2011, bij het College binnengekomen op 7 september 2011, beroep ingesteld tegen dit besluit.

Bij brief van 21 oktober 2011 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 25 mei 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij namens appellante haar gemachtigde, alsmede de heer A. en de heer B. zijn verschenen. Verweerder is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Het onderzoek is gesloten.

Bij beschikking heropening van 13 juni 2012 heeft het College het onderzoek heropend, verweerder uitgenodigd een standpunt in te nemen en iedere verdere beslissing aangehouden. Verweerder heeft een standpunt ingenomen. Naar aanleiding daarvan heeft appellante bij brief van 6 juli 2012 haar reactie gegeven.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 In het Instellingsbesluit Bedrijfschap Afbouw (Stb. 2006, 724; hierna: Instellingsbesluit) is onder meer het volgende bepaald:

?Artikel 2

1. In dit besluit wordt verstaan onder het stukadoors-, afbouw-, terrazzo- en vloerenbedrijf: het bedrijfsmatig krachtens aanneming van werk verrichten of doen verrichten van activiteiten gericht op het gebied van de niet-constructieve afbouw, waaronder het ter plaatse van de bestemming aanbrengen van plafond- en wandsystemen.

(…)

Artikel 3

1. Er is een Bedrijfschap Afbouw.

2. Het bedrijfschap is ingesteld voor de ondernemingen waarin het stukadoors-, afbouw-, terrazzo- en vloerenbedrijf wordt uitgeoefend.

(…)?

2.2 Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond verklaard. Daartoe werd overwogen dat een bedrijf dat werkzaamheden verricht of laat verrichten, die vallen onder de werkingssfeer van het Bedrijfschap, dient te worden geregistreerd. Uit het profiel op www.marktplaats.nl en de website vloerleggers.blogspot.com (http://vloerleggers.blogspot.com/2010/12/uw-gietvloer-betonvloer-specialist-in.html) is gebleken dat appellante zich bedrijfsmatig, krachtens aanneming van werk, bezighoudt met het (doen) aanbrengen en/of bewerken van vloeren.

2.3 Appellante stelt dat zij als Web Productions staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Daaruit valt af te leiden dat het bedrijf websites produceert. Daarnaast verkoopt appellante verf, ook aan schilders. Het enkele feit dat deze schilders ook vloeren schilderen mag in haar ogen niet leiden tot de conclusie dat appellante een vloerenverwerkingsbedrijf is. Vloerverwerkingsbedrijven nemen geen werk aan van appellante, appellante helpt particulieren slechts door te wijzen op een schilder. Dit vermeldt appellante ook op haar websites en advertenties. De advertenties waaruit verweerder een andere conclusie heeft getrokken, zijn direct verwijderd toen bleek dat sprake is van onjuiste informatie.

2.4 Naar aanleiding van de beschikking heropening heeft verweerder naar voren gebracht dat appellante niet valt onder artikel 2, eerste lid, van het Instellingsbesluit, zo is gebleken uit de door appellante overgelegde accountantsverklaring. Appellante behoort derhalve niet ingeschreven te staan bij het Bedrijfschap Afbouw en daarom is besloten om het bedrijf weer uit te schrijven. De openbare uitingen van appellante zijn echter zodanig onzorgvuldig dat er voldoende aanleiding was om het bedrijf in 2011 in te schrijven en een heffing op te leggen. Verweerder verzoekt het College dan ook te besluiten dat het bedrijf niet valt onder de werkingssfeer van verweerder alsmede dat de heffing – gelet op het onzorgvuldig handelen van appellante – terecht is opgelegd.

2.5 Appellante stelt in haar reactie van 6 juli 2012 dat de heffing niet in stand kan blijven nu verweerder heeft erkend dat appellante niet valt onder de werkingssfeer van verweerder. Verweerders stelling dat er onduidelijkheid is geschapen door appellante kan geen stand houden nu een inschrijving gebaseerd dient te zijn op de feitelijke werkzaamheden en niet op basis van vermoedens en aannames tot stand zou mogen komen. Verweerder dient daartoe onderzoek te doen.

2.6 Vooropgesteld moet worden dat in deze zaak de handhaving van beslissing tot registratie in het bestreden besluit ter toetsing voorligt. Niet meer in geschil is dat appellante geen werkzaamheden verricht die vallen onder de werkingssfeer van verweerder. Dat brengt met zich mee dat het bestreden besluit geen stand kan houden.

2.7 Hoewel het besluit tot het opleggen van de heffing in het onderhavige geval niet ter toetsing voorligt, ziet het College in het door verweerder aangevoerde en gelet op het belang van appellante aanleiding ten overvloede het volgende te overwegen. Heffingen mogen door verweerder alleen worden opgelegd aan ondernemingen waarvoor het bedrijfschap is ingesteld. Met andere woorden: aan ondernemingen die werkzaamheden verrichten die vallen onder artikel 2, eerste lid van het Instellingsbesluit. Zoals uit de voorgaande alinea blijkt is daarvan in dit geval geen sprake. Dat betekent dat in dit geval evenmin sprake kan zijn van het opleggen van een heffing aan appellante. Of de openbare uitingen van appellante op grond waarvan verweerder eerder is overgegaan tot registratie onzorgvuldig waren, doet hieraan niet af. Het een en ander maakt verklaarbaar waarom verweerder destijds tot registratie is overgegaan, maar neemt niet weg dat na een onderzoek naar de feitelijke werkzaamheden gebleken is dat dit besluit ten onrechte is genomen.

2.8 Het in 2.6 overwogene leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond is wegens strijd met artikelen 2 en 3 van het Instellingbesluit. Het College ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.9 Het College ziet aanleiding om verweerder op grond van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte kosten.

Op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 874,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van het College, met een wegingsfactor 1, ad € 437,-- per punt).

De reiskosten van M.R. Frie en R.L. Batteram worden gelet op artikel 2, eerste lid onder c van het Besluit proceskosten bestuursrecht juncto artikel 11 van het Besluit tarieven in strafzaken op basis van openbaar vervoer voor twee personen vastgesteld op € 53,60 (retour NS tweede klasse Almere-Den Haag).

De verletkosten worden met in achtneming van artikel 1, eerste lid, onder d van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op een totaal van € 120,- voor het tijdverzuim van 3 uur voor de heen- en terugreis alsmede het bijwonen van de zitting. Daarbij is uitgegaan van een bedrag van € 40,- per uur, hetgeen overeenkomt met het uurtarief dat uit het verzoek proceskostenvergoeding volgt.

De extra kosten ter hoogte van € 320,-- die zouden zijn gemaakt ter voorbereiding van de zaak komen op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht niet voor vergoeding in aanmerking.

3. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit tot registratie van 29 juni 2011;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten voor de behandeling van het beroep van appellanten tot een bedrag van

€ 1047,60 (zegge: éénduizendzevenenveertig euro en zestig cent);

- bepaalt dat verweerder het door appellanten voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ad € 302,-- (zegge:

driehonderdtwee euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. M. Munsterman, in tegenwoordigheid van mr. J.A. de Koning als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2012.

w.g. M. Munsterman w.g. J.A. de Koning