Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BX6761

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
23-08-2012
Datum publicatie
07-09-2012
Zaaknummer
AWB 10/1259
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006; randvoorwaardenkorting; mest; dierlijke meststoffen; emissiearm

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 10/1259 23 augustus 2012

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A, te B, appellante, gemachtigde: de heer C, werkzaam bij appellante,

tegen

de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,

gemachtigde: mr. H.V. Qualm, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. Het procesverloop

Bij besluit van 21 april 2010 heeft verweerder een randvoorwaardenkorting van 20% opgelegd op de aan appellante voor 2009 te verlenen subsidie op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (hierna: de Regeling) in verband met het niet-naleven van het verbod op het emissiearm uitrijden van mest.

Bij besluit van 11 oktober 2010 heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 16 november 2010, bij het College binnengekomen op 18 november 2010, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de gedingstukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 6 maart 2012 heeft verweerder het bestreden besluit gewijzigd en de subsidiekorting verlaagd naar 3%. Appellante heeft hierop haar reactie gegeven. Verweerder heeft aanvullend verweer gevoerd.

Op 22 juni 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen zijn verschenen.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Voor een overzicht van de relevante Europese en nationale regelgeving verwijst het College naar de bijlage “wet- en regelgeving” bij het bestreden besluit.

2.2 Appellante heeft voor 2009 rechtstreekse betalingen aangevraagd.

Blijkens de gedingstukken hebben controleurs van de Algemene Inspectie Dienst (hierna: AID) op 7 april 2009 geconstateerd dat appellante artikel 5, eerste lid, van het Besluit gebruik meststoffen overtrad door op niet-emissiearme wijze dierlijke drijfmest te gebruiken op beteeld bouwland. De controleurs zagen drijfmest liggen op de bodem tussen het gewas. Verder was er sprake van plasvorming van mest. De loonwerker die door appellante was ingeschakeld heeft de constatering niet betwist. Verweerder heeft aanvankelijk op basis van artikel 68 van de Regeling en met toepassing van de Beleidsregels normenkader randvoorwaarden GLB, een korting van 20% toegepast op alle subsidies die appellante had aangevraagd.

2.3 Met de herziene beslissing op het bezwaar van 6 maart 2012 is de subsidiekorting verlaagd naar 3%. Naar het oordeel van het College is hier sprake van een wijziging in de zin van artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het beroep tegen het besluit van 11 oktober 2010 moet dan ook op grond van artikel 6:19 Awb geacht worden mede te zijn gericht tegen het herziene besluit van 6 maart 2012.

Nu niet is gebleken dat appellante enig belang heeft behouden bij beoordeling van het oorspronkelijk bestreden besluit, moet het daartegen gerichte beroep niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het daaraan ontvallen zijn van procesbelang.

2.4 Appellante heeft ter zitting erkend dat sprake was van een overtreding. Zij stelt echter niet nalatig geweest te zijn, terwijl dat wel een vereiste is voor het opleggen van de korting.

Zij heeft naar voren gebracht dat de omstandigheden de overtreding hebben veroorzaakt. Appellante heeft er alles aan gedaan om een overtreding te voorkomen. Dit wordt bevestigd door medewerkers van de AID en verweerders Dienst Regelingen, die niet hebben kunnen aangeven wat appellante anders had moeten doen. De omstandigheden tijdens het bemesten, zoals de weersomstandigheden en de bodemgesteldheid, waren zodanig dat bemesten lastig was. Dat was niet te wijten aan handelen van appellantes bedrijf. Appellante heeft toezicht gehouden op de bemesting van de eerste twee percelen, toen de omstandigheden nog goed waren. Bij het bemesten van het derde perceel heeft appellante geen toezicht meer gehouden. De korting is in dit geval zinloos en willekeurig en zal bovendien niet kunnen leiden tot gedragsverandering. De door een derde geleverde mest diende hoe dan ook direct uitgereden te worden.

2.4.1 Verweerder stelt zich op het standpunt dat van een overmachtsituatie slechts sprake is bij abnormale en onvoorziene omstandigheden, die de ondernemer niet kent en waarvan de gevolgen, ondanks alle mogelijke voorzorgen, niet hadden kunnen worden vermeden. Daarvan is echter in dit geval niet gebleken. Omdat appellante onvoldoende toezicht heeft gehouden op de uitvoering van de werkzaamheden door het loonwerkbedrijf is appellante nalatig geweest. Naar aanleiding van rechtspraak van het College waaruit blijkt dat een opzettelijk door een loonwerker gepleegde overtreding niet zonder meer mag leiden tot het toerekenen van opzet aan de landbouwer, heeft verweerder de korting verlaagd naar 3%. Nu het uitrijden is gedaan door een professioneel loonwerkbedrijf kan de opzet bij het niet-naleven van de regels voor het uitrijden van mest appellante immers niet automatisch worden toegerekend.

2.5 Ter beoordeling van het College staat of het besluit tot vermindering van de bedrijfstoeslag 2009 met een randvoorwaardenkorting van 3% in rechte stand kan houden.

2.6 Op grond van de communautaire en nationale bepalingen is de volledige betaling van de door de landbouwer aangevraagde rechtstreekse landbouwsteun gekoppeld aan de naleving van regels op het gebied van milieu, voedselveiligheid, diergezondheid en dierenwelzijn en eisen inzake een goede landbouw- en milieuconditie. Bij niet-naleving van deze randvoorwaarden wordt het steunbedrag gekort of ingetrokken. Tot de uit deze regelgeving voortvloeiende beheerseisen behoorde de verplichting dierlijke meststoffen op bouwland emissiearm aan te wenden. Niet in geschil is dat op percelen landbouwgrond van appellante mest is uitgereden in strijd met genoemde verplichting tot emissiearme verwerking, conform de bevindingen van de AID. Gelet hierop bestond er voor verweerder aanleiding om een korting toe te passen op de aan appellante te verlenen inkomenssteun. Een korting van 3% zoals in dit geval is opgelegd, is in overeenstemming met artikel 66, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004. Het College deelt dan ook niet de opvatting van appellante dat de (hoogte van de) korting willekeurig is..

2.7 Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat niet kan worden staande gehouden dat appellante in een situatie van overmacht verkeerde. Door toezicht te blijven houden, ook bij de bemesting van het derde perceel, had appellante de overtreding kunnen voorkomen, desnoods door de loonwerker op te dragen de werkzaamheden te staken. Dat bij het uitrijden sprake was van moeilijke omstandigheden, en dat appellante voorafgaand aan de werkzaamheden controles heeft uitgevoerd, maakt dit niet anders.

2.8 Zoals het College in de uitspraken van 17 april 2009 (AWB 07/967, LJN: BI3578) en 9 november 2011 (AWB 10/276, LJN: BU4769) reeds heeft geoordeeld, blijkt uit de relevante Europese regelgeving dat bedoeld is de landbouwer tevens in zijn kwaliteit als eigenaar en beheerder van het landbouwbedrijf verantwoordelijk te houden voor activiteiten die, eventueel door derden, in strijd met de beheerseisen op zijn bedrijf zijn verricht. Hieraan ligt de gedachte ten grondslag dat de eigenaar/beheerder verantwoordelijk is voor de gedragingen die op zijn bedrijf plaatsvinden. De in het boeterapport geconstateerde overtreding van het loonbedrijf als zodanig kan rechtstreeks worden toegeschreven aan appellante, nu appellante als eigenaar en beheerder van het landbouwbedrijf verantwoordelijk is voor activiteiten die, in dit geval door het loonbedrijf, in strijd met de beheerseisen op zijn bedrijf zijn verricht. Dat betekent in dit concrete geval dat van appellante kon worden gevergd dat hij zou voorkomen dat de mest niet-emmissiearm zou worden uitgereden. Appellante heeft de verantwoordelijkheid in handen gelegd van het loonbedrijf. Appellante heeft vervolgens onvoldoende ondernomen om toezicht te (blijven) houden op de manier waarop het loonbedrijf daadwerkelijk op zijn percelen te werk is gegaan en er evenmin anderszins voor gezorgd dat hij van inbreuken op de beheerseisen op de hoogte zou komen. Dat sprake was van een professioneel loonbedrijf, en dat appellante bij aanvang van de werkzaamheden toezicht heeft gehouden op het werk, leidt niet tot een ander oordeel.

2.9 In de omstandigheid dat een periode van ongeveer een jaar is verstreken tussen de AID-controle en verweerders besluit van 21 april 2010 ziet het College onvoldoende aanleiding om het beroep gegrond te verklaren. Hierbij is in aanmerking genomen dat appellante op de hoogte was van de resultaten van de controle en er rekening mee diende te houden dat een korting zou worden opgelegd. Voor zover appellante zich beklaagt over de late uitbetaling van de bedrijfstoeslag voor het jaar 2009 overweegt het College dat het betalingstijdstip geen onderwerp is van dit geschil. Overigens is niet gebleken dat appellante verweerder in gebreke heeft gesteld in verband met het uitblijven van uitbetaling.

2.10 Appellante heeft terecht betoogd dat verweerder niet binnen de in artikel 7:10 Awb genoemde termijn heeft beslist op het bezwaar. Volgens vaste jurisprudentie is dit echter geen fatale termijn. Reeds hierom kan termijnoverschrijding door verweerder niet het door appellante gewenste gevolg hebben.

2.11 Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het beroep tegen het besluit van 6 maart 2012 ongegrond dient te worden verklaard. Aangezien de grief dat geen sprake was van opzet zonder het nieuwe nadere besluit van verweerder tot gegrondverklaring van het beroep zou hebben geleid, ziet het College aanleiding om verweerder te veroordelen tot terugbetaling van het door appellante voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

3. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 11 oktober 2010 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 6 maart 2012 ongegrond;

- bepaalt dat verweerder het door appellante voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ad € 298,- (zegge:

tweehonderdachtennegentig euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. C.J. Waterbolk, in tegenwoordigheid van mr. J.A. de Koning als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2012.

w.g. C.J. Waterbolk w.g. J.A. de Koning