Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BX6534

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-08-2012
Datum publicatie
05-09-2012
Zaaknummer
AWB 10/739
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Inwerkingtreding Wwg leidt tot het van rechtswege vervallen van de vergunning voor binnenlands vervoer. In beroep is de communautaire vergunning verlopen. Geen actueel en concreet belang. Beroep niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 10/739 27 augustus 2012

14000 Wet goederenvervoer over de weg

Uitspraak in de zaak van:

A B.V., te B, appellante,

gemachtigde: C, werkzaam bij appellante,

tegen

Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie, verweerster,

gemachtigde: mr. R.A. Scherpenisse, werkzaam bij verweerster.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2010 heeft verweerster ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 september 2007, waarbij de aan appellante verleende vergunningen voor binnenlands en grensoverschrijdend beroepsvervoer zijn ingetrokken.

Tegen het besluit van 30 juni 2010 heeft appellante bij brief van 15 juli 2010, bij het College binnengekomen op 20 juli 2010, beroep ingesteld.

Bij brief van 30 september 2010 heeft verweerster een verweerschrift en op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Bij brieven van 23 maart en 2 april 2012 heeft appellante het College nader bericht en onder meer meegedeeld dat zij heeft besloten haar bedrijf in een andere lidstaat voort te zetten.

Op 11 april 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij van de zijde van verweerster zijn verschenen haar gemachtigde en R. Poeran, werkzaam bij verweerster. Appellante is met voorafgaand bericht niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1 Op 31 januari 2007 heeft verweerster ingevolge de Wet goederenvervoer over de weg (hierna: Wgw) aan appellante een vergunning verleend voor binnenlands beroepsvervoer voor onbepaalde tijd en een vergunning voor grensoverschrijdend beroepsvervoer (hierna: de communautaire vergunning), geldig tot 31 januari 2012.

Ten tijde van het door appellante aanhangig gemaakte bezwaar tegen het primaire besluit van 20 september 2007 is op 1 mei 2009 de Wet wegvervoer goederen (hierna: Wwg) in werking getreden – met uitzondering van het hier niet ter zake doende artikel 8.4, onderdelen A tot en met D – (Staatsblad 2009, 193). Ingevolge artikel 8.6 Wwg is de Wgw ingetrokken.

Ingevolge artikel 2.1 Wwg kan, behalve in enkele hier niet ter zake doende gevallen, uitsluitend een communautaire vergunning worden verleend die geldig is voor zowel binnenlands als grensoverschrijdend beroepsvervoer. De afzonderlijke vergunning voor binnenlands beroepsvervoer is met de inwerkingtreding van deze wet komen te vervallen, met dien verstande dat voor de gevallen waarin een vervoerder destijds slechts houder was van een vergunning voor binnenlands beroepsvervoer de wetgever in de artikelen 7.1 en 7.2 Wwg een overgangsregime met eerbiedigende werking heeft getroffen. Daarmee heeft de wetgever willen voorkomen dat deze vervoerder dan wel de permanent en daadwerkelijk leidinggevende die de vakbekwaamheid inbrengt zouden zijn genoodzaakt om opnieuw examen te doen ter verkrijging van de communautaire vergunning, terwijl de vervoersactiviteiten slechts in Nederland plaatsvinden (Kamerstukken II 2006/2007, 30 896, nr. 3, blz. 31).

Vast staat dat de communautaire vergunning, indien deze niet zou zijn ingetrokken, op 31 januari 2012 zou zijn verlopen. Appellante is kennelijk tijdens de bezwaar- en beroepsprocedure van deze vergunning gebruik blijven maken tot laatstgenoemde datum. Gesteld noch gebleken is dat appellante (tijdig) heeft verzocht om verlenging van de vergunning of een nieuw verzoek om vergunning heeft ingediend. Evenmin blijkt uit haar brieven van 23 maart en 2 april 2012 of anderszins dat appellante bij een inhoudelijke beoordeling van dit beroep een actueel en concreet belang heeft.

2.2 Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat appellante geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep en dat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

2.3 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gewezen door mr. W.A.J. van Lierop, mr. E.R. Eggeraat en mr. J.A.M. van den Berk, in tegenwoordigheid van mr. S.D.M. Michael als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2012.

w.g. W.A.J. van Lierop w.g. S.D.M. Michael