Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BX5215

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
07-08-2012
Datum publicatie
22-08-2012
Zaaknummer
AWB 10/1381
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Accountantstuchtrecht; deskundigheid en zorgvuldigheid bij opstellen onderzoeksrapport; hoger beroep tegen uitspraak accountantskamer gegrond; in dit geval geen sprake van tuchtrechtelijke verwijten; klacht ongegrond.

uitspraak van de accountantskamer van 12 november 2010, met nummer 10/500 WTRA AK (LJN: YH0110)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 10/1381 7 augustus 2012

20150 Wet tuchtrechtspraak accountants

Uitspraak op het hoger beroep van:

A RA, kantoorhoudend te B, appellant van een uitspraak van de accountantskamer van 12 november 2010, met nummer 10/500 WTRA AK.

1. Het procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft bij brief van 21 december 2010, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld tegen bovenvermelde uitspraak van de accountantskamer, gegeven op een klacht, op 22 maart 2010 door C (hierna: klager) ingediend tegen appellant.

De accountantskamer heeft bij brief van 10 januari 2011 de stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 11 februari 2011 heeft appellant de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Bij brief van 28 maart 2011 heeft klager een reactie op het hoger beroepschrift ingediend.

Op 24 april 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. W.F. Hendriksen en mr. S.A.G. Hoogeveen, advocaten te Amsterdam. Klager is eveneens in persoon verschenen, bijgestaan door D RA.

2. De uitspraak van de accountantskamer

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht wat betreft de onderdelen 1 tot en met 4, 6 tot en met 19, 21 tot en met 24 en 26 tot en met 63 ongegrond verklaard, wat betreft de onderdelen 5, 20 en 25 gegrond verklaard en aan appellant de maatregel van waarschuwing opgelegd.

Ter zake van de formulering van de klacht door de accountantskamer, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

3. De beoordeling van het hoger beroep

3.1 Het hoger beroep van appellant strekt ertoe dat het College de bestreden uitspraak, voor zover de accountantskamer daarbij de klacht gegrond heeft verklaard, vernietigt en de tegen hem ingediende klacht alsnog ongegrond verklaart. Het College gaat daarbij in beginsel uit van de klachtonderdelen, zoals die door de accountantskamer zijn verwoord en gegrond verklaard.

Aangezien klager geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de bestreden uitspraak, kan het College aan de behandeling van hetgeen hij (ter zitting van het College) heeft aangevoerd tegen de ongegrond verklaarde klachtonderdelen niet toekomen.

3.2 Ten aanzien van het door de accountantskamer als klachtonderdeel 5 aangeduide verwijt aan appellant inzake de vraag of klager voldoende in staat is geweest te reageren op de aantijgingen jegens hem, meer specifiek betreffende de toegang van klager tot zijn e-mailbestanden, overweegt het College als volgt.

Vast staat dat klager door zijn (voormalige) werkgever de toegang tot zijn werkplek was ontzegd en dat hij daardoor niet langer toegang had tot onder andere het digitale netwerk, waarop al zijn e-mailbestanden waren opgeslagen. Appellant stelt zich op het standpunt dat klager meerdere malen in de gelegenheid is gesteld de aan het onderzoek ten grondslag liggende documenten en gegevens in te zien, dat klager had kunnen en moeten begrijpen dat daaronder ook de volledige – naar ter zitting van het College is gebleken: op een Cd-rom gekopieerde – e-mailbestanden werden verstaan, maar dat klager hier geen gebruik van heeft gemaakt. Klager stelt dat nergens uit bleek dat deze e-mailbestanden deel uitmaakten van het onderzoeksdossier, dat hem in de communicatie hierover niet voldoende duidelijk is gemaakt dat die bestanden daarvan wel deel uitmaakten en dat hem bovendien überhaupt niet was toegestaan daarvan dan afschriften te maken, hetgeen volgens klager betekent dat de hem geboden gelegenheid tot inzage volstrekt onvoldoende was en hij er om die reden geen gebruik van heeft gemaakt.

Het College constateert uit de stukken in het dossier dat de communicatie over de (toegang tot de) e-mailbestanden niet optimaal is geweest. Klager heeft meermaals, maar slechts in algemene zin, verzocht om toegang tot de zijns inziens relevante gegevens, waaronder hij verstond zijn werkplek, inhoudende het digitale netwerk, de dossierkasten, de medewerkers en de administratie. Hij heeft aldus niet concreet duidelijk gemaakt dat het hem specifiek ging om onbeperkte en volledige toegang tot zijn e-mailbestanden. Het College acht dan ook voorstelbaar dat het op dat moment voor appellant niet helder was dat het klager met name om de e-mailbestanden ging.

Appellant op zijn beurt heeft klager diverse malen, maar eveneens slechts in algemene zin, geïnformeerd over de in het onderzoeksdossier aanwezige documenten en gegevens, en hem ook de mogelijkheid geboden die in te komen zien. Appellant heeft in dit verband aangevoerd dat er voor klager meerdere aanwijzingen waren dat appellant beschikte over alle e-mailbestanden en dat deze derhalve deel uitmaakten van het onderzoeksdossier dat ter inzage lag. Appellant heeft onder meer gewezen op de brief van 10 januari 2007 aan klager waarin onder meer is medegedeeld dat een forensisch ICT-onderzoek is ingesteld op de harde schijf van de bij klager in gebruik zijnde laptop alsmede in de netwerkomgeving van E. Daarnaast heeft appellant gewezen op de op 31 januari 2007 aan klager toegezonden vragenlijst en het concept-rapport van 23 februari 2007 dat aan klager in wederhoor is aangeboden, in welke stukken verwijzingen zijn opgenomen naar aangetroffen e-mailberichten van klager. Klager is echter aldus niet expliciet en ondubbelzinnig duidelijk gemaakt dat ook (juist) de e-mailbestanden waren gekopieerd en op een Cd-rom beschikbaar waren voor inzage door klager. Bovendien is klager bij de brief van 31 januari 2007 te kennen gegeven dat, indien hij van de inzagemogelijkheid gebruik zou maken, geen afschriften van documenten zouden worden verstrekt. Dat bij klager enige twijfel bestond over het nut van inzage in het onderzoeksdossier, acht het College daarom ook voorstelbaar.

Het College ziet echter niet in dat die twijfel voor klager voldoende reden was om reeds op voorhand af te zien van de hem wel degelijk en zelfs diverse malen expliciet geboden gelegenheid de documenten en gegevens die aan het voor hem belastende onderzoek ten grondslag lagen, in te zien. Nu hij van die gelegenheid om hem moverende redenen geen gebruik heeft gemaakt, heeft hij niet (zelf) kunnen vaststellen of de door hem verlangde e-mailbestanden al dan niet in het onderzoeksdossier aanwezig waren en of de zich daarin bevindende informatie vervolgens naar zijn mening voldoende was of wellicht anderszins bruikbare aanknopingspunten bood voor verdere stappen. Appellant is over de beschikbaarheid van die e-mailbestanden weliswaar onvoldoende specifiek geweest in de communicatie met klager, maar het College is van oordeel dat, gelet op het voorgaande, dat enkele feit in dit geval niet betekent dat appellant dienaangaande een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Daarbij acht het College mede van belang dat in het rapport van 22 maart 2007 (in paragraaf 2.2) is gerapporteerd op welke wijze is gehandeld en gecommuniceerd inzake de toegang van klager tot (onder andere) de gegevens op de laptop en het netwerk, alsmede dat in het rapport is vermeld dat klager heeft aangegeven dat hij niet beschikte over alle door hem verlangde documenten en gegevens en om die reden slechts een voorlopige reactie op het rapport heeft kunnen geven.

Gelet op het voorgaande is het College, anders dan de accountantskamer, van oordeel dat in dit geval niet kan worden gezegd dat appellant, in het kader van de toegang van klager tot zijn e-mailbestanden, het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid heeft geschonden. Deze grief slaagt derhalve.

3.3 Ten aanzien van het door de accountantskamer als klachtonderdeel 20 aangeduide verwijt aan appellant inzake de in § 4.8 van de bestreden uitspraak opgenomen analyse uit het rapport van 22 maart 2007 overweegt het College als volgt.

De bedoelde analyse uit het rapport van 22 maart 2007 luidt als volgt:

“Door C is, in afwijking van het besluit van het bestuur van het F en in afwijking met de regeling vergoeding overwerk, aan G een bedrag van € 15.757,50 uitbetaald als compensatie voor de door het bestuur van het F afgewezen salarisverhoging van G. Betreffende betalingen aan G zijn niet in de salarisadministratie van E verantwoord.”

De accountantskamer heeft klachtonderdeel 20 in zoverre gegrond verklaard, omdat deze specifieke analyse een deugdelijke grondslag ontbeert.

Het College stelt dienaangaande vast dat klager in zijn (voorlopige) verklaringen uiteen heeft gezet dat het bestuur van het F de voorgestelde (verzwaarde) functiewaardering voor de functie van controller (in casu G) niet heeft overgenomen. Vervolgens is een verzoek gedaan aan het bestuur van het F om een financiële compensatie voor G vanwege diens te lage inschaling. Klager heeft omtrent dit verzoek onder meer verklaard – zie § 4.9 van de bestreden uitspraak –:

“(…) dat ik tot de oplossing (…) werd gedwongen omdat H en daarmee het F weigerde uitvoering te geven aan de besluiten van de E en het bestuur van E wat betreft compensatie jegens G. Een en ander zoals in de notulen en besluiten vastgelegd en aan H/F kenbaar gemaakt.”

Hieruit kan worden afgeleid dat, ook in de visie van klager, het bestuur van F dit verzoek om compensatie voor G eveneens heeft afgewezen. Klager betwist voorts niet dat aan G desondanks ter compensatie van die lagere inschaling een bedrag van € 15.575,50 is uitbetaald en dat dit niet in de salarisadministratie van E is verantwoord. Dit alles betekent naar het oordeel van het College dat voldoende grondslag bestond voor de hierboven weergegeven, in § 4.8 van de bestreden uitspraak opgenomen analyse in het rapport van 22 maart 2007.

Gelet op het voorgaande is het College, anders dan de accountantskamer, van oordeel dat ten aanzien van die specifieke analyse in het rapport niet kan worden gezegd dat appellant het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid heeft geschonden. Ook deze grief slaagt derhalve.

3.4 Ten aanzien van het door de accountantskamer als klachtonderdeel 25 aangeduide verwijt aan appellant inzake het in het rapport van 22 maart 2007 geschetste beeld van de rol van klager in de sollicitatieprocedure van I overweegt het College als volgt.

Klager heeft in zijn (voorlopige) reacties op het onderzoek niet uitdrukkelijk betwist dat hij mede de sollicitatiegesprekken met I heeft gevoerd. Ter zitting van het College heeft hij ook geen stukken kunnen aanwijzen waaruit een dergelijke betwisting wel blijkt. Bovendien blijkt uit het interviewverslag van 26 januari 2007, dat als bijlage V bij het rapport van 22 maart 2007 is opgenomen en uit welk verslag enkele passages zijn geciteerd op pagina 62 van het rapport, dat J (onder meer) heeft verklaard:

“ Het is beslist niet zo (…) dat C geen rol heeft gespeeld bij het besluit om I aan te stellen (…). Zoals ik al verklaard heb, heeft C de eerste selectie van de sollicitatiebrieven verricht en hebben hij en ik de sollicitatiegesprekken gevoerd. (…) C en ik hebben het besluit genomen om I aan te stellen.”

Weliswaar heeft J deze verklaring achteraf ingetrokken, maar dat heeft hij pas gedaan nadat het rapport reeds was afgerond. Voorts heeft klager op pagina 14 van zijn voorlopige reactie van 14 maart 2007 (zie bijlage E bij het rapport van 22 maart 2007) uiteengezet dat het feit dat hij bij deze sollicitatieprocedure betrokken is geweest:

“ (…) werd ingegeven door de omstandigheid dat ik als enige in dit gremium de E vertegenwoordigde, in wiens belang het was er voor te waken dat er geen ambtelijke/dociele medewerker werd aangetrokken, maar een Draufgänger/pionierstype met relevante ervaring in het bedrijfsleven.”

Hoewel klager in formele zin niet verantwoordelijk was voor de uiteindelijke beslissing over het aanstellen van I, was het op basis van de vóór de datum van afronding van het rapport beschikbare informatie voldoende duidelijk dat klager in betekenende mate bij deze sollicitatieprocedure betrokken is geweest. Gelet hierop bestond naar het oordeel van het College op dat moment voor appellant geen aanleiding nader onderzoek te verrichten naar klagers rol in die sollicitatieprocedure, door bijvoorbeeld mevrouw K te horen over deze kwestie. De overwegingen van de accountantskamer, inhoudende dat klagers rol beperkt is gebleven tot het tippen van zijn zwager over de vacature en het maken van een selectie uit de sollicitatiebrieven en dat de andersluidende analyse over klagers rol in de sollicitatieprocedure een deugdelijke grondslag ontbeert, onderschrijft het College dan ook niet. Deze grief slaagt derhalve eveneens.

3.5 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de accountantskamer, voor zover in hoger beroep aan de orde, dient te worden vernietigd. Het College zal met toepassing van artikel 43 van de Wet tuchtrechtspraak accountants, in samenhang met artikel 40 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004, de zaak zelf afdoen en de door klager tegen appellant ingediende klacht alsnog geheel ongegrond verklaren.

Nu het hoger beroep gegrond is, behoeven de overige grieven van appellant, gelet op hetgeen hij dienaangaande ter zitting van het College heeft verklaard, geen behandeling.

3.6 Na te melden beslissing op het hoger beroep berust op artikel 43, eerste lid, van de Wet tuchtrechtspraak accountants, en artikel 40 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.

4. De beslissing

Het College

- verklaart het hoger beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak, voor zover in hoger beroep aan de orde;

- verklaart de klacht ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.R. Eggeraat, mr. M.M. Smorenburg en mr. H.C. Cusell, in tegenwoordigheid van mr. P.H. Broier, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2012.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. P.H. Broier